Marijke Schermer krijgt de huissleutel van iemand die ze niet kent. Deze keer is ze in een klein dorp in Friesland, aan de Waddenzee: ‘Harriët is verdrietig, en ze is vitaal. Ze vraagt zich af of er nog een uitnodiging van het leven komt.’
Harriët heeft haar sleutel verstopt in het voortuintje dat door het pad naar haar voordeur in tweeën wordt gesneden, aan de voet van de meidoorn. Deze boom kun je zien door het raam van de kamer rechts als je binnenkomt, de kamer van haar man die, moe van de kwalen van de ouderdom, daar zijn steeds kleinere wereld vond en er een half jaar geleden stierf.
Aan de linkerkant van de gang is de woonkamer: brede plankenvloer, meerdere boekenkasten, ook veel stapels boeken, een kleine bank met kussens en dekentjes, twee grote tafels vol boeken en papier, pennen, potloden, penselen. Hier is iemand bezig, denk ik. Ik druk op de playknop van de cd-speler en met Anohni and the Johnsons uit de speakers vervolg ik mijn eerste ronde door het huis. Aan de achterkant rechts is de keuken, ook hier ligt van alles op tafel, waaronder een briefje en een Friese koek voor mij, de instructie voor het koffiezetapparaat (alles is gereed, ik hoef ’m alleen maar aan te zetten) en wegwijs naar meer, ice-tea, brood als ik wil, richtingaanwijzers naar de achterdeur, de schuur, een ruimte daarachter, waarschuwingen niet aan de luxaflex te komen, voorzichtig te zijn met het vliegengordijn en de wc boven niet te gebruiken.
Voor de keuken is de trap omhoog. Boven zijn er een slaapkamer en twee werkkamertjes, waarvan dat aan de voorzijde heel klein is en het andere groter en U-vormig. Naast de kledingkast op de overloop staat een ouderwetse archiefkast met hangende mappen. Ik lees brieven van Harriët aan haar moeder in de jaren zeventig. De toon is vertrouwelijk, levendig, erg geestig ook. Ik vind er schoolrapporten (middelbare meisjesschool), certificaten, contracten (als lerares) en een verwijzing naar de eerste ervaring van wat kunst kan zijn, kijkend naar een Vermeer. Maar ondanks de sporen van dit verdere verleden weet ik na een uur: dit huis ontleden is meer dan wat dan ook het ontleden van een liefdesgeschiedenis. Want hoewel Harriët hier overal aanwezig is, en in de weer, begonnen ze hier vijftien jaar geleden samen en zijn vandaag nog overal de sporen van Philip en van haar gedachten aan en over hem traceerbaar; zijn afwezigheid is voelbaar aanwezig.
Twintig jaar geleden ontmoetten ze elkaar in een theosofisch centrum in het midden van het land, zij was toen 54 en hij bijna 70. Ze hadden kinderen uit eerdere verbintenissen, hij twee zonen, zij een dochter – die laatste toen nog net niet volwassen. Hij woonde in een kerkdorp in Limburg en zij in het centrum van Amsterdam. Ze waren overdonderd door de ander. In de eerste nacht dat Harriët bij hem sliep huilde ze omdat ze daar ineens dacht te weten dat hij en zij toch eigenlijk niet bij elkaar pasten. Toen legde hij zijn handen aan weerszijden van haar gezicht tegen haar wangen en zo sliep ze in. Hoe goed kan iets passen?
Twee jaar later trouwden ze in Ierland. En hier in dit Friese dorp tegen de waddenkust aan vonden ze een plek voor hen tweeën. Een betaalbaar huis met een achtertuin, een atelier en een schuur, een grote gulle woonkamer, een keuken en genoeg kamers om te werken, te slapen, logees te herbergen en alle door twee gretige mensen verzamelde boeken te stallen. Het had een trage aanloop, het werd een innig verbond. Hij hield van haar onconventionaliteit, haar moed, haar psychologische inzichten, haar goede smaak en haar souplesse, haar zorgzaamheid met kritische ondertoon, haar daadkracht.
Harriët is geboren in Leeuwarden, ze heeft vier zussen die ver weg, in Amsterdam, wonen. Ze heeft als lerares gewerkt, maar later meer haar ware pad gevonden: ze werd dichter en is beeldend kunstenaar. Ze heeft een goede band met haar dochter, haar schoonzoon, haar kleindochters.
Aan de muren hangt werk van haar, in de kast staan haar gebundelde gedichten. In één boekje staan haar woorden met tekeningen van Philip erbij, getekend volgens een Japanse tekenmethode, intuïtief, in enkele inktstrepen. Hij werkte beroepsmatig als gezondheidsinspecteur, was altijd spiritueel angehaucht. Zij en hij allebei geïnteresseerd in het zenboeddhisme. Ik zie ook dat hij een dagboekschrijver was, rijen schriften volschreef in zijn 90 jaar lange leven, een leven waar in het leeuwendeel ervan Harriët nog ontbrak.
In de mail die ze me schreef om haar sleutel aan te bieden, vroeg ze zich af of met hem de ziel van dit huis ook verdwenen is. En of ze hier nog wel blijven moet. Ik denk dat ze daar nog geen antwoord op kan vinden omdat ze hem nog niet heeft losgelaten. In zeker drie kamers van dit huis zijn de dagboeken van Philip te vinden naast een stoel. Ik stel me voor dat Harriët daar zit en leest, dat ze nog volop bezig is haar man te leren kennen. Ze is nog niet toe aan beslissingen, weggaan of blijven, een bocht om. Maar ik geloof, in hoe ik haar hier leer kennen, dat dat wel mogelijk is: een nieuw verhaal, een grote beweging; ze heeft veel energie, ze heeft een wijde open blik en geen talent om te verdrinken.
Ze schreef zelf op verschillende momenten in haar leven ook dagboekachtige dingen. Maar meestal als ze in de greep is van gevoelens, ongelukkig was, en dus geven die fragmenten een wat vertekend beeld. De laatste tijd is ze ook bezig met een andere vorm. Op de tafel in de woonkamer liggen cartoonachtige potloodtekeningen, taferelen uit de laatste fase van het leven samen: overwegen van euthanasie, bezoek van familie en van medische professionals, wederzijds onbegrip. Een leven dat zich al vóór de definitieve scheiding, hoewel ze ook nog steeds veel samen doen, steeds meer in twee domeinen afspeelt: ze slapen apart, Harriët boven, hij beneden, een gesprek vraagt soms overbrugging van een kloof. Er zit beweging in de tekeningen, de teksten op de pagina ernaast staan scheef en in een veeg van kleur, wat het geheel veel schwung geeft.
Het huis heeft een mooie achtertuin, er is een schuur met daarin schuurdingen en daarachter, niet te zien vanuit het huis, is nog een ruimte met een eigen deur. Een atelier. Er staan en hangen schilderijen, er is een werktafel met schilderspullen, en er is een klein groen tafeltje waaraan Harriët over en ook aan Philip schrijft. Het is een fijne ruimte, alles hout, het licht komt van boven. In deze ruimte heeft Philip opgebaard gelegen.
Harriët is verdrietig, en ze is vitaal. Ze vraagt zich af of er nog een uitnodiging van het leven komt. Ik kan me echt niet voorstellen dat het leven haar voortaan zou overslaan, of dat ze haar deel al helemaal gehad heeft. Deze vrouw is nog niet klaar, en het leven vast ook niet met haar. Er komt een bocht, een vergezicht, een volgend hoofdstuk, dat kan niet anders.
De meidoorn is de boom van het hart, lees ik als ik de spirituele betekenis opzoek. Ik leg de sleutel van het huis terug aan de voet van de stam.
Op verzoek van de geportretteerde is Harriët een gefingeerde naam. Haar naam is bij de redactie bekend. Enkele details zijn aangepast vanwege de herleidbaarheid ervan.
Marijke Schermer liet haar roman In het oog achter. ‘Deze veellezer heeft haar portie rouwliteratuur allang tot zich genomen, zag ik aan alle planken en stapels. Toch stuur ik haar het net verschenen Toen ik je kwijtraakte van Joost Baars, glasheldere gedichten over veel meer dan rouw alleen. En Dageraad van Guido van Hengel, essays over beginnen.’
Reactie van Harriët: ‘Ik was verbaasd over alle info over Philip en mij die Marijke wist te verzamelen in een bezoek dat nauwelijks een spoor achterliet. Ze heeft ons allebei ontdekt en goed aangevoeld qua sfeer. Ze beschreef een monumentje voor onze relatie en tegelijkertijd een hoopvolle horizon. Het beeld van de meidoorn vind ik prachtig.’
Meer magazine
Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant