Home

Dieren in films zijn meestal slachtoffer: op de set of daarbuiten. Tijd voor de ‘Tonka-test’, voor een dierwaardige film

Wéér ziet cultuurverslaggever Mina Etemad de dierenclichés voorbijkomen, nu in The Odyssey; in films zijn honden, chimpansees en varkens altijd onderworpen aan de mens. Dat moet anders: een pleidooi voor de dierwaardige film – en drie criteria waaraan die moet voldoen.

schrijft voor de Volkskrant over theater en podcasts.

Stel je voor: je bent een hond en je houdt van film. Dit is een slecht begin – ik wil dieren niet vermenselijken. Maar wie weet werkt dit gedachte-experiment toch.

Dus stel, je bent een viervoeter en verslindt films. Al weken kijk je uit naar The Odyssey, de nieuwste film van Christopher Nolan over de Griekse held Odysseus. Ook verheug je je op de 4K-restauratie van Amores perros, het filmdebuut van Alejandro González Iñárritu uit 2000 over drie mensen en hun honden die betrokken raken bij een heftig ongeluk.

Je kijkt beide films en vindt ze geweldig, maar er knaagt iets aan je. De honden in die films, daar herken je je niet in. In The Odyssey doet de hond weinig meer dan trouw zijn en sterven, en in Amores perros zijn de honden agressief en moordlustig. Er zit wel één ongevaarlijk hondje tussen, maar dat is onnozel, valt in een gat en raakt dagenlang de weg kwijt.

Je herkent dit patroon uit zo veel andere films: in de verbeelding van regisseurs zijn honden eendimensionale wezens. Het gaat nooit eens echt om jouw soort of om hoe jullie de wereld beleven – jullie staan voortdurend in dienst van mensen.

Eigenlijk geldt dat voor alle andere dieren die je in films hebt gezien. In Jaws (1975), The Birds (1963) of de King Kong-films zijn haaien, vogels of gorilla’s alleen maar gevaarlijk. In Legally Blonde (2001), Paddington (2014) en Babe (1995) zijn de chihuahua, beer en big juist alleen maar schattig. In The Odyssey veranderen mensen in varkens als ze er vies en abject uit moeten zien. En mochten dieren een keer complexere karakters kennen, dan zijn ze allegorieën voor mensen. Denk aan de Planet of the Apes-films of The Sheep Detectives (2026): de lotgevallen van respectievelijk apen en schapen staan symbool voor de menselijke samenleving.

Door al deze films voel je je gereduceerd. Net als andere dieren ben jij als hond een autonoom wezen met een rijke binnenwereld: met je gehoor en reukvermogen vang je allerlei informatie over je omgeving op die de mens niet eens begrijpt, je hebt diepgaande vriendschappen met andere honden en doet je best om conflicten op te lossen als die zich voordoen.

Je bent zo veel meer dan je in films ooit hebt gezien, en je leven draait echt niet volledig om mensen.

100 miljoen haaien

Maar goed, honden kijken geen films. Het maakt voor hun levens niet uit hoe wij ze portretteren.

Hoewel. Stel je voor: je bent een mens en je houdt van film. Na Legally Blonde denk je dat alle chihuahua’s ervan houden schattige accessoires te zijn. Door Amores perros vind je straathonden eng, want je ziet telkens de rabiate gezichten van de vechtersbazen in die film voor je. Je eigen hond vind je soms te eigenwijs – kan die niet trouwer en mensgerichter zijn, zoals Odysseus’ hond Argos?

Over andere dieren heb je ook impliciet allerlei ideeën meegekregen. Als je wil zwemmen in zee ben je voortdurend bang voor zo’n monsterlijke Jaws-haai, varkens vind je goor door beelden zoals die in The Odyssey, en door Babe en Shaun the Sheep (2015) denk je dat het leven op een boerderij best meevalt voor dieren. Jij ziet niet dat mensen jaarlijks zo’n 100 miljoen haaien en 90 miljard tot vee gedwongen dieren doden.

Dieren staan in dienst van mensen, zo leer je door de films die je ziet. Ze zijn veel minder intelligent, ze handelen alleen vanuit intuïtie en hun emoties zijn basaal. Ze zijn simpelweg minderwaardig, daar komt het op neer. Dus het is echt niet zo’n probleem om ze te domineren, te vermoorden of te consumeren, om vergif uit te strooien over hun land, om bossen om te hakken, om de zeebodem te vernielen en het water te vervuilen.

Natuurlijk zijn films niet de enige oorzaak van speciësisme; discriminatie op basis van soort en het idee dat de menselijke soort superieur is, is diep verankerd in onze maatschappij. Maar films geven mede vorm aan de samenleving. Ze dragen bij aan beeldvorming en beeldvorming stuurt weer hoe we de wereld inrichten. Dus misschien beginnen gelijkwaardigere mens-dierrelaties wel bij de film.

Vrouwelijke perspectieven

Niet dat mensen nou altijd zo gelaagd worden neergezet in films. Vrouwen komen er bijvoorbeeld vaak maar bekaaid vanaf, zo kaartte striptekenaar Alison Bechdel aan in 1985. Ze krijgen alleen maar eendimensionale rollen en hun personages staan voortdurend in dienst van mannen met veel interessantere innerlijke werelden.

In haar inmiddels befaamde strip Dykes to Watch Out For zet een van de personages daarom drie criteria uiteen waaraan een film moet voldoen om ruimte te bieden aan vrouwelijke perspectieven: (1) er zijn minstens twee vrouwelijke personages die (2) samen een gesprek voeren (3) over iets anders dan een man.

De Bechdeltest is inmiddels uitgegroeid tot een cultureel fenomeen, een handige maatstaf om het seksistische gehalte van een film te checken. Ruim veertig jaar na de strip is de maatschappij echter nog steeds zeer patriarchaal, dus helaas slagen veel films ook vandaag de dag niet voor de test. The Odyssey en Amores perros? Die kunnen we beide afschrijven.

Op dit vlak dan, want niemand beweert dat deze films daarom onacceptabel en slecht zijn. Maar hoe mooi is het als je als regisseur én een spannende, interessante film maakt én je bijdraagt aan een gelijkwaardigere wereld voor mannen en vrouwen?

En hoe mooi zou het zijn als regisseurs én goede films zouden maken én de hiërarchische relatie tussen mensen en dieren zouden helpen ontmantelen?

Maar hoe meten we of een regisseur daarin slaagt? Misschien helpt een test zoals Bechdel die opstelde. Een paar simpele kenmerken waaraan een film moet voldoen om dierwaardig te zijn.

De Tonka-test

De test wil ik graag vernoemen naar een dier. Een dier dat gedwongen werd in de filmindustrie te werken en stereotiepe rollen heeft moeten spelen terwijl het veel meer was dan wat wij op het scherm van hem en zijn soort zagen.

Tonka. Tonka de chimpansee. In 1991 in gevangenschap geboren, gefokt om als acteur te werken. Voor zijn rollen in films als George of the Jungle (1997), Buddy (1997) en Babe: Pig in the City (1998) kreeg hij, net als veel andere apenacteurs uit die tijd, snoezige pakjes aan en hij werd voortdurend geknuffeld door mensen. Uit onderzoek blijkt inmiddels dat wie zulke beelden ziet eerder vindt dat chimpansees geschikt zijn als huisdier en minder snel aanneemt dat de dieren aan het uitsterven zijn in het wild.

Na twaalf jaar werd het te gevaarlijk om Tonka op sets te ontvangen – chimpansees beginnen zich vaak op een bepaald moment te verzetten tegen dwang en onderdrukking. Dus kwam Tonka terecht in een klein hok in een fokcomplex voor apen, waar hij geen natuurlijk gedrag kon uitoefenen of met soortgenoten kon zijn.

Hoewel mensen vol vertedering naar hem hadden gekeken op het grote doek, hoewel ze om hem hadden gelachen en hem hadden bewonderd, dachten ze nauwelijks nog aan hem. Tot 2022, toen de documentaireserie Chimp Crazy uitkwam. Documentairemaker Eric Goode legde Tonka’s schrijnende situatie vast, met veel verontwaardiging onder kijkers tot gevolg. Die schattige Tonka leidde nu een schraal, opgesloten leven?

De Amerikaanse dierenrechtenorganisatie Peta was toen al jaren bezig met een rechtszaak tegen Tonka’s verzorgers – of onderdrukkers, zo je wil. In Chimp Crazy zien we hoe het Peta eindelijk lukt Tonka naar een opvang te krijgen waar hij in een zo natuurlijk mogelijke omgeving een chimpanseewaardig leven kan leiden. Vier jaar later is hij veel minder mensgericht geworden en heeft hij innige vriendschappen met zijn soortgenoten opgebouwd.

Tonka’s verhaal mag nooit vergeten worden. Hij is een slachtoffer van onze zogenaamde superioriteit, van onze verwoestende drang naar dominantie. Hij herinnert ons eraan hoe ver wij bereid zijn te gaan om andere dieren in te zetten voor ons vermaak en hoe weinig we daarbij om hun welzijn geven.

Vandaar, als eerbetoon aan dit bijzondere dier: de Tonka-test, met drie voorwaarden waaraan films zich kunnen meten.

1. De dieren spreken geen menselijke taal

Buiten de menselijke taal bestaan er zo veel andere talen op de wereld. Honden leggen grammatica in hoe ze geur afscheiden, hagedissen communiceren met arm- en hoofdbewegingen in hun eigen dialecten en prairiehonden geven via een alarmroep door welk dier een naderend gevaar vormt, hoe groot dat dier is en welke kleur het heeft.

In films spreken dieren echter vaak maar één taal: de menselijke. Zodra dat gebeurt, functioneren ze als plaatsvervangers voor mensen: wat zij zeggen, voelen of meemaken is een weergave van wat mensen meemaken. Daarmee vagen we hun eigenheid weg en bieden we geen ruimte aan hun belevingswereld.

In animatiefilms gebeurt dit voortdurend: de dieren zijn slechts doddige figuren die net zo goed mensen hadden kunnen zijn. The Lion King (1994, 2019) en Happy Feet (2006)? Vallen af. Alsook Babe en The Sheep Detectives.

2. De dieren zijn niet te vervangen door bewegende knuffels of monsters

Dieren zijn in films vaak óf schattig óf eng. Chimpansee Tonka had in bijna alle films waarin hij speelde net zo goed een bewegende knuffel kunnen zijn. Chihuahua Bruiser Woods uit Legally Blonde evengoed. Het gevolg: mensen zien deze dieren vaker als alleen maar lief en dociel, terwijl de dieren genoeg andere karaktertrekken en handelingsvermogen hebben.

Tegenover het schattige staat het monsterlijke: films als Jaws, The Birds en Anaconda (1997, 2025) demoniseren dieren als haaien, vogels en slangen doordat ze alleen hun gevaarlijke kant tonen.

Natuurlijk kunnen sommige dieren gevaarlijk zijn, maar ze alleen zien als een bedreiging in plaats van medebewoners op deze aarde zorgt ervoor dat we makkelijker hun leefomgeving innemen en hen doden. Sinds Jaws zijn haaienpopulaties bijvoorbeeld met zo’n 70 procent afgenomen. Dat is niet alleen te wijten aan de film, maar negatieve beeldvorming heeft zeker bijgedragen aan de massamoord.

3. Er gaan geen gezelschapsdieren dood

De loyale, stervende hond in The Odyssey is geen uitzondering. Talloze gezelschapsdieren (dieren die voornamelijk worden gehouden voor gezelschap en soms een functie hebben voor mensen) halen het einde van een film niet. Denk aan honden in I Am Legend (2007) of John Wick (2014), aan paarden in The Neverending Story (1984) of The Lord of the Rings (2002), of aan uil Hedwig in de Harry Potter-reeks.

Het hoofdpersonage heeft zo’n sterke band met een dier waarmee hij of zij leeft, dat de dood van dat dier intense emoties oproept en soms het plot voortstuwt. John Wick was gepensioneerd, maar na de moord op zijn hond pakt hij zijn carrière als huurmoordenaar weer op. De dood van de onschuldige uil Hedwig toont aan Harry Potter dat de oorlog alle aspecten van zijn leven raakt en dat er geen weg meer terug is.

Zulke in de film ten dode opgeschreven dieren zijn weinig meer dan eendimensionale figuren die vooral trouw, liefdevol en dienstbaar zijn jegens mensen. Handige plotelementen dus, om een mensgecentreerd verhaal te vertellen. Een regisseur die dieren zo inzet, neemt ze niet serieus als zelfstandige wezens.

Dierenperspectieven

Blijven er überhaupt films over die wel slagen voor de test? Ja, een paar.

Okja bijvoorbeeld, van de Zuid-Koreaanse filmmaker Bong Joon Ho uit 2017, over een genetisch gemodificeerd supervarken en een jong meisje dat het probeert te redden van uitbuiting en de dood. Varken Okja knort slechts wat, is geen monster of alleen maar schattig en gaat (spoiler) niet dood.

Free Willy (1993) slaagt ook. Deze iconische film van Simon Wincer over de bevrijding van een orka uit een dolfinarium beroerde vele harten en maakte mensen bewust van de slechte leefomstandigheden van orka’s in gevangenschap.

Een andere film die met vlag en wimpel de Tonka-test haalt: Eo (2022) van de Poolse filmmaker Jerzy Skolimowski, over een ezel die eerst als circusdier werkt en vervolgens door Europa zwerft, waar hij soms geliefd en soms geëxploiteerd wordt. In de film staat Eo’s perspectief centraal – mensen zijn slechts figuranten.

Wat deze drie films zo mooi doen, is reflecteren op onderwerpen als kapitalisme en de uitbuiting van dieren. Het fictieve supervarken, de orka en de ezel zijn de chroniqueurs van het lot van hun soortgenoten in de echte wereld.

De animatiefilm Flow (2024, Gints Zilbalodis) staat veel meer los van de menselijke wereld. Een kat en een aantal dierlijke metgezellen stranden tijdens een vloedgolf op een boot. Geen van hen spreekt in menselijke taal, maar we verplaatsen ons gemakkelijk in hen en in hoe zij zo’n ramp doorstaan.

Kritisch kijken

Al dit soort films nodigen je uit voorbij je menselijke perspectief te kijken. Al valt er heus wel wat op de Tonka-test-geslaagden aan te merken. Eo kent wat onwaarschijnlijke gebeurtenissen en Free Willy is wel erg zoetsappig en zet overdreven in op emotie. Bovendien is het verhaal van Keiko, de orka die Willy speelde, zeer tragisch. Na de opnamen leefde hij nog jarenlang in gevangenschap, tot hij met veel moeite een soort van wild bestaan kon leiden (zie kader).

Misschien is geen van deze films dus perfect, maar ze bewijzen dat er nog zo veel mogelijk is en dat er zulke originele verhalen over en met dieren bestaan die ook het vertellen waard zijn. Verhalen die je even van positie doen veranderen, die je uitnodigen buiten je mens-zijn te treden. Ik hoop dat ik dat aan het begin van dit essay ook deed met mijn gedachte-experiment over een hond die films kijkt, dat ik even morrelde aan vastgeroeste denkbeelden over de onderdanige plek van dieren in de samenleving.

Laat dat nog veel vaker ons streven zijn. Wat daarvoor nodig is? Regisseurs die hun best doen antropocentrische zienswijzen te bevragen en publiek dat kritisch kijkt en meer gelijkwaardigheid tussen mens en dier toejuicht. Zodat we nooit meer zo’n dier als Tonka op de wereld zetten, uitbuiten en vervolgens vergeten.

Dus, stel je voor: je bent een mens en je houdt van dieren. Je wilt ze niet onderdrukken – ook niet in je verbeelding.

Orka Keiko was slechts twee jaar oud toen hij in 1979 vlakbij IJsland gevangengenomen werd om in pretparken gedwongen trucjes uit te voeren. In 1993 speelde hij de rol van Willy in Free Willy, een spraakmakende film over de bevrijding van een orka uit een dolfinarium.

Hierna zetten mensen zich massaal in voor Keiko’s vrijlating, maar omdat hij inmiddels gewend was aan een leven in gevangenschap, kostte het veel moeite en geld om hem opnieuw in de oceaan te introduceren. Die verwoede pogingen zijn op fenomenale, hartverscheurende wijze naverteld in de zesdelige podcast The Good Whale die in 2024 verscheen. En ja, het lukte uiteindelijk, maar of Keiko echt gelukkig was in de krap anderhalf jaar dat hij nog leefde in het wild, valt niet te zeggen.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next