Gezinnen Grote gezinnen zijn er tegenwoordig in Europa en de VS steeds minder. Terwijl Catherine Ruth Pakaluk in haar onderzoek naar ouders met grote gezinnen vaak hetzelfde hoorde: opvoeden is makkelijker met vijf kinderen dan met één.
Voor kinderen zonder ouders hebben we een woord: wezen. Voor mensen die hun partner verliezen ook: weduwen en weduwnaars. Maar voor iemand die opgroeit zonder broers of zussen bestaat er geen apart woord. Tot voor kort hadden we dat ook nauwelijks nodig. Maar inmiddels zijn eenkindgezinnen in vrijwel alle EU-landen inmiddels talrijker dan gezinnen met twee of drie kinderen. Ook in de Verenigde Staten lijken die steeds meer de norm te worden.
Ik werd opgeleid tot econoom in een tijd waarin kleinere gezinnen vrijwel unaniem als een positieve ontwikkeling werden gezien. De redenering was eenvoudig: hoe minder kinderen, hoe meer ouders in elk afzonderlijk kind kunnen investeren. Kwaliteit boven kwantiteit. Die gedachte vond ook buiten de wetenschap brede weerklank. Veel ouders denken er nog altijd zo over: we willen onze kinderen alles kunnen geven.
Maar na jarenlang ouders uit grote gezinnen te hebben geïnterviewd, ben ik tot de conclusie gekomen dat die redenering tekortschiet. Een deel van wat een kind vormt, kunnen ouders niet meegeven, hoe betrokken of welgesteld ze ook zijn. En dat is het deel dat van broers en zussen komt.
Catherine Ruth Pakaluk is universitair hoofddocent Economie aan de Catholic University of America in Washington DC.
De vrouwen die ik sprak hadden uiteenlopende religieuze achtergronden – van christenen en joden tot mormonen – maar over één punt waren ze het vrijwel allemaal eens: kinderen een goed karakter bijbrengen is makkelijker met vijf kinderen dan met één.
De reden is heel praktisch. In veel grote gezinnen delen kinderen een slaapkamer, moeten ze onderlinge ruzietjes zelf uitpraten en zorgen oudere kinderen vanzelf ook voor hun jongere broers en zussen. Zoals een moeder van zes kinderen, die vroeger als procesadvocaat werkte, het verwoordde: „Ze krijgen voortdurend de kans om geduldig, zorgzaam en behulpzaam te zijn. Er zijn simpelweg eindeloos veel momenten waarop ze het na een ruzie weer bijleggen en daarvan leren.”
Aristoteles merkte al op dat een goed karakter ontstaat door gewoonte: „Wat we moeten leren doen, leren we door het te doen.” En niets vormt onze gewoonten meer dan de eerste gemeenschap waarvan we als kind deel uitmaken: ons gezin.
De vrouwen die ik sprak, vertelden verhalen die voor buitenstaanders misschien uitzonderlijk klinken. Zo vertelde een moeder van zes kinderen hoe enthousiast haar pastoor was toen hij haar oudste zoon zijn babyzusje over het schoolplein zag dragen. Voor hem was de hechte band tussen broer en zus iets bijzonders. Hun moeder haalde er haar schouders over op. „Hij tilt de baby voortdurend,” zei ze. „Hij verschoont haar luiers, legt haar in bed voor een dutje. Zo gaat dat nu eenmaal bij ons thuis.”
Gaandeweg begon ik in te zien dat grote gezinnen morele vorming voortbrengen zoals een motor warmte produceert: als vanzelfsprekend bijproduct. Ouders met een klein gezin moeten die karaktervormende ervaringen juist bewust creëren, met zomerkampen, sportverenigingen en zorgvuldig gekozen buitenschoolse activiteiten. In grote gezinnen komen ze vanzelf.
Door de interviews met moeders werd me duidelijk dat achter de mentale gezondheidscrisis onder jongeren meer schuilgaat dan alleen schermen en sociale media.
Een moeder van veertien kinderen uit het noordoosten van de VS vertelde me dat een van haar zoons waarschijnlijk de diagnose depressie of een angststoornis zou hebben gekregen als hij geen pasgeboren zusje had gehad om vast te houden en voor te zorgen. Telkens als hij de baby in zijn armen had, veranderde zijn houding volledig, vertelde ze. Alsof de pasgeborene hem weer tot leven bracht.
Ruim vierduizend kilometer verderop vertelde een andere moeder hoe de komst van haar zesde kind haar zoon, toen nog een prepuber, uit een diepe mentale crisis hielp. Met medicatie en therapie was niet bereikt wat de geboorte van zijn broertje teweegbracht. Ze beschreef hoe hij naar het ziekenhuis kwam om zijn pasgeboren broertje te ontmoeten, hem voorzichtig in zijn armen nam en voor het eerst in lange tijd weer rust voelde. De baby was iemand van wie hij onvoorwaardelijk kon houden en die hem zonder oordeel liefde teruggaf. „Dat had een helende uitwerking op hem,” zei ze.
Dit waren geen uitzonderlijke verhalen. En ik was er niet specifiek naar op zoek. Toch beschreef de ene moeder na de andere een vergelijkbare dynamiek: een ouder kind dat worstelde, maar zichtbaar opbloeide door de verantwoordelijkheid en de zorg voor een jonger broertje of zusje. Veel kinderen op de middelbare school maken dat tegenwoordig niet meer mee. Ze groeien niet op met een baby of peuter in huis die dol op hen is. Velen zullen zelfs niet eens weten hoe dat is.
Het meest indrukwekkende verhaal dat ik hoorde, kwam van een moeder van negen kinderen aan de Amerikaanse westkust. Haar zevende kind werd geboren met een chromosoomafwijking die zo zeldzaam was dat ze nergens een vergelijkbaar geval kon vinden. Maandenlang woonde ze zo’n beetje in het ziekenhuis, terwijl haar man werkte en haar oudere kinderen, zonder dat iemand het hun vroeg, kookten, de was deden en voor elkaar zorgden.
Toen de baby eindelijk naar huis mocht, gingen zijn broers en zussen mee naar iedere afspraak – van de cardioloog en de röntgenafdeling tot de fysiotherapie – en leerden ze hem via zijn sonde te voeden, als verpleegkundigen. De specialisten waren onder de indruk van zijn vooruitgang en vermoedden dat dat met de inzet van de broers en zussen te maken had.
Alles wat de therapeut als huiswerk meegaf, hing de moeder zichtbaar op voor het hele gezin. Moest de baby worden omgedraaid om zijn bovenlichaam sterker te maken, dan deed degene die langsliep dat. ’s Ochtends, ’s avonds, de hele dag door. Zonder dat iemand het hun bewust had geleerd, was het voor deze kinderen vanzelfsprekend om voor elkaar te zorgen.
We horen voortdurend dat Amerikanen meer dan ooit langs elkaar heen leven, gepolariseerd zijn en geïsoleerd raken. De een wijst naar schermen, de ander naar sociale media. Commentatoren van zowel linkse als rechtse signatuur leggen de oorzaak bij het politieke systeem en de ideeën waarop het is gebouwd. Volgens die redenering is onze samenleving niet langer in staat de eigenschappen te ontwikkelen die haar overeind houden. De deugd zou het slachtoffer zijn geworden van de vrijheid.
De moeders die ik sprak, zagen dat anders. Volgens hen is vrijheid niet het probleem. Het echte probleem is dat we de belangrijkste plek waar karakter wordt gevormd zijn kwijtgeraakt: het gezin, waar kinderen elkaar vormen.
Dat gezinnen kleiner worden, is niet alleen een bewuste keuze om meer tijd en middelen in ieder kind te kunnen investeren. Er spelen ook andere afwegingen mee, die vooral vrouwen raken: een loopbaan die tijdelijk wordt onderbroken, een lager inkomen over de rest van hun werkzame leven en promotiekansen die verloren gaan tijdens de jaren waarin zij voor kinderen zorgen.
En voor veel mensen speelt die afweging niet eens. Een geschikte partner vinden is lang niet vanzelfsprekend, steeds minder jongvolwassenen groeien op met de dagelijkse aanwezigheid van jonge kinderen – óók een gevolg van de steeds kleinere gezinnen van eerdere generaties – en door de onzekerheden van het leven voelt een langdurige verbintenis voor velen nog als een stap te ver.
Het is niet zo dat ik mensen wil aansporen om meer kinderen te krijgen. Maar als ik ouders één advies zou mogen geven, dan is het dit: denk nog eens goed na voordat je besluit dat je gezin compleet is. Wacht een jaar voordat je een definitieve beslissing neemt. Of twee. De eerste jaren met kleine kinderen zijn juist de minst geschikte periode om te bepalen hoe groot je uiteindelijk wil dat je gezin wordt. De voordelen van een groter gezin worden vaak pas later zichtbaar. Ik heb talloze ouders gesproken die achteraf vonden dat ze te vroeg waren gestopt met kinderen krijgen, simpelweg omdat ze niet konden voorzien hoeveel het hun uiteindelijk zou brengen.
Dit artikel stond eerder in The New York Times en werd geselecteerd en vertaald in samenwerking met 360 Magazine.