Rosa van Gool was correspondent voor de Volkskrant in Italië. Daar viel het grote verschil op tussen hoe Italianen en Italiëfans naar het land kijken. Terug in Nederland geeft ze een kijkje in Italië’s tegenstrijdige ziel en zelfbeeld.
Rosa van Gool was correspondent voor de Volkskrant in Italië. Daar viel het grote verschil op tussen hoe Italianen en Italiëfans naar het land kijken. Terug in Nederland geeft ze een kijkje in Italië’s tegenstrijdige ziel en zelfbeeld.
Vijf jaar woonde en werkte ik in Italië als correspondent. Standplaats Rome: twee woorden die tot de verbeelding spreken, niet ten onrechte. ‘Jullie buitenlandse correspondenten in Italië hebben het maar zwaar’, zei toenmalig premier Mario Draghi eens grappend tegen mij en mijn collega’s. ‘Correspondent in Italië: cappuccino op het terras, spritz in de zon.’
Tegelijkertijd wist Draghi als geen ander op welke dunne rand tussen twee werelden wij balanceerden. Aan een kant is er de Italië-verliefdheid van ons publiek, die hij met zijn opmerking op de hak nam. Aan de andere kant het bijtende cynisme van de Italianen over hun land, dat hij als premier vergeefs probeerde om te buigen in optimisme.
Pas tegen de tijd dat ik mijn koffers pakte, begreep ik dat de ziel van het land precies op de breuklijn tussen die twee perspectieven ligt. Daarom vandaag, ter voorbereiding op uw vakantie, als nazorg of als rechtvaardiging om Italië dit jaar links te laten liggen: een reis van zuid naar noord langs drie stops die me de Italiaanse paradox beter deden begrijpen.
‘Heb je het al gehoord?’, vroeg de buitenlandchef vanuit Amsterdam opgewonden door de telefoon. De vraag is vermoedelijk de nachtmerrie van elke beginnende correspondent, en nog meer om hem met een stamelend ‘nee’ te moeten beantwoorden.
Dat deed ik toch maar, want het was waar. In mijn hoofd begonnen er in rap tempo rampscenario’s over elkaar heen te buitelen, van een overstroming in Emilia-Romagna tot een terroristische aanslag op de metro van Milaan.
‘Diego Maradona is dood’, klonk het aan de andere kant van de lijn. Ik slaakte een – hopelijk onhoorbare – zucht van opluchting. Verdrietig nieuws, maar ik hoefde niet al na drie weken in Italië op een tragische rampplek af te stormen.
Een paar uur later stond ik bij het stadion van Napoli. Langs het hek had zich direct een altaar gevormd voor de overleden Argentijnse stervoetballer. Essere Napoletano è meraviglioso – ‘het is geweldig om Napolitaan te zijn’ – stond er in het Napoli-blauw op een spandoek geborduurd.
Ik sprak vaders en zonen, moeders en dochters die me keer op keer hetzelfde verhaal vertelden: Maradona liet de zon schijnen in het straatarme Napels, een paar jaar eerder in 1980 door een zware aardbeving geplaagd. De Argentijn bracht licht in de voetbalgekke stad, die maar een matig team had. ‘Alsof Messi nu naar FC Groningen zou gaan’, legde een zachtaardige ingenieur me met waterige ogen uit.
Dit is een verhaal over verlossing, een voetbalmythologie volgens katholiek script. Voor Napolitaanse voetbalfans voelt de verbinding tussen voetbal en religie vanzelfsprekend en is de rol van de Argentijn duidelijk: hij is Jezus Christus.
De emoties zijn dus echt. Tegelijkertijd gaat verslaggeving over voetbal in Napels ook altijd over de aan waanzin grenzende betekenis die de Napolitanen aan het spelletje toedichten.
En ook daarvoor is geen betere hoofdpersoon denkbaar dan Diego Maradona. Want wie vertolkt het idee van spelen als zin van het leven beter dan hij? Neem zijn legendarische warming-up op de tonen van Live is life. De manier waarop hij met losse veters een Duits voetbalstadion en de wereld in vervoering bracht: het was eerder een dans dan een warming-up, maar boven alles een spel.
Maar waarom komen die lichte verhalen zo vaak uit Italië? Dat heeft alles te maken met het Italiaanse zelfbeeld. ‘Wij zijn een serieus land’, zei premier Giorgia Meloni in december 2023. En in november 2023. En in november 2022. Het zinnetje passeert in Italië vaak de revue. Uit de mond van de regering bevestigend, vanuit de oppositie ontkennend.
Ik heb nog nooit een Nederlandse politicus horen beweren dat Nederland ‘een serieus land’ is. Wél dat Nederland een ‘gaaf land’ is – een bewering die je in Italië weer niet snel zult horen.
Waarschijnlijk omdat Italië redelijk overtuigd is van haar eigen gaafheid, maar veel minder van de mate waarin het serieus te nemen is. Door haar eigen inwoners, maar zeker ook door de altijd over hun schouder meekijkende buitenlanders.
Voor Italianen is de klaagzang dat zij niet in een serieus land leven een vaste reflex, elke keer dat een publieke voorziening het weer eens laat afweten. Voor buitenstaanders is de immer haperende overheid een reden om Italië niet te vertrouwen, maar het is ook deel van de aantrekkingskracht.
Italië is, meer dan andere verre landen, een speeltuin die tot de verbeelding spreekt. Het is voor de Noord-Europeaan een vrijplaats, eerder een mentale plek dan een echte. Het is de plek waar altijd net iets meer toegestaan is dan thuis, waar het leven net iets speelser en net iets lichter is (ook letterlijk).
‘Bijna iedereen in de wereld wil deelnemen aan italianità, ‘Italiaansheid’’, stelt Luigi Zoja vast in zijn boek Narrare l’Italia. ‘Maar zonder onderdeel te zijn van Italië. Zonder Italiaanse diploma’s nodig te hebben, belasting te betalen in Italië en gebruik te maken van Italiaanse publieke voorzieningen.’ Het idee van wat Italië en Italiaans is, bestaat al veel langer dan het moderne Italië zelf. En nog steeds is het idee Italië, in de laars en erbuiten, sterker dan de reële staat.
‘Welkom in het antieke land van de vrijheid’, las ik 500 kilometer noordelijker op een spandoek boven de bochtige weg naar San Marino. De minirepubliek is, samen met het Vaticaan, het enige flintertje van het enorme schiereiland dat officieel geen deel uitmaakt van Italië.
Ironisch genoeg maken juist die krap 60 vierkante kilometer het in mijn ogen nog net iets Italiaanser dan de andere 99,9 procent van het land. Tijdens mijn reizen door Italië stuitte ik namelijk voortdurend op de overtuiging niet bij de rest van het land te horen.
Dezelfde ironie zit ook in het verhaal achter de uitzonderingspositie. San Marino dankt zijn onafhankelijkheid namelijk uitgerekend aan Giuseppe Garibaldi, de generaal die streed voor een verenigd Italië. Omdat de republiek hem in 1849 asiel verleende na een mislukte eerste poging tot eenwording, hield hij het land op hun verzoek en uit dank buiten de deur bij de latere stichting van Italië.
Onderweg naar het kasteel, op de top van de heuvel, zag ik overal de wapperende wit-lichtblauwe vlaggen van de antica terra della libertà, zoals San Marino zich graag noemt. Nog altijd is het stukje land onafhankelijk en zelfs geen lid van de EU. Daardoor is van alles toegestaan wat in Italië verboden is, en andersom.
Zo kent San Marino een mild fiscaal klimaat en een uiterst ondoorzichtige bankensector, een combinatie die de minirepubliek populair maakt bij witwassers en belastingontduikers. In mijn hotel in San Marino beklaagde de eigenares zich op fluistertoon dat abortus er, anders dan in Italië, anno 2022 nog altijd verboden was.
Italië bestaat niet, realiseerde ik me, uitkijkend vanaf het kasteel boven op de Monte Titano naar de Adriatische Zee in de verte. Hier nog iets minder en daarom juist net iets meer.
Miljardair Silvio Berlusconi bezat tientallen huizen, maar niet een was zo iconisch als de okergele villa waar ik op een dinsdagmorgen in de zomer van 2023 voor stond. Een dag eerder was il Cavaliere, zoals Berlusconi in Italië vaak wordt genoemd vanwege zijn ridderonderscheiding, aan leukemie overleden.
Voor de hekken van zijn beroemde villa in Arcore, een dorp iets ten noorden van Milaan, had zich een bescheiden menigte verzameld. Laat het inrichten van een geïmproviseerd altaar maar aan Italianen over. Binnen de kortste keren lag het gras vol sjaaltjes van AC Milan, de voetbalclub die Berlusconi als voorzitter groot maakte.
Ondertussen trokken zongebruinde mannen in strakke krijtstreeppakken voorbij, vrouwen op naaldhakken, gezichten die zonder onderscheid tussen de geslachten strak gespannen stonden van de botox. Hier en daar rolde een traan over de wangen, veel meer emotie viel er op de meeste gelaten niet meer te bespeuren.
Over Berlusconi’s wangedrag viel hier uiteraard geen woord. In andere kringen was dat anders, maar toch: in Italië kon je begin jaren negentig al prima premier worden met de schaamteloosheid die populisten in andere landen pas een paar jaar later durfden te vertonen. Waarom?
Na zijn dood wierp columnist Aldo Cazzullo in de Corriere della Sera een hypothese op die me prikkelde. Berlusconi kreeg het – ondanks het feit dat hij miljardair was – voor elkaar dat de gemiddelde Italiaan zich in hem herkende. ‘In zijn wantrouwen tegen links, de staat, de fiscus, de rechters, de partijen.’
Maar ook in zijn onrust, zijn energie, zijn ‘onverdraagzaamheid voor regels’. Daar komt bij, stelt Cazzullo, dat Berlusconi geen enkele morele pretentie had: ‘Andere leiders wilden de Italianen veranderen. Berlusconi vond ze goed zoals ze zijn.’
Natuurlijk zijn niet alle Italianen onbetrouwbaar, corrupt en vol minachting voor de regels. Maar toch: het cliché van onbetrouwbaarheid komt niet alleen van buiten. Het zit ook diep in het Italiaanse zelfbeeld.
‘De eersten die Italianen niet vertrouwen, zijn wij zelf’, hoorde ik in Italië vaak. Of zoals een Siciliaanse collega eens tegen me zei: ‘Onze ouders voeden ons op met het idee dat er altijd iemand is die ons wil naaien.’
Deels is het zelfbeklag, een tikje larmoyant en niet al te serieus. Maar het komt ook, zoals u inmiddels weet, omdat Italië niet bestaat. Italië is altijd ergens anders. Hier zijn we niet in Italië maar in Napels, San Marino of Arcore.
Dat maakt het onderlinge wantrouwen groot, maar de generaliserende vooroordelen van buitenaf ook lichter te verteren. Je hoeft je namelijk helemaal niet aangesproken te voelen: de Italianen, dat zijn de anderen.
Precies die ongrijpbaarheid maakt het makkelijk om in Italië te vinden wat we zoeken. Het is een plek die we niet hoeven te begrijpen om er verliefd op te worden. Het hoeft niet eens zo te zijn als we denken.
Het is een land dat zichzelf luidkeels beklaagt terwijl het een warming-up met losse veters doet, in de jaloersmakend ontspannen houding waar ik ook na vijf jaar Rome alleen nog maar van kan dromen.
Rosa van Gool (1993) was Italië-correspondent voor de Volkskrant van 2020 tot en met 2025. Dit voorjaar verscheen haar boek Via Italia. Italië voorbij pizza, maffiosi en dolce vita (224 pagina’s, uitgeverij Meulenhoff, 21,99 euro).
Dit is een verhaal uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant