Home

Amerikaanse denkers en doeners tegen de ‘leugen’ van de menselijke gelijkheid

Gelijkheid Historica Kim Phillips-Fein volgt in haar nieuwe boek een aantal doeners en denkers, die zich verzetten tegen het idee van een samenleving waarin rangen, standen of een ‘natuurlijke hiërarchie’ ontbreken.

Voor zijn 75ste verjaardag krijgt Henry Ford het Grootkruis van de Duitse adelaar uitgereikt door twee Duitse diplomaten.

Sociale orde en een ‘natuurlijke’ hiërarchie: het verlangen ernaar is tastbaar in rechts-populistische bewegingen van de VS tot in Europa, Rusland en Azië landen. Gelijkheid, en het streven ernaar, gelden daarbij als decadente illusies die een samenleving beroven van dynamiek en ‘bezieling’.

Kim Phillips-Fein: Country of Lords. Neo-Aristocrats, Social Darwinists, Tech Utopians, and the Long Fight Against Equality in America.W.W. Norton, 246 blz. € 32,40

Dat verlangen is niet van gisteren. Het heerste – nadrukkelijk – al in de negentiende en vroeg-twintigste eeuw, toen de liberale democratie na de verwoestingen van de Eerste Wereldoorlog op sterven na dood leek. Ook in een land dat vrijwel ongeschonden uit dat bloedbad tevoorschijn was gekomen, de nog jonge Verenigde Staten.

In Country of Lords volgt historica Kim Phillips-Fein, hoogleraar aan Columbia University in New York, het spoor van een aantal doeners en – vooral – denkers die zich verzetten tegen het idee van een egalitaire samenleving, een zonder rangen, standen of ‘natuurlijke ‘ hiërarchie.

Dat gelijkheid de basis kon zijn van een democratische samenleving vond zijn uitdrukking in de formulering dat ‘alle mensen gelijk zijn geschapen’, een ‘evidente waarheid’ die werd vastgelegd in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring (1776). Dat beginsel, destijds revolutionair, was direct omstreden. Verzet kwam van slavenhouders die het idee dat ze een en dezelfde humaniteit deelden met hun zwarte slaven ronduit bespottelijk vonden en evident onwaar.

Ook een van de Founding Fathers, de latere president John Adams (1735-1826), was overtuigd van de natuurlijke ongelijkheid van mensen, niet alleen in persoonlijke aanleg maar ook in sociale en politieke status. Hij vreesde dat het najagen van gelijkheid zou leiden tot onrust, chaos en geweld. Het dispuut bereikte een kookpunt in 1858 aan de vooravond van de Amerikaanse Burgeroorlog, in debatten tussen de abolitionist Abraham Lincoln, aanstormend politicus, en senator Stephen Douglas, die slavernij verdedigde als onderdeel van de natuurlijke orde.

Daarna volgt in het boek een lange, chronologische rij anti-egalitaristen: sociaal darwinisten, biologische racisten, vrijemarktdenkers en utopische tech-miljardairs. De Industriële revolutie en economische boom van de late negentiende eeuw gaven een sterke impuls aan het meritocratische idee dat mensen krijgen wat ze verdienen – en dat losers hun lot dus aan zichzelf te wijten hebben (laat ze maar creperen, vond William Sumner, hoogleraar aan Yale en besproken in het boek, „een dronkenlap in de goot is precies waar hij moet zijn”).

Gewetenswroeging

Maar de groeiende ongelijkheid in status en vermogen leidde ook tot zorgen en gewetenswroeging, juist bij mannen uit de praktijk. Hét voorbeeld is de staalmagnaat Andrew Carnegie (1835-1919), die ervan overtuigd bleef dat sociale ongelijkheid en competitie het beste in mensen naar boven haalden, maar tegelijk vond dat „het vereren van geld de ergste vorm van afgoderij is”. Hij keerde zich tegen erfelijke rijkdom en ontpopte zich tot een grootschalige filantroop, die als volksverheffing onder meer wereldwijd 2800 bibliotheken liet bouwen. Sumner en Carnegie zijn twee gezichten van hetzelfde anti-egalitarisme, het een wreed en hardvochtig, het andere schuldbewust menselijk.

Nog een stuk grimmiger – en onsmakelijker – is het hoofdstuk over de racisten. Een hoofdrol is daarin weggelegd voor journalist en publicist Lothrop Stoddard (1883-1950), auteur van de bestseller The Rising Tide of Color (1920), een aanklacht tegen de immigratie uit Oost- en Zuid-Europa (en China), die destijds in de VS tot politieke en sociale onrust leidde. Niet politiek maar ras was het kernbegrip voor de mensheid, vond Stoddard. Met alle bijbehorende, wezenlijke verschillen tussen superieur en inferieur. Stoddard was een pupil van de biologische racist Madison Grant (1865-1937), die in The Passing of the Great Race (1916) de neergang van het superieure ‘noordelijke ras’ beklaagde. Volgens de overlevering ontving hij een lovende brief van een Duitse politicus-in-spe, Adolf Hitler (er bestaat controverse over, Stoddards correspondentie werd verbrand en de brief is nooit teruggevonden – wat Phillips-Klein niet vermeldt).

Stoddard hield het tempo erin met The Revolt Against Civilization (1922), over de opstand van de aap-achtige Under-Man (een variant op de Untermensch) tegen de westerse beschaving. Ook dat boek werd een bestseller, ook vertaald in het Nederlands (In opstand tegen de beschaving, 1924). Stoddard reageerde vooral op de Russische Revolutie van 1917 en de dreiging van barbaarse horden uit Azië – maar ook zwarte Afrikanen en Joden waren een gevaar dat „geëlimineerd” moest worden.

Zijn ster daalde nadat de VS strenge immigratiewetten hadden afgekondigd én toen economische voorspoed de roaring twenties brachten. Stoddard probeerde het nog wel, onder meer door in 1929 in publiek debat te gaan met de beroemde zwarte socioloog W.E.E. Du Bois over de vraag „of negroes dezelfde intellectuele potentie hebben als andere rassen” (het werd een afgang voor Stoddard). Tien jaar later vertrok hij naar nazi- Duitsland om verslag te doen (hij interviewde Hitler en andere nazi-kopstukken), maar de Amerikaanse publieke opinie had zich aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog tegen hem gekeerd. Stoddard stierf in 1950 vrijwel vergeten, lang voordat zijn ideeën een come back zouden maken in de 21ste eeuw.

Antisemitisme

Phillips-Feins overige biografische hoofdstukken, over de vader van de massaproductie (Henry Ford), economische technocraten (Frederick Taylor, bedenker van ‘wetenschappelijk management’), vrije-marktdenkers (Chicago-econoom Milton Friedman en Ayn Rand) en de huidige tech-ondernemers (Peter Thiel) zijn even lezenswaardig, al voegen ze weinig toe aan wat al vaker over deze invloedrijke figuren is geschreven. Niettemin, de foto van autofabrikant Ford die zich in 1938 het Grootkruis van de Duitse Adelaar laat opspelden, een blijk van waardering van het naziregime, blijft indringend. Ford maakte niet alleen auto’s voor iedereen, hij herdrukte in een krant die hij had gekocht ook de antisemitische Protocollen van de Wijzen van Zion, de Russische vervalsing over een Joodse wereldsamenzwering.

Grimmig is ook het slot van het boek, over de onstuitbare opkomst van techmiljardairs. Wat deze digitale Meesters van het Universum volgens Phillips-Fein onderscheidt van hun voorlopers is dat ze geen last meer hebben van het idee dat ongelijkheid ook een keerzijde heeft, en zeker niet van de gewetenswroeging van een Carnegie. Ongelijkheid is niet eens meer iets om mee te worstelen, je kunt er je schouders over ophalen. Voor sommige van de digitale aristocraten is de mensheid vooral gebrekkig ruw materiaal voor een utopische toekomst, gedreven door technologie. In de abstracte wereld van bits en bytes doet zelfs materie er niet meer toe, waarvan hun fantasieën getuigen (zoals bij de in tech en genetica geïnteresseerde sociopaat Jeffrey Epstein) over het uploaden van je brein of een vergeestelijkt soort digitale onsterfelijkheid – voor de uitverkoren elite, uiteraard.

Covid-pandemie

Country of Lords beperkt zich tot Amerika, maar het boek is in bredere zin een tijdige herinnering aan de kracht van anti-egalitaire ideeën in moderne democratische samenlevingen. Ook in Nederland zijn tal van tekenen te zien van een desillusie met of zelfs afkeer van het liberale gelijkheidsidee. De weerzin tegen discriminatiewetgeving wijst erop, de trotse onverschilligheid over „dor hout” in de covid-pandemie, en in de politiek de programma’s van PVV en Forum voor Democratie.

Een beperking is wel dat Philips-Fein haar portrettengalerij niet gebruikt voor een bredere analyse. Met haar biografische schetsen trekt ze een overtuigende rode draad. Maar hoe werken deze ideeën door in het huidige Amerika? Wat is het verband tussen het geloof in ongelijkheid (dat al deze kopstukken verbindt) en racisme of antisemitisme (dat niet voor allen opgaat)? Aan zulke vragen komt ze niet toe. Desondanks is haar tableau de la troupe op zichzelf al verhelderend. Ze besluit met de vrome wens dat ‘het andere Amerika’, dat nog wel gelooft in vrijheid en gelijkheid, zich zal doen gelden. Je helpt het haar hopen.

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next