Israël Nee, het valt inderdaad niet uit te sluiten dat zich onder de Israëlische debatteerders in Utrecht betrokkenen bij oorlogsmisdrijven bevonden, schrijft Jessica V. Roitman – maar zo kunnen er in élke grote groep internationale reizigers ongewenste personen zitten. Ze ziet geen reden voor extra controle van Israëlische dienstplichtigen.
Pro-Palestijnse demonstranten in Utrecht tijdens het European Universities Debating Championship.
De finale van het Europees kampioenschap debatteren voor universiteiten werd vorige week op een geheime locatie gehouden, geregeld in de laatste uren voor aanvang. Demonstranten hadden de 93 deelnemende studenten van Israëlische universiteiten als terroristen weggezet, TivoliVredenburg annuleerde de finaleavond en de studentvrijwilligers die het toernooi organiseerden, meldden ernstige bedreigingen.
Oud-diplomaat Angélique Eijpe betoogde in deze krant (Laat Israëlische (ex-)soldaten niet zonder toetsing Nederland inreizen, 4/8) dat zulke onrust voorkomen had kunnen worden. De maatschappelijke spanning ontstaat volgens haar doordat de Nederlandse overheid het internationale strafrecht niet toepast op mogelijke oorlogsmisdaden in Gaza. Daardoor belanden vragen over strafbare betrokkenheid bij universiteiten en organisaties die daarvoor, in haar woorden, ”noch de informatie, noch de bevoegdheden” hebben. Nederland zou onderzoek moeten doen naar mogelijke daders en beleid moeten ontwikkelen over de toegang tot Nederland wanneer er concrete aanwijzingen bestaan. Individuele beoordeling blijft daarbij, benadrukt Eijpe, altijd het uitgangspunt.
Jessica Roitman is hoogleraar Joodse Studies aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Tot op dat punt ben ik het grotendeels met haar eens. Waar bewijs ligt tegen een persoon, moet het Openbaar Ministerie handelen, ongeacht diens nationaliteit. Nederland kent universele rechtsmacht (de bevoegdheid van nationale rechters om internationale misdrijven te berechten) en gebruikt die. Nederlandse rechters veroordeelden Syrische en Afghaanse oorlogsmisdadigers, telkens op individueel bewijs. Niets in de wet verhindert het OM hetzelfde te doen bij een Israëlische verdachte. Dat justitie de aangifte tegen één van de deelnemers niet onmiddellijk opvolgt, is op zichzelf geen vacuüm. Het OM beslist op grond van bewijs, en niet op grond van publieke druk of van het paspoort van de verdachte.
Mijn meningsverschil met Eijpe begint waar haar betoog verder reikt. Zij schrijft dat niet kon „worden uitgesloten” dat zich onder een groep van deze omvang en leeftijdssamenstelling betrokkenen bij oorlogsmisdrijven bevonden. Nee, dat klopt. Maar dat geldt dan toch ook voor de gehele deelnemerslijst? Onder 551 studenten uit 33 landen valt van alles niet uit te sluiten, zoals onder de deelnemers aan elk congres, onder elke voetbalselectie en bij elke handelsdelegatie.
Eijpe verwijt Nederland ook dat wie in het Israëlische leger heeft gediend, „zonder enige vorm van toetsing” kan in- en uitreizen. Maar toetsing van die categorie zou door de dienstplicht de meerderheid van de Israëliërs treffen. Individuele beoordeling mag dan het uitgangspunt zijn, deze stappen spelen zich allemaal af op het niveau van de groep. De toets die Eijpe vraagt, selecteert in de praktijk op nationaliteit, wat mijns inziens neerkomt op discriminatie.
Eijpe vindt daarnaast dat het beleid dat de Nederlandse overheid voert ten aanzien van Israëliërs in de dienstplichtige leeftijd, een soort lakmoesproef is voor de universele toepassing van het internationale recht. Als zij gescreend worden, dan bevordert dit deze universaliteit.
Dit soort toetsing bestaat natuurlijk al, en zij werkt overal volgens hetzelfde beginsel, namelijk op individuele aanwijzingen. Bij een visumaanvraag, bij een asielprocedure waarin artikel 1F van het VN-vluchtelingenverdrag wordt tegengeworpen en bij een strafrechtelijk onderzoek is de vraag steeds wat er over déze persoon bekend is. Dat is precies het uitgangspunt dat Eijpe zegt te delen.
Haar voorstel doet iets anders. Daar volstaan twee gegevens om iemand te laten toetsen, zijn nationaliteit en zijn geboortejaar. Wie Israëliër is en oud genoeg om gediend te kunnen hebben, valt eronder, ook als er verder niets over hem bekend is. Tegen zo’n criterium valt niets in te brengen, want er is niets te weerleggen. Zo’n regime bestaat voor geen enkel land, ook niet voor staten waarvan de krijgsmacht voor het Internationaal Strafhof staat. Daarmee maakt haar voorstel geen einde aan een uitzondering voor Israël. Het voert er juist een in.
Dan Eijpes kernvraag. Had overheidsoptreden de Utrechtse onrust voorkomen? De onrust kwam niet voort uit het uitblijven van vervolging. Die kwam van demonstranten die uitsluiting van de studenten eisten en van bedreigingen aan het adres van de organisatie. De instellingen trokken zich terug onder druk, met een beroep op „gerede twijfel” die er aan het begin van de week nog niet was.
Een overheid die op zulke druk antwoordt met toetsing van de bedreigde groep, maakt grondrechten afhankelijk van intimidatie en beloont het gedrag dat de onrust veroorzaakte. Wie dat voorzichtigheid noemt, verwart haar met capitulatie. Wie rust wil op de campus, laat het OM zijn werk doen op basis van bewijs en beschermt rechtmatige bijeenkomsten.
Eijpe wijst ten slotte op de zeven uit Gaza geëvacueerde studenten die maandenlang tegen de Nederlandse staat moesten procederen om hier te kunnen studeren. Dat contrast is schrijnend, maar het bewijst óók iets anders. Dat deze studenten hier nu zijn, is de rechtsstaat in werking. Zij stonden als individuen tegenover de staat en kregen toegang tot de rechter. Wie het onrecht in hun behandeling wil herstellen, moet dat doen via aanpassingen in het vreemdelingenbeleid, en niet via de invoering van algehele controles op inreizende Israëliërs.
Als historicus weet ik hoe collectieve verdenking begint. Zij begint zelden met haat en vrijwel altijd met een redenering die klinkt als voorzichtigheid, want er valt nooit iets uit te sluiten. Over het doel zijn Eijpe en ik het vermoedelijk eens: aansprakelijkheid voor daders en rust in de samenleving. De weg daarheen loopt via bewijs tegen personen. Herkomst is geen bewijs.