Christiaan Weijts is een schrijver van het maatschappijkritische soort, blijkt uit Flaneren kun je leren. Iemand die zich duidelijk uitlaat over hardloopapps, study-with-mefilmpjes en kolenkachels. Observeren en flaneren is genoeg, meent hij. En laat Weijts daar nu eens erg goed in zijn.
Net als Christiaan Weijts heb ik een beroep waarvoor je niet iedere dag op een specifieke plek hoeft te zijn. Ik werk in lobby’s, cafés, musea, parken, in dorpen en steden, in binnen- en buitenland. Wie leest en schrijft voor de kost heeft de wereld als kantoor.
Niet dat dat moet, overigens. Er zijn genoeg voorbeelden van schrijvers die hun eigen kleine kring niet plachten te verlaten (ik noem Immanuel Kant, die iedere middag op hetzelfde tijdstip hetzelfde rondje liep in zijn geboorteplaats Koningsberg).
Maar het spreekt wel tot de verbeelding: de rondzwervende schrijver, op zoek naar weer een nieuwe indruk om in de taal te vereeuwigen. Je zou het bijna gaan romantiseren, zoals Christiaan Weijts terecht opmerkt in de inleiding van Flaneren kun je leren, zijn nieuwste bundeling essays en columns. Je denkt misschien aan Charles Baudelaire, die de flaneur verbeeldde als een hartstochtelijke waarnemer van het vluchtige stadsleven, of aan Walter Benjamin, die hem later in zijn Passagenwerk theoretiseerde als lezer van de moderne kapitalistische stad.
De nieuwe bundel van Weijts vertrekt juist niet vanuit die ‘romantiserende mythe’. Flaneren wordt op politieke wijze gedefinieerd als ‘een scala aan activiteiten en praktijken die ingaan tegen de tijdsgeest van efficiëntie, productiviteit en nut’.
En het is, benadrukt hij, ‘geen nostalgie naar een tragere wereld, maar een manier van kijken’.
Flaneren als verzet dus. Klinkt nobel. Al is het niet altijd even duidelijk waartegen. De bundel met bijna tachtig teksten die Weijts eerder publiceerde, voornamelijk in NRC en De Groene Amsterdammer, behandelt zo veel thema’s dat een echte rode draad moeilijk te ontwaren is. Altijd lastig natuurlijk bij een bundeling van eerder gepubliceerde teksten op verschillende platforms: wat is het ordenende principe? Waarom breng je die teksten samen? Waarom nu?
Weijts is een schrijver van het maatschappijkritische soort. Iemand die zich duidelijk uitlaat over helder afgebakende onderwerpen zoals hardloopapps, study-with-mefilmpjes en kolenkachels.
En ergens snap je wel wat hij bedoelt met het ‘flaneren als verzet’. Je ziet Weijts voor je: hoe hij door de straten beweegt, in aankomst- en vertrekhallen vertoeft, in cafés voor zich uitkijkt, zich laat vervoeren door treinen, auto’s en vliegtuigen. Hij is daar en hij probeert zich te verhouden tot wat hij om zich heen waarneemt. Te reflecteren op een manier die je kritisch kunt noemen, tegen de keer in.
Dat is fijn, prikkelend en soms verdiepend, maar ‘verzet’ zou ik het niet noemen. Niet op die inmiddels ingeburgerde Mark Fisher-manier – de cultuurcriticus die de term ‘kapitalistisch realisme’ in zwang heeft gebracht waarvan hedendaagse essayisten gretig gebruikmaken. Het uitgangspunt van Fisher: het is nauwelijks mogelijk aan de kapitalistische realiteit te ontsnappen; wat je kunt doen, is proberen je eruit te ‘denken’.
Deze bundel schaar ik niet onder zulke ontsnappingspogingen. Hij is kritisch op dat wat je met recht producten van het kapitalisme kunt noemen, dat wel, maar hij probeert niet noodzakelijk het kapitalisme als ideologisch systeem te ontmaskeren of te ondergraven.
En dat hoeft ook helemaal niet.
Het is eigenlijk wel een keer verfrissend om hedendaagse essayistiek te lezen zonder uitgesproken normatieve ondertoon. Ondanks de eigen karakterisering als ‘verzet’ is het een bijzonder niet-programmatisch boek. Heel anders dan tijdgenoten als Lieke Marsman, Maarten van der Graaff of Hannah van Binsbergen, die zich op een andere, meer activistische manier verbinden aan de politieke zaak.
Geëngageerd is het wel, dat zeker. Weijts trekt zich de maatschappelijke realiteit aan, wil haar duiden, maar hoeft haar niet zozeer te veranderen. Wordt nergens pamflettistisch.
Observeren is genoeg, luidt de suggestie. En laat Weijts daar nu eens erg goed in zijn. De compositie van Flaneren kun je leren is opgebouwd rond verschillende plaatsen. Hoofdstukken krijgen vorm aan de hand van verschillende locaties (Straat, Plein, Museum, Universiteit et cetera) waarover Weijts zijn waarnemende blik laat glijden.
Zijn werkwijze deed me denken aan de Zestigers – Armando, Bernlef, K. Schippers en anderen – en aan de techniek die dat schrijverscollectief hanteerde: het isoleren van kunst uit de werkelijkheid.
Het essay ‘Op de huid van de stad’ laat dat heel mooi zien. Het adresseert een actueel, maar tegelijk diep historisch fenomeen: dat van de stickerartiesten – kunstenaars die door stickers te plakken ‘onderdeel [zijn] van de stedelijke ruis van billboards, iconen, bewegwijzering en al die andere prikkels die je wegfiltert’, maar die ‘door hun herhaling […] vroeg of laat door je waarnemingsdrempel [breken]’.
Typisch iets wat je niet ziet als je er geen oog voor hebt, maar wat bij nader inzien overal is en bovendien iets zegt over een fundamenteel menselijke neiging: ‘De impuls is zo oud als de handafdrukken in de grotten van Lascaux, de vunzige teksten op de muren van Pompeji […]’
Hoewel sommige van de gebundelde teksten te columnistisch zijn om in boekvorm overeind te blijven (want te betrokken op een bepaalde actualiteit die niet tijdloos blijkt), beklijft Flaneren kun je leren uiteindelijk toch.
Weijts is een intellectueel van het wellicht ouderwetse soort: iemand die van A naar B beweegt en met een boodschap komt zonder noodzakelijk de wereld te willen veranderen. Fijn dat er zo iemand als hij is in de Nederlandse cultuurkritiek.
Christiaan Weijts: Flaneren kun je leren – Essays op locatie. De Arbeiderspers;
389 pagina’s; € 26,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant