Home

Popmuziek was eind jaren tachtig ‘echt afschuwelijk’. Maar buiten de hitlijsten werd de gitaarrock opnieuw uitgevonden

De muziek die vanaf midden jaren tachtig de mainstream domineerde was ‘een eindeloze lijst met narigheid’, aldus popjournalist Simon Reynolds. Maar, zo blijkt uit het boek dat hij over deze periode schreef: in de non-commerciële underground bloeide er van alles.

schrijft voor de Volkskrant over popmuziek en jazz.

‘Echt afschuwelijk ja, die periode in de popgeschiedenis zo aan het einde van de jaren tachtig’, zegt de al jaren in Los Angeles wonende Britse journalist Simon Reynolds stellig via een Zoom-verbinding. ‘Zal ik de muzikanten die toen in de hitparades aanvoerden even noemen? Wet Wet Wet, Tiffany, Jason Donovan, Johnny Hates Jazz, T’Pau, de lijst met narigheid is eindeloos.’

Nu is slechte muziek in de top 40 van alle tijden, maar wat Reynolds (63) destijds vooral zorgen baarde was de teleurstellende underground. ‘Het ging begin jaren tachtig juist zo goed met de Britse popmuziek. Die was vernieuwend met elektronische bands als Soft Cell en The Human League, die grote hits hadden. The Specials en The Clash maakten ook nog eens politiek bevlogen muziek die ergens over ging. Maar dat was halverwege de jaren tachtig allemaal voorbij.’

Reynolds publiceerde er in 2005 het standaardwerk Rip It Up and Start Again – Postpunk 1978-1984 over. ‘Die synthpopbands, maar ook Joy Division, The Cure, Siouxsie and the Banshees of de Amerikaanse Talking Heads, hebben mijn leven als tiener enorm verrijkt. Met dat boek wilde ik iets terugdoen. Maar het heeft me altijd verbaasd hoe die geweldige jaren van vernieuwing en opwinding in de popmuziek ineens ten einde kwamen.’

Fletse pop domineerde, rockmuziek was zo dood als een pier. Gitaren raakten uit de mode. ‘Je had af en toe een single van U2 die de top 10 haalde, maar dat was het dan ook.’ En precies in die periode van artistieke droogte werd Simon Reynolds popjournalist bij het toen wekelijks verschijnende muziekblad Melody Maker. ‘Het was een droom die uitkwam. Ik was 21, mocht bij alle concerten waar ik heen wilde op de gastenlijst en schreef over de muziek die ik mooi of interessant vond.

‘Dat lijkt een paradox, want we zaten midden in het tijdperk van de slechte muziek. Maar het gekke is dat wij ons bij Melody Maker helemaal niet bezighielden met de mainstream. Wij begaven ons in de undergroundscenes en waren er rotsvast van overtuigd dat die nooit overground zouden komen. Laat de Wet Wet Wets maar de charts domineren, wij luisterden naar heel andere dingen.’

Toch vernieuwend

Hoewel Reynolds veertig jaar geleden best wel teleurgesteld was in wat we nu de alternatieve of indiepop noemen, kwam er toch genoeg nieuwe en vernieuwende muziek op zijn pad. ‘Ik had het destijds niet eens zo door, maar het wemelde van de kleine muziekscenes die allemaal op hun manier bezig waren gitaarrock opnieuw uit te vinden. In de Verenigde Staten had je de Pixies en Sonic Youth en bij ons bands als My Bloody Valentine, Cocteau Twins en Slowdive.

‘Wij schreven daar veel en enthousiast over en gebruikten graag hyperbolen als ‘best new band in Britain’, maar we wisten ook wel dat hun bereik klein was.’

Pas toen Reynolds zich een paar jaar geleden realiseerde dat de muziek van My Bloody Valentine en Cocteau Twins nu populairder is dan ooit en hun muziek onder de noemers ‘shoegaze’ of ‘dreampop’ een nieuw leven had gevonden, begon hem iets te dagen. Zat hier niet een nieuw boek in?

Thatcher en Reagan

‘Mijn boeken waren altijd studies naar de muziek die ik zelf heb meegemaakt – of het nu de postpunk was in Rip It Up and Start Again of de techno- en ravecultuur in Energy Flash (oorspronkelijk uit 1998, daarna twee keer aangevuld en herdrukt. red.). Waarom nu niet een boek over shoegaze en slackers, die hele generatie van muzikanten die bewust buiten de carrièremaatschappij zijn gaan staan?’

Want er had zich eind jaren tachtig in de hoogtijdagen van Margaret Thatcher en Ronald Reagan alles bij elkaar toch een behoorlijke tegencultuur ontwikkeld. ‘Iedere muzikant die ik toen sprak, zat in wat we nu zijn eigen bubbel zouden noemen. Ze waren ambitieus, sleutelden hard aan een eigen geluid, maar hoefden niet zo nodig beroemd te worden. Het was de opkomst van het yuppietijdperk, muzikanten werden door Thatcher beschouwd als parasieten, maar daar voelden ze zich wel goed bij.’

Eigenlijk waren die jaren tussen 1984 en 1994 muzikaal veel interessanter dan Reynolds altijd gedacht had. ‘Toen ik tien jaar Melody Maker doorbladerde zag ik pas het complete plaatje van al die kleine scenes bij elkaar. De successen van Nirvana en Oasis kwamen ergens vandaan.’

Geuzennaam

Dat moest allemaal maar eens worden opgeschreven in wat het boek Still In A Dream is geworden. ‘Grappig, niemand had het destijds over shoegaze, die term was eigenlijk een geuzennaam voor een genre dat even snel opkwam als verdween. Met shoegazers werden niet zozeer muzikanten bedoeld die te verlegen waren om het publiek aan te kijken, als wel gitaristen die staarden naar de pedalen op de grond waarmee ze hun geluid konden vervormen. Maar dat eerste is ook waar.

‘Wat me het meest van die jaren is bijgebleven is de afwezigheid van ego’s. Iedereen maakte de muziek die ze zelf mooi vonden. Als er een publiek voor kwam dan was dat mooi meegenomen, maar het was geen doel op zich.’

Simon Reynolds: Still In A Dream – Shoegaze, Slackers and the Reinvention of Rock, 1984-1994. White Rabbit; 456 pagina’s’; € 23.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next