Home

Popgrootheid Elton John is ook fotoverzamelaar. Een tamelijk verbijsterend goede bovendien

Elton John en zijn man David Furnish behoren inmiddels tot ’s werelds belangrijkste fotoverzamelaars. En niet alleen omdat ze geld hebben; ze hebben ook de goede neus. Een aanstekelijk enthousiasmerende tentoonstelling in Parijs levert het bewijs.

Tien jaar geleden toonde de Londense moderne-kunstkolos Tate Modern een deel van de indrukwekkende fotografiecollectie van superster Elton John (79) en zijn man, de Canadese artiestenmanager David Furnish (63). Het betrof een gigantisch overzicht van modernistische fotografie, jaren twintig tot jaren vijftig, toen fotografie als kunstvorm volwassen werd.

Dwalend door de galmende betonnen zalen, bedwelmd door de hoeveelheid zwart-witte meesterwerken, van Man Ray tot Ansel Adams, kon je op driekwart van de tentoonstelling een gefilmd interview met de exuberante zanger zelf bekijken, die enthousiast zijn collectie toelichtte.

Leuk: ze hadden het interview bij hem thuis gedraaid, beter gezegd: in een van zijn vele huizen (Nice, Londen, Los Angeles, Windsor, tot voor kort Atlanta). Nog leuker: Eltons interieur bracht je met knalrode muren en barokke meubels vol tijger- en panterprints met een lekkere klets in het gezicht uit je roes van artistiek zwart-wit. Het leukst: hij bleek zijn strak-modernistische hoogtepunten volop aan de eigen muren te hebben hangen, in een grote variëteit aan lijstjes, kriskras door elkaar.

Serieuze handel

Het fotoverzamelen kreeg zo iets oprecht aanstekelijks, ver weg van het ietwat patserige investeerdersbeeld dat je als non-bezitter hebt van celebrity’s in de kunsthandel. Elton had overigens zelf bijgedragen aan dat beeld; toen hij in 1993 Man Ray’s wereldberoemde Larmes de Verre (1932) aanschafte voor ongeveer 130 duizend euro was dat een recordbedrag voor een foto, en gonsde de opwinding door de bedrijfstak dat kunstfotografie eindelijk serieuze handel begon te worden.

Voor Elton John markeerde dit zijn begin als serieuze verzamelaar; hij zou uitgroeien tot een van ’s werelds invloedrijkste.

Ook gewoonweg vanwege zijn enorm diepe zakken. In 1999 liep hij in de fameuze Londense galerie White Cube Nan Goldins installatie Thanksgiving tegen het lijf, een verzameling van 149 foto’s die ze, typerend voor haar werk, decennialang had gemaakt van haar vrienden, aan de verslaafde en/of queer randen van de maatschappij, waar aids had toegeslagen als een neutronenbom.

Hij was ontroerd, wilde er graag wat van hebben en verzuchtte tegen galeriehouder Jay Joplin, die zelf aan het uitgroeien was tot een van de succesvolste in zijn vakgebied, dat het toch lastig was om er één uit die collectie te trekken.

‘Waarom koop je niet de hele bups?’, riposteerde Joplin onmiddellijk – Elton had beslist de regel overtreden die Wim Pijbes vorig jaar nog in Volkskrant Magazine over het verwerven van kunst deelde: nooit aan een galeriehouder laten merken dat je geïnteresseerd bent, ze voelen het geld in je zakken branden.

De verkoopprijs is niet bekend, maar eenzelfde installatie van Goldin ging een paar jaar later bij Christie’s voor pakweg 250 duizend euro van de hand.

Deze wereld van serieus geld maakt wat verdacht: is het een uit authentieke belangstelling opgebouwde collectie, of meer een investering? Een flauwe vraag wellicht, vergelijkbaar met de vraag aan de schrijver of de roman ook autobiografisch is, maar toch: grootkapitalisten werken óók graag met musea omdat musea met een tentoonstelling een soort goedkeuringsstempel aan hun collectie geven, en daarmee meteen de waarde ervan verhogen. Dat smaakt toch een beetje anders.

Elton John en zijn man David Furnish bezweren dat ze van investeringsoverwegingen niks moeten hebben. Dat ze een foto mooi, goed, of interessant vinden is het enige criterium. ‘It has to speak to us’, zoals Furnish in Amerikaans lingo verwoordt.

John begon zich voor fotografie te interesseren, zo vertelt hij graag, toen hij in 1990 uit de verslavingskliniek was ontslagen, waar de therapeut hem had aangeraden iets te ondernemen waarvoor hij een clubje mensen om zich heen moest verzamelen, voor focus en inbedding.

Hij ging logeren bij vrienden, tevens chateaubezitters, in Cahors (Frankrijk), waar diezelfde vrienden het fotofestival organiseerden. Er ging een wereld voor hem open; hij schafte er meteen een dozijn foto’s aan. En sinds die tijd is hij niet meer te stoppen – hij is de eerste om gretig toe te geven dat dit de nieuwe verslaving werd die alle andere op de achtergrond drukte.

Gezamenlijke ultrahobby

Om de good guy origin story verder te vervolmaken: op een van de eerste dates met zijn latere man Furnish zaten ze samen op de bank bij hem thuis enthousiast een boek van modefotograaf Herb Ritts door te bladeren. (Kan een scène nog jarennegentiger zijn?)

Ze kwamen bij die beroemde meisjeskamer- en gaybarposter van die dubbelgespierde jongen met die twee autobanden. ‘O, ik heb trouwens hier ergens de echte print hangen’, zei Elton achteloos: de aftrap van een gezamenlijke ultrahobby.

Het aardige van de tentoonstelling van Johns en Furnish’ collectie die nu te zien is in het gerespecteerde fotografiemuseum Jeu de Paume, op de kop van de Tuilerieën in Parijs, is dat je het aanstekelijke plezier van het echtpaar erin terug voelt.

Het is de Franse editie van de tentoonstelling die voor het Londense Victoria and Albert Museum werd samengesteld, Fragile Beauty, beslaande de fotografie vanaf de jaren vijftig; in weerwil van die nadrukkelijk poëtische titel lijken de dik driehonderd topfoto’s zich weinig van een overkoepelend thema aan te trekken.

Dopamineshotjes

Want lang niet alles is per se schoonheid of fragiel – het zou in elk geval nogal weinig ter zake zijn om bijvoorbeeld de sociaal bewogen, stevig directe Amerikaanse documentairefotografie van Pirkle Jones als louter ‘schoonheid’ weg te zetten, of diens vertoonde foto van de geweldige Black Panther-vrouwen als ‘fragiel’.

We bedoelen maar: voor de meeste foto’s geldt dat als de tentoonstelling pakweg ‘Great Expectations’ of ‘Basic Instinct’ had geheten, ze ook een heel eind waren gekomen qua betekenisgeving.

Het mooie is dan juist ook dat, voor je gevoel, de collectie al na anderhalve zaal uit de thematiek lijkt te breken en over het collectioneren zélf lijkt te gaan. Omdat het zo’n volkomen indrukwekkende hoeveelheid topfotografie is en het zo’n prettige mix vormt van de standards en van wat eigen accenten.

Ineens voel je hoezeer verzamelen inderdaad een verslaving is, zoals scrollen dat is – de wereld van de fotogaleries moet voor John en Furnish voelen als één groot fysiek Insta-algoritme, vol alle kanten op schietende beelden, met daaronder de belofte van afbeeldingen die je specifieke smaak en wensen prikkelen, en dan de dopamineshotjes van het kopen. Scrolt u even mee.

Langs die geweldig contemplatieve Marilyn Monroe bijvoorbeeld, zo’n klassieker uit de fotogeschiedenis, van Eve Arnold, op de set van The Misfits, uit een reeks waarmee Arnold uiteindelijk het beeld van Monroe wist te kantelen van dartele starlet naar een au fond ernstige, intelligente steractrice die met haar beroemdheid worstelde.

Door naar een piepjonge reportagefotograaf, Ethan Swope, die vorig jaar vastlegde hoe de chique wijk Pacific Palisades in Los Angeles deels in vlammen opging – let op het vervreemdende woord ‘humps’ onderaan de foto: verkeersdrempels. Furnish en John schuimen steevast krantenpagina’s af op zoek naar boeiende fotografie om te verwerven – een verslaving houdt nooit op, tenslotte.

Dan een van de verwarrendste kijkervaringen: esthetisch, misschien ietwat verdrietig, sociaal ongemakkelijk en heel evocatief, en nog wel meer: de foto hieronder uit de reeks Hustlers van DiCorcia. De fotograaf was een van de eerste die nadrukkelijk filmische scènes ensceneerde: hij zette in een verlopen buurt in Los Angeles een tafereel op, zorgvuldig uitgelicht, en plaatste zijn assistent daarin om de juiste pose te vinden. Vervolgens benaderde hij, een straat verderop, sekswerkers om die pose aan te nemen. Hij betaalde ze daar het bedrag voor dat ze anders voor seks hadden gevraagd.

Mannen aan de onderkant van de sociale ladder, geplaatst in iets wat op een seksueel geladen fantasie lijkt van hypermasculiniteit, terwijl ze wat getekend ogen, en betaald krijgen, voor een bedrag dat weer te denken geeft gezien de veel latere museale bedragen voor de foto’s – er gebeurt hier ongelooflijk veel tegelijk.

Aantrekkelijk aanrakerig

Ineens loop je een zaal binnen met een vrolijke verscheidenheid aan gay-erotiek, met een imposante hoeveelheid Robert Mapplethorpes, de grote New Yorkse meester, en een paar Walter Pfeiffers, de Zwitser die al decennia fotografeerde toen hij in de jaren negentig precies in de smakelijk-modieuze stroming van quasi-alledaags realisme viel – niemand die gewoon ogende jongens zo aantrekkelijk aanrakerig kon maken.

En het gaat maar door, je wilt niet meer ophouden met kijken. Het voelt gaandeweg alsof je bij de Eltonnetjes in een van hun huizen bent uitgenodigd en na een korte enthousiaste rondleiding van de gastheren door de gangen langs de wild behangen muren dwaalt.

Acteur Russell Tovey mocht voor zijn kunstpodcast Talk Art langskomen om John en Furnish voor de tentoonstelling te interviewen, in hun huis in Nice. Ze komen begeesterd te spreken over Marilyn Monroe. ‘O ja’, zegt John, ‘Jouw logeerkamer straks, dat is de kamer waar alle Monroes hangen.’

Fragile Beauté – Photographies de la collection de Sir Elton John et David Furnish, Jeu de Paume, Parijs, t/m 24/9.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next