Het aantal Nederlandse muziekstudenten op conservatoria is fors gedaald. Maar de kern van het probleem ligt dieper: de toegankelijkheid van muziekonderwijs, de ontwikkeling van jong talent en uiteindelijk de maatschappelijke positie van de kunsten.
Recent berichtte de NOS over de teruglopende instroom van Nederlandse studenten aan de conservatoria en de grote aanwezigheid van internationale studenten. Op dat bericht volgden online veel reacties en oproepen tot actie, vaak gebaseerd op aannames en simplificaties. Als musicus, internationaal onderwijsmanager én iemand die zelf ooit als buitenlander naar Nederland kwam, wil ik graag een paar observaties toevoegen.
Een conservatoriumopleiding begint namelijk niet op je zeventiende. Om überhaupt auditie te kunnen doen, moet je beschikken over een minimaal niveau op je instrument, een goed ontwikkeld gehoor en voldoende muziektheoretische kennis. Dat zijn vaardigheden die je doorgaans pas na vijf tot tien jaar intensieve lessen, samenspel en oefening ontwikkelt. Instrumentale lessen, jeugdorkesten, HaFaBra-verenigingen (harmonie, fanfare en brassband), bands en andere buitenschoolse muziekactiviteiten vormen daarom de voedingsbodem voor toekomstige conservatoriumstudenten.
Over de auteur
Jan-Gerd Krüger is saxofonist en onderwijsmanager van een muziekschool.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Juist daar is de afgelopen vijftien jaar veel veranderd. Door bezuinigingen verdwenen op veel plaatsen muziekscholen en andere basisvoorzieningen. Daarvoor in de plaats kwamen particuliere docenten en coöperaties van bevlogen muziekdocenten. Dat aanbod is er nog steeds en is kwalitatief vaak uitstekend. Ook enkele grotere instellingen zijn overeind gebleven, meestal dankzij gemeenten die het belang van muziekonderwijs bleven inzien.
De keerzijde is dat het veel moeilijker is geworden om een samenhangende leerlijn aan te bieden. Door de Wet DBA (Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties) kunnen instellingen zelfstandige docenten niet voorschrijven hoe zij hun lessen vormgeven. Een doorlopende route van beginnersniveau naar conservatoriumniveau is daardoor minder vanzelfsprekend geworden. Wie extra lessen of theorie wil volgen, kan dat vaak wel inkopen, maar niet iedere talentvolle leerling beschikt over de financiële middelen om dat te doen. Juist daar ontstaat een steeds grotere ongelijkheid.
Verder lijkt in het publieke debat de aandacht vooral uit te gaan naar de aanwezigheid van internationale studenten. Dit wordt vaak als probleem gepresenteerd, maar ik vind dat maar ten dele terecht. Conservatoria leiden immers op voor een internationaal beroep. Studenten bouwen tijdens hun studie een internationaal netwerk op, spelen met musici uit andere landen en ontwikkelen zich in een omgeving waarin verschillende muzikale tradities elkaar ontmoeten. Ik heb ontelbare studenten hun zomers zien doorbrengen op festivals, summer schools, concertreizen en workshops over de hele wereld. Dat internationale karakter is juist een van de grote kwaliteiten van het hoger muziekonderwijs.
Bovendien is de instroom aan conservatoria niet onbeperkt. Opleidingen beschikken over een vastgesteld aantal plaatsen. Wanneer zich bijvoorbeeld 35 gitaristen aanmelden voor vier beschikbare plekken, worden simpelweg de vier beste kandidaten geselecteerd. Dat zijn lang niet altijd Nederlanders. Selecteren op nationaliteit zou bovendien discriminatie betekenen en is terecht geen optie.
Voor sommige instrumenten speelt juist het tegenovergestelde probleem. Voor jazztrombone of trompet en klassiek fagot of hobo melden zich soms nauwelijks of geen geschikte kandidaten aan. Dan ontstaat een lastig dilemma: verlaag je de toelatingseisen of hef je uiteindelijk zo'n vakgroep op? Een Amerikaanse collega vatte de situatie die door het gebrek aan trompettisten dreigt te ontstaan ooit cynisch samen: ‘We need a warm body with an instrument.’
Daarnaast vraagt een conservatorium voortdurend om zorgvuldig populatiemanagement. Je kunt probleemloos tientallen gitaristen, drummers of pianisten toelaten, maar vervolgens moeten zij ook zinvol kunnen samenspelen in ensembles en orkesten. Een evenwichtige verdeling over instrumentgroepen is daarom essentieel voor de kwaliteit van het onderwijs en het studiesucces van de studenten.
Volgens mij ligt het grootste probleem echter ergens anders. De maatschappelijke positie van de musicus in Nederland is zwak. Wie op een verjaardag vertelt dat hij saxofonist is, krijgt vaak de vraag: ‘Oh, wat een sexy instrument, en wat doe je overdag?’ Of: ‘Leuk, de zoon van mijn buurman speelt ook saxofoon.’ Zulke opmerkingen lijken onschuldig, maar illustreren hoe weinig het vak serieus wordt genomen.
In veel omringende landen genieten musici en kunstenaars een hoger maatschappelijk aanzien. Als je een concert in Duitsland of Frankrijk geeft, is er een kleedkamer, een maaltijd, vaak een begeleider vanuit de organisatie en een goede vergoeding. In Nederland is het vaak de bezemkast, een broodje kaas en snel weer weg na het optreden.
Of het in Nederland te maken heeft met calvinisme, de bekende neiging niet boven het maaiveld uit te steken of een bredere terughoudendheid tegenover excellentie, weet ik niet. Feit is wel dat veel musici moeite hebben om een fatsoenlijk inkomen te verdienen. Daar komt bij dat culturele instellingen als werkgevers van deze musici voortdurend hun bestaansrecht moeten verdedigen en aan allerlei buitenmuzikale maatschappelijke eisen en codes moeten voldoen.
Zolang dat niet verandert, zullen steeds minder jonge Nederlanders kiezen voor een toekomst in de muziek. De discussie zou daarom minder moeten gaan over de nationaliteit van conservatoriumstudenten en veel meer over de vraag hoe we ervoor zorgen dat muzikaal talent zich in Nederland weer kan ontwikkelen én een duurzame carrière kan opbouwen.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant