De ruim 900.000 middelbare scholieren die binnenkort weer in de schoolbanken plaatsnemen, krijgen veel minder techniekles dan leerlingen in bijvoorbeeld 2007 kregen. Het aantal lesuren in de onderbouw daalde sindsdien met 58 procent, terwijl Nederland snakt naar meer vakmensen die met hun handen werken.
Bij het vak techniek bouwen onderbouwleerlingen bijvoorbeeld een brug van ijsstokjes die minstens 10 kilo kan dragen, of maken ze een bootje dat vaart op een zonnecel.
De daling van het aantal techniekuren in het voortgezet onderwijs (praktijkonderwijs niet meegerekend) begon met de afschaffing van de zogeheten basisvorming. De lesurentabel, die voorschreef dat leerlingen in de onderbouw 150 klokuren techniek moesten krijgen, werd vanaf schooljaar 2006/2007 geschrapt.
"Sindsdien mogen scholen zelf bepalen hoeveel uur ze aanbieden en vakken combineren, zolang leerlingen de zeer breed geformuleerde kerndoelen maar halen", zegt Gerald van Dijk tegen NU.nl. Hij onderzoekt het bèta- en techniekonderwijs en leidt techniekleraren op aan de Hogeschool Utrecht.
"Daardoor ontstonden allerlei nieuwe vakken, zoals Mens & Natuur of Mens & Techniek, maar heel veel scholen lieten techniek links liggen. Voor bijvoorbeeld Nederlands moeten leerlingen namelijk eindexamen doen, maar voor techniek niet."
"De komst van die nieuwe vakken compenseert de krimp van het vak techniek bij lange na niet", stelt Ben Snoeijs, techniekleraar en ontwikkelaar van lesmateriaal.
In de grafiek hieronder zie je de ontwikkeling van het aantal lesuren techniek in de onderbouw afgezet tegen een selectie van 'techniekachtige' vakken:
Bovendien zijn die 'techniekachtige' vakken vaak theoretischer dan het traditionele techniekvak. Bij Onderzoeken & Ontwerpen maken leerlingen bijvoorbeeld een website en een socialemediastrategie voor de lokale schoenmaker. Daar komt geen boormachine of nijptang aan te pas.
Van Dijk: "In die nieuwe vakken ligt de nadruk op digitale technieken: robotica, games maken enzovoort. Dat kan ook leerzaam en tof zijn, maar het gaat ten koste van technische zelfredzaamheid en van ambachtelijke, creatieve technieken als houtbewerking."
"Leerlingen missen dan het 'lekker prutsen'", zegt Anneke Thurlings, hoofdredacteur van NVOX, een tijdschrift voor onder meer technisch onderwijs. "Gewoon even iets uitproberen, een prototype bouwen. Maar tegenwoordig draait het vooral om rekenen en taal."
De verschillen tussen scholen zijn enorm groot, zeggen Thurlings en Van Dijk. Thurlings: "Sommige scholen profileren zich er echt nog mee. Die hebben soms vijf of zes 3D-printers op een rij. Maar er zijn ook veel scholen die dat niet nodig vinden en bijvoorbeeld alleen in de schoolbibliotheek investeren."
Toen het vak techniek van 150 uur in 1993 werd ingevoerd, was dat niet alleen met het oog op de beroepskeuze. Van Dijk: "Het hoort ook bij algemene vorming, redeneerde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid destijds."
"De hele samenleving werd - toen al - zo beïnvloed door technologie, dat leerlingen moesten leren daar verantwoord en bewust mee om te gaan. Ze moesten begrijpen hoe de 'ontworpen' wereld tot stand komt, en dat kun je het beste leren door het zelf te doen." Ook als je later geen technisch beroep wilt.
Maar onbekend maakt onbemind. "Kinderen lopen hierdoor een heel mooi beroep mis", vindt Thurlings. Want wat kinderen niet kennen, kiezen ze later ook niet als bovenbouwprofiel.
Het aantal leerlingen met een techniekprofiel op de praktische vmbo-routes (bb, kb en gl) daalde sinds 2007 flink: van ongeveer 30 procent naar 20 procent. Dat aantal is inmiddels wel stabiel, vermoedelijk mede dankzij de jaarlijkse vmbo-subsidie Sterk Techniekonderwijs van 100 miljoen euro die sinds 2018 bestaat.
Het vmbo-tl (de vroegere mavo) laat zich lastiger met vroeger vergelijken, maar daar is de laatste jaren een daling zichtbaar:
Op de havo bleef het aandeel leerlingen dat voor een technisch profiel kiest sinds 2007 ongeveer gelijk (13 à 14 procent) en op het vwo steeg het juist (van een kwart naar een derde), maar beide schoolniveaus zijn niet praktisch, maar theoretisch van aard.
Bovendien maken de geïnterviewden zich zorgen over de toekomst van de techniekprofielen op de praktische vmbo-routes. Van de tien mogelijke profielen die leerlingen kunnen kiezen (variërend van Zorg en Welzijn tot Groen) zijn er vier technisch van aard. Maar scholen kunnen ze niet alle tien aanbieden.
"Ik zie best veel scholen stoppen met het aanbieden van de techniekprofielen", vertelt Arjen Daelmans, voorzitter van Stichting Platforms Vmbo. "Zo'n technische afdeling is erg duur om in stand te houden." En zonder techniekprofielen in de bovenbouw lijkt oriënterende techniekles in de onderbouw ook minder nodig.
"Maar deze kant moeten we als maatschappij niet op willen", vindt Daelmans. "We kunnen nu bij wijze van spreken al geen loodgieter meer vinden."
Snoeijs wijst erop dat de helft van de vmbo-scholen met praktijkgerichte leerwegen die nu nog technische profielen aanbieden, de komende drie jaar zou moeten sluiten omdat de leerlingenaantallen daar dalen. "Grosso modo is zo'n afdeling met minder dan twintig leerlingen niet meer rendabel, tenzij je subsidie krijgt."
Het ministerie van Onderwijs experimenteert daarom met het samenvoegen van twee van die technische profielen om zo voldoende leerlingen te houden. Het ministerie vindt de vergelijking van het aantal techniekuren tussen nu en 2007 "niet een-op-een te maken", omdat "digitalisering een steeds grotere rol heeft gekregen in technologie en techniek", laat een woordvoerder weten in een reactie op dit artikel.
Toch "baart het dalende aanbod van technische vakken zorgen, vooral op het vmbo". Naast de subsidie Sterk Techniekonderwijs is er sinds 2024 ook het subsidieprogramma Techniekkwadraat, dat basisschoolleerlingen enthousiast moet maken voor techniek.
Source: Nu.nl algemeen