Ierse literatuur Doireann Ní Ghríofa dook voor Aldus de doden in de archieven om tientallen stemmen tot leven te wekken: die van de artsen en vrouwelijke patiënten van een voormalige psychiatrische inrichting. Wonderschoon hoe de schrijver de tijd in zichzelf om laat keren.
West-Cork in Ierland.
Net als voor haar gelauwerde prozadebuut Een geest in de keel, waarin het leven van de achttiende-eeuwse Ierse dichter Eibhlín Dubh Ní Chonaill en dat van de auteur zelf prachtig in elkaar overliepen, begroef Doireann Ní Ghríofa (Galway, 1981) zich voor haar roman Aldus de doden in de archieven. Ditmaal niet om de leefwereld van één vrouw (plus die van zichzelf) bloot te leggen, maar om tientallen stemmen te laten zingen: die van de artsen en vrouwelijke patiënten van een voormalige psychiatrische inrichting in Cork.
Doireann Ní Ghríofa: Aldus de doden. (Said the Dead) Vert. Caroline Meijer.
Cossee, 365 blz. € 27,99
Twee van die stemmen zingen het luidst: die van ‘de Lezer’, een alter ego van Ní Ghríofa, en die van arts en behandelaar Lucia Strangman-Fitzgerald. De Lezer is een vrouw die van kinds af aan stemmen hoort, en daar niet bijzonder door gestoord wordt. Ze blijft eigenlijk de hele roman een mysterie, ze is vluchtig als een droom, een geest, en zo lijkt ze het ook graag te hebben.
Door zichzelf – nadat ze per toeval achter de geschiedenis van het gebouw komt – volledig te verliezen in de Victoriaanse en Edwardiaanse stemmen hoeft ze niet over zichzelf na te denken. Moeder van vier, met een verleden van „inzinkingen”, kampend met rouw. Ze vergelijkt haar inzinkingen met het geweld van een rivier: „Door die zware wateren heen zag ze haar kinderen in hun schriften schrijven of naar tekenfilmpjes kijken en deed ze haar best te glimlachen en onbevreesd over te komen (…).” Het waterpeil blijft echter stijgen. „Als zij de rivier was en de rivier haar, dan was opgaan in een nog dieper water de enige manier om eraan te ontsnappen.”
Waar eerder het water onder de brug de oplossing leek, is het nu een archief vol vrouwen die De Lezer zelf had kunnen zijn, was ze honderd jaar eerder geboren. Ze leest over hun lotgevallen, volgt enkele dames zelfs tot buiten de inrichting. Ze breekt in, letterlijk, om het gebouw te bekijken waar ze verbleven – binnenkort worden hun kamers appartementen. Ze breekt in, figuurlijk, door de vrouwen via patiëntenboeken door de gangen te achtervolgen.
Haar interesse is obsessief, manisch; ze ziet overal tekenen speciaal voor haar. Snavels van vogels die haar de weg wijzen. Overal de letter L. Van Lezer, ja, maar vooral van Lucia. Een van de eerste vrouwelijke artsen. Haar aantekeningen sleuren de Lezer mee het verleden in. Maar dat is niet het enige: Lucia wordt ook het heden in gesleurd. Zij maakt haar aantekeningen nu ook over de Lezer. Probeert haar, net als destijds de patiënten, weer voor rede vatbaar te maken.
Wie verwacht meer over de Lezer te weten te komen, komt er bekaaid vanaf. Dit is geen onthullingsroman, geen grootse heldenreis, geen confessioneel schrijven; het is een blik op hoe deze Lezer steeds een andere vrouw even vanuit het water van de geschiedenis naar de oppervlakte doet drijven. Ze ‘luistert’ naar de vrouwen: „Sommigen huilden terwijl ze luisterde […] sommigen staarden haar aan vanuit isoleercellen…” Ze zijn met velen. De redenen van hun waanzin, zoals genoteerd door artsen en verpleegkundigen, zijn onder meer: „teleurgestelde affectie”, „zonnesteek”, „verdriet over haar slechte leven”, „menstruatiestoornis”, „godsdienstwaan”, „bevalling”, „masturbatie”…
Hun namen? Dat is een geval apart: van de archiefmedewerkers mag de Lezer de echte namen van de vrouwen niet gebruiken, maar zij voelt zich algauw alsof ze de vrouwen, door hun namen te veranderen, van iets berooft. Dus ze gebruikt hun voornamen. Bridget, Julia, Mary, Margaret, Eliza, en vele anderen krijgen gezichten, soms letterlijk, doordat de Lezer hun portretten toont.
Maar verstoort de Lezer ook niet hun rust, door over ze te schrijven? En wat gebeurt er met ons begrip van het verleden als we er vanuit ons heden in gaan rondwaren? Daar staat ze, de Lezer, verstopt achter een gordijn in een behandelkamer. Ze rommelt in lades van de woning van Lucia en wordt betrapt door het kindermeisje, dat terstond haar verstand verliest. De Lezer keert het spoken om.
Wonderschoon, hoe Ní Ghríofa zo de tijd zich in zichzelf om laat keren. Hoe ze op deze manier ook de lezer-zónder-hoofdletter het verleden insleurt: zo zintuigelijk, beeldend, bewegend brengt ze het tot leven! „Modderige laarzen stampten op een mat. Een kraai klauwde aan de torenspits. Stoom steeg op uit een bad. Een lange geeuw in een gang. Een gestreepte poes op de hooizolder likte aan miauwende kittens: vijf nieuwe hartjes die klopten en klopten. Vieze vingers verschenen op een schort […].”
Daar staan we, midden in de geschiedenis. We zien de vrouwen in hun wanen, we zien hoe tuberculose woedt, we zien de strijd voor vrouwenkiesrecht, we zien de Ierse onafhankelijkheidsstrijd zich ontvouwen, hoe oorlog zich in de haarvaten van ieder leven nestelt. We volgen Lucia, die samen met haar echtgenoot een nieuwe kliniek aan huis opzet: preventieve zorg, om opnames te verminderen. Het beeld van een gevangenisachtig gekkenhuis wordt door Ní Ghríofa omvergeworpen, want niet alleen worden veel dames uit de inrichting na een tijd ontslagen, ook lijken de artsen oprecht met ze begaan te zijn. Aan de andere kant, vraagt de Lezer zich af: hoe kunnen we dat allemaal zo zeker weten? Want de stemmen van de vrouwen zijn in hun dossiers uiteindelijk door diezelfde artsen opgetekend.
De roman is dik, misschien iets te – na de zoveelste vrouw die komt bovendrijven weet je het wel. Maar toch is het ook een verslavend relaas. Nieuwsgierigmakend; wat zal de Lezer nu weer ontdekken? Slaat de ‘behandeling’ van Lucia aan? Het beste is om je er maar gewoon aan over te geven, mee te drijven. In een interview met Another Mag zei Ní Ghríofa: „Gedurende mijn jaren in het archief, voelde het alsof ik zelf een archief in mijn lichaam bouwde. Ik was me er bewust van dat ik alles maar tijdelijk vast kon houden – en dan zou ik doodgaan, en al die herinneringen met mij. Daarom was het belangrijk over ze te schrijven.”
Met Aldus de doden geeft de auteur het archief door, aan ons, de Lezers. Maakt ons tot geesten tussen de geesten. De tijd vloeibaar, de stemmen helder.