Home

In ‘IJsberenprotocol’ gaat de zon niet onder – de perfecte setting voor een whodunnit

De tweede roman van Ananda Serné speelt zich af in het Hoge Noorden, waar hoofdpersoon Eira tussen de wetenschappers aan haar schrijversresidentie begint. Dan komt de herinnering aan haar vermoorde tante boven.

Permafrost is grond, gesteente of sediment dat minstens twee opeenvolgende jaren continu bevroren blijft. Alleen de bovenste laag kan ’s zomers tijdelijk ontdooien.

Je vindt het, onder andere, op Spitsbergen, het arctische Noorse eiland dat het decor vormt voor IJsberenprotocol, de tweede roman van Ananda Serné.

Een dankbare metafoor, moet Serné gedacht hebben, toen ze als writer-in-residence en kunstenaar meermaals verbleef in Ny-Ålesund, een internationaal onderzoeksdorp op Spitsbergen. Het spreekt tot de verbeelding: dat diepe grondijs dat soms al honderdduizenden jaren bevroren is, gearchiveerd organisch materiaal uit werelden van weleer.

Voor Eira, de ik-verteller van de roman, staat het symbool voor de herinnering aan haar vermoorde tante. Het is zo’n herinnering waaraan je liever niet meer denkt, liever stop je het weg. Maar wat bevroren is, kan ooit ontdooien. En laat dit nu juist een moment in de menselijke geschiedenis zijn waarop de ijskappen massa verliezen, het poolijs afneemt en de permafrost langzaam maar zeker begint te ontdooien.

Het is niet per se waar Eira op zit te wachten als ze, net als Serné, begint aan haar schrijversresidentie op Spitsbergen. Haar plan was om te gaan schrijven over ‘micro-organismen die in het Noordpoolgebied in een sluimertoestand verzinken om de extreme omstandigheden zoals kou en lange donkere perioden te doorstaan’ en ‘als de kust veilig is, ontwaken ze weer’.

Maar al reflecterend op ‘het ontwaken van de cyanobacteriën’ komen de herinneringen boven aan die zo gruwelijk uit het leven gerukte lievelingstante. Kan ook eigenlijk niet anders, denk je: er zijn parallellen te over tussen Spitsbergen en die wrange misdaadgeschiedenis. Zo woonde haar tante ook op een afgelegen plek (in Nederland weliswaar), maar het gevaar bleek nog net zo goed aanwezig, net als de ijsberen die op Spitsbergen ronddwalen en de onderzoekers dwingen zich aan stevige veiligheidsprotocollen te houden.

Godvergeten witte eenzaamheid

IJsberenprotocol leest als het type autofictie dat voortdurend het schrijfproces thematiseert. Je ziet Serné voor je, zoals ze, net zoals Eira, aankomt op het kleine vliegveld, zich eerst ongemakkelijk voelt tussen de ‘wetenschappers die elkaar vast al jaren kennen’ maar later steeds meer onderdeel wordt van de gemeenschap. Hoe ze zich afvraagt wat ze daar toch precies zal gaan schrijven – ze wil niet te veel ‘romantiseren’ – in die godvergeten witte eenzaamheid.

Eira denkt: ‘In Amsterdam raken de uren geïmpregneerd met sociale verplichtingen, verzadigd’, en ja, je snapt best waarom je je als schrijver zou willen aanmelden voor een dergelijk verblijf.

Het is een journalistieke reportagetechniek die Serné gebruikt om Eira’s ervaringen in het onderzoeksdorp te beschrijven. Dat resulteert soms in deuren die wel heel wagenwijd open staan: ‘Naast de sportieve poolwetenschappers wil ik niet het cliché van de onhandige schrijver bevestigen, maar ik ontkom er niet aan.’

Het ongemak dat Eira ervaart als schrijver tussen de wetenschappers vertaalt zich bij vlagen bovendien in een onvaste, onzekere toon, bijvoorbeeld wanneer ze niet weet hoe ze zich moet verkleden tijdens het zonnefeest en zich afvraagt of het niet ‘beladen is dat [ze] als ijsbeer [gaat] nu er een beer is gesignaleerd’.

De rapporterende verteltrant wordt om de zoveel tijd afgewisseld met in de wij-vorm geschreven hoofdstukken die in een ander lettertype gedrukt staan. Eigenaardig, dacht ik, origineel. Je kunt het eerst niet helemaal plaatsen, wie de vertelinstantie is in die hoofdstukken, maar dan kom je erachter dat de ‘wij’ het blauwe huis vertegenwoordigt waarin Eira verblijft.

Een observerend soort verteller is dat blauwe huis. Het deelt ons van alles mede over de onvaste fundamenten waarop het huis staat, het kraken van het hout, het wel en wee van de bewoners. Het moet een buitenperspectief vertegenwoordigen dat ons van een afstand naar het beschreven verhaal leert kijken, en ook naar ons als mensheid. Het huis zegt dingen als: ‘de mensen zijn als zwammen en de zwammen zijn als mensen’.

Het doet denken aan Wij zijn het licht van Gerda Blees, een mozaïekvertelling waarin ieder hoofdstuk vanuit een andere ‘wij’ verteld wordt. Vervreemdend is dat ook, net als in IJsberenprotocol. Maar een ongebruikelijk vertelperspectief werkt meestal pas echt goed als het duidelijk is wat de functie ervan is. En hier blijf ik met vragen zitten: waarom is dat huis überhaupt een op zichzelf staande entiteit? En waarom kiest Serné voor een huis en niet voor, bijvoorbeeld, het ijs als contraperspectief voor Eira’s verhaal?

Middernachtzon

Tot zover mijn overwegingen.

Het sterkst aan deze roman zijn de setting en de sfeer die Serné ermee weet op te roepen. Heel vergelijkbaar met hoe W.F. Hermans dat in de jaren zestig deed met Nooit meer slapen, een verhaal dat zich ook in noordelijke streken afspeelt en waar in de zomer de middernachtzon ook weken (of maanden) niet ondergaat.

Je ziet het voor je. De mensen die eerst in een maandenlange nacht verkeren en dan in de zomer ‘een beetje manisch’ worden van al dat zonlicht. Een uitermate geschikte setting voor een detective, zoals de collega’s van Eira haar adviseren. Een whodunnit waarvan de conclusie is: wij allemaal.

Ananda Serné: IJsberenprotocol. Cossee; 224 pagina’s; € 22,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next