Caroline Lamarche In haar nieuwe roman onderzoekt de Belgische schrijfster niet alleen het leven van een uitgestoten familielid uit de 19de eeuw, maar ook dat van haarzelf als echtgenote van een homoseksuele man.
In Le Marais, een wijk in Parijs, zijn veel gaybars te vinden. Foto uit 1997.
Het scheelde een haar of Caroline Lamarche had vorig jaar de Prix Goncourt gekregen voor haar roman Een schimmig bestaan (Le Bel Obscur). Met maar twee stemmen meer had ze als Franstalige Belgische schrijfster de belangrijkste Franse literaire prijs veroverd. Die ging uiteindelijk naar La maison vide van Laurent Mauvignier.
Caroline Lamarche: Een schimmig bestaan. (Le Bel Obscur) Vert. Katelijne De Vuyst. Vleugels, 234 blz. € 26,90
Romans over familiegeschiedenis, en dan met name over voorouders die uit de stamboom zijn verbannen, zijn er momenteel volop in de Franse literatuur. Deze twee behoren zonder twijfel tot de beste. In de roman van Lamarche (1955) gaat de vertelster op zoek naar een voorvader die in 1865 is gestorven en niet ouder werd dan 30 jaar. Van hem resten niet meer dan twee foto’s, twee brieven en een oorkonde. Hij zou zijn moeder verdriet hebben gedaan, hoort ze, en daarna zijn doodgezwegen, uitgewist, weggepoetst. Het is een klassieke damnatio memoriae, een vervloeking waarmee iemand uit het geheugen wordt verbannen. Wie was hij en waarom wilde niemand zich deze man herinneren? Dat wil de vertelster begrijpen.
Op de een of andere manier voelt ze zich verbonden met deze outsider in haar familie, eigenaren van fabrieken in de Luikse metaalnijverheid. Ze is gefascineerd door de jongeman die in het Saksische Freiberg studeerde, mijnbouwingenieur werd en op een dag dood werd aangetroffen in een hotel in Orleáns. Haar zoektocht begint met spitten in archieven, maar daarbij blijft het niet. Ze bezoekt een medium en een grafoloog, raadpleegt een astroloog. Niets laat ze ongedaan om meer over deze Edmond te weten te komen.
De zoektocht naar de verdonkeremaande voorouder is een van de twee verhaallijnen, in de tweede krijgen we inzicht in het leven van de vertelster zelf – een interessant spiegeleffect dat het boek spannend maakt. Zij trouwde met de liefde van haar leven („als je trouwt zul je eindelijk gelukkig zijn”, zei haar moeder), die na zeven jaar homoseksueel blijkt te zijn (moeder had ongelijk). In plaats van haar echtgenoot te verlaten, verkent ze, tolerant als ze is, nieuwe manieren van samenwonen met hem en zijn reeks minnaars. Ze vergezelt hen naar nachtelijke gay bars, verdiept zich in queer-gemeenschappen en hun manier van met elkaar omgaan. Haar man leeft verder alsof zijn bestaan een onbeschreven bladzijde is en hun verleden, inclusief twee dochters, er niet meer toe doet.
Lamarche vat de situatie in de metafoor van een ‘vliegend huis’, een turbulent leven dat voortdurend van vorm verandert. Ze bezoekt praatgroepen waar ze – tevergeefs – steun hoopt te vinden voor het ‘zonderlinge bestaan’ waarin ze verzeild is geraakt; ook als echtgenote van een homoseksuele man zit je in de kast, gevangen in schaamte en ongemak. In de literatuur vindt ze lotgenoten, zoals de vrouw van Oscar Wilde en Lord Byron. „Het is moordend voor een vrouw om met een homoseksueel samen te leven”, citeert ze Marguerite Duras, die de laatste jaren van haar leven samenwoonde met een veel jongere homoseksueel. Het leidt bij de vertelster inderdaad tot eenzaamheid, het gevoel in de rouw te zijn, veroordeeld tot ‘onzichtbaarheid’.
De vertelster, op zoek naar de zin van haar nieuwe leven, raadpleegt haar dagboek, Clairefontaine-schriftjes die ze haar hele leven bijhield. Ze vindt gemoedsstemmingen, momenten van vreugde en van ontmoediging. Die bedt Lamarche met meesterhand in in de verschillende fasen van de steeds wisselende samenstelling van haar ‘vliegende huis’.
Dromen, als tekenen van het onderbewuste, vormen een wezenlijk onderdeel van de queeste, net als in eerdere titels van Lamarche’s rijke oeuvre. In Het geheugen van de lucht, een roman over een verkrachting, bijvoorbeeld, daalt een vrouw iedere nacht in haar droom af in een ravijn. Zwemmen, water, alchemie zijn evenzoveel elementen die bij Lamarche een diepere betekenislaag geven aan het drama dat ze in mooie, beeldende literaire taal beschrijft.
De Nederlandse titel mag dan een beetje schimmig zijn, uit de roman komt ‘le bel obscur’ (‘de mooie onbekende’) zoals de Franse titel luidt, prachtig tevoorschijn. Uiteindelijk schreef Lamarche met deze recente roman het boeiende verhaal van een dubbele bevrijding, die van de doodgezwegen, lang geleden overleden Edmond en die van de vertelster zelf. Beiden haalt Lamarche uit de duisternis, beiden maakt ze op een ontroerende manier zichtbaar. Beter nog: ze laat hen zien zoals ze hoogstwaarschijnlijk waren, zoekend en tastend maar niet minder krachtig en moedig.