In De analfabete vraagt de Hongaarse cultschrijver Ágota Kristóf zich af hoe haar leven eruit zou hebben gezien als ze in 1956 niet naar Franstalig Zwitserland was gevlucht. ‘Moeilijker, armer, denk ik, maar ook minder eenzaam, minder verscheurd, misschien gelukkig.’
Op 23 oktober 1956 kwamen de Hongaren in opstand tegen de Sovjetoverheersing. Nog geen twee weken later rolden Sovjettanks door Boedapest; op 10 november kwam de opstand ten einde.
Honderdduizenden Hongaren ontvluchtten het land, waaronder de latere schrijver Ágota Kristóf. Ze was 21. Via Oostenrijk kwam ze uiteindelijk in Zwitserland te wonen.
Daar bleef Kristóf (1935–2011) zich haar hele leven Hongaars voelen. In Hongarije, en in het Hongaars, had ze de eerste 21 jaar van haar leven gewoond en haar eerste gedichten gepubliceerd. Dat gevoel bleef, werd misschien zelfs sterker toen ze vanaf 1944 in Kőszeg woonde, een stadje aan de grens met Oostenrijk waar een kwart van de bevolking een ‘vijandige taal’ sprak – de taal van het Habsburgse Rijk, de taal van de nazi’s.
In De analfabete, een reeks korte autobiografische essays die in 2004 in het Frans werd gepubliceerd, vormt deze achtergrond de basis voor een groot gevoel van ontheemding. De dag dat ze de grens overstak, het vrije Westen in, liet ze niet alleen haar familie achter: ‘Maar vooral ben ik op die dag, die dag eind november 1956, mijn deelgenootschap aan een volk kwijtgeraakt.’ Hongaars, zonder het écht te zijn.
Over haar gebrekkige Frans vol fouten: ‘Daarom noem ik ook de Franse taal een vijandtaal. Daar is nóg een reden voor, en dat is de ernstigste: die taal is mijn moedertaal aan het vermoorden.’
Ze vraagt zich af hoe haar leven eruit zou hebben gezien als ze niet was gevlucht. ‘Moeilijker, armer, denk ik, maar ook minder eenzaam, minder verscheurd, misschien gelukkig.’
In de elf essays schrijft Kristóf over taal en natie, over haar jeugd en het verlies van een thuis. Zij is de analfabete uit de titel: na een paar jaar kan ze wel Frans spreken, maar niet lezen, een grote schok voor iemand die vanaf haar 4de alles leest wat ze tegenkomt.
Soms is De analfabete ook een soort schrijfgids. Een essay heet: ‘Hoe word je schrijver?’ Eerste zin van het antwoord: ‘Om te beginnen moet je schrijven, natuurlijk.’
Gelukkig volgen er niet al te veel tips van dat kaliber en gaat de rest van het essay over haar ontwikkeling als schrijver. Eerst werden er toneelstukken van haar hand opgevoerd in dorpscafés, later op de radio. Begin jaren tachtig stuurt ze het manuscript van een roman – Le grand cahier (Het dikke schrift), het eerste deel van de eerder ook door Das Mag uitgegeven Tweelingentrilogie – naar drie uitgeverijen. Twee wijzen haar af, de derde uitgever is overtuigd.
De analfabete gaat ook over wat je solidariteit zou kunnen noemen. In een essay over Stalins dood beweegt Kristóf tussen het opstel dat ze op school moest schrijven toen het nieuws uitbrak dat de grote leider was overleden en de vraag hoeveel mensen dankzij hem hebben geleden. ‘In Roemenië telt men nog steeds de doden; in Hongarije waren het er dertigduizend in 1956.’
Kristóf kijkt over grenzen heen, maar corrigeert zichzelf ook: als een Turks jongetje sterft nadat hij illegaal de Zwitserse grens over is gesmokkeld en uren moest lopen, verwijt ze zijn ouders onverantwoordelijkheid. Maar is zij niet ook zo het land binnengekomen?
‘Minder verscheurd, misschien gelukkig’: daar valt niks tegenin te brengen.
Ágota Kristóf: De analfabete. Uit het Frans vertaald door Henne van der Kooy. Das Mag; 78 pagina’s; € 19,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant