De moeders van Gerlach en Baars konden niet meer verschillen, net als de poëzie waarin de achtergebleven kinderen zich uitdrukken. De ene bundel is even glashelder als buitenissig, de ander onvervalst ontroerend, met een vleugje dominee.
Vroeg of laat overkomt het iedereen: je verliest een ouder. Die onvermijdelijkheid en die universaliteit maken het een uitstekend onderwerp voor kunst, en er zijn dan ook legio voorbeelden van aangrijpende requiems voor moeders en vaders, alleen uit de laatste paar jaar al bijvoorbeeld de roman Voor het vergeten van Peter Verhelst, of het album Carrie & Lowell van Sufjan Stevens.
En er liggen twee bundels in de winkel die dit thema verkennen, al houden de overeenkomsten daar wel zo’n beetje op.
Ja, beide dichters verloren op een zeker moment hun moeder. Maar voor de ene dichter is dit zijn tweede bundel, voor de andere haar 25ste – en dan moet ik nog oppassen dat ik goed heb geteld.
Ook de aard van de moeders kon eigenlijk niet meer verschillen, net als de poëzie waarin de achtergebleven kinderen zich uitdrukken.
Als poëzieredacteur ben ik geen liefhebber van spreekwoorden of regels uit kinderliedjes in poëzie – hoe minder, hoe beter. Eva Gerlachs bundel Schipper mag ik overvaren bewijst dat een ervaren dichter zich van zulke pietluttige stellingen niks aan hoeft te trekken. Bovendien staat de bundel vol met het soort gedichten dat alleen Eva Gerlach kan maken: trefzeker en even buitenissig als glashelder.
De vorm is aan de ene kant klassiek: metrum en veel rijm, maar in elk gedicht zit ook weer een hapering die het spannend en bevreemdend houdt. Leestekens ontbreken en hoofdletters duiken op waar je ze niet verwacht, alsof de gedichten mettertijd zijn scheefgegroeid: ‘Het wijde land waarin ik met je loop/ zoals mijn kind met haar kind binnenin/ dat zwelt en zwelt zoals jij krimpt en en.’
Een glashelder en mooi beschreven beeld dat pootje wordt gehaakt door dat inhoudelijk haperende maar metrisch loepzuivere einde. Alsof deze gedichten met de beschreven moeder mee aftakelen.
Die aftakeling wordt overigens meedogenloos beschreven – zo hard dat het pijn doet. ‘Je oog komt op je kwijlt je luier lekt’. Het lot van de mantelzorger wordt hier getoond zoals het is. Door mijn hoofd spookten steeds de Menno Wigman-regels ‘Mijn moeder gaat kapot. Ze heeft een hok,/ nog net geen kist, waar ze haar stoel bepist/ en steeds dezelfde dag uitzit”.
De moeder uit Schipper mag ik overvaren ontpopt zich tot een afschrikwekkend wezen dat slaat en snauwt, maar toch wordt het nooit eendimensionaal, omdat de ik tegelijk met zoveel liefde en zoveel geduld steeds maar weer de zorgtaak op zich neemt.
Af en toe schijnt er zelfs iets dat op geluk lijkt door de regels heen: ‘en we vliegen ik ben je jij mij en je lacht je laat los.’
De balans tussen aftakeling, wangedrag en tederheid is ontzettend knap bewaard, zowel binnen de gedichten zelf als in de bundel als geheel. Wat een tour de force, deze bundel waarin Gerlach virtuoos goochelt met tederheid.
Thuis
Je was daar je lag halfnaakt onder
je buitentrap Armen gekruist
over schouders Knieën geprikt
door elleboogkorsten Druipende luier vol groen
Ik sloeg je verschoonde je smeet je
rondom mijn nek We klommen
de honderd treden op naar je kermende zwarte
deuropening Uit al je goten droop rot
en je magere haar ging groeien het spreidde zich dwars
tussen traptreden over je tuin naar je opengebroken
zwaaiende hardhouten hek en ik vroeg je Wat wil je
buiten of binnen en je zei Dood en ik klom
En dan is er, over tederheid gesproken, de langverwachte tweede bundel van Joost Baars. Hij was in poëziekringen al lang een bekend gezicht toen hij in 2017 debuteerde met Binnenplaats, waarna hij ook buiten poëziekringen bekend werd, want zijn debuut werd meteen bekroond met de VSB Poëzieprijs.
Van die schrik moest hij misschien even bekomen, want het bleef lang stil, maar nu is er opvolger Toen ik je kwijtraakte. Na het lezen van die bundel heb ik toch Binnenplaats er nog eens bij gepakt. En jawel hoor, daar was-ie ook al, die stem die met een vleugje dominee en een woud aan verwijzingen toch steeds een onvervalst ontroerend gedicht weet neer te leggen.
Zowel in Binnenplaats (‘Niet, ik zal niet, kadavertroost, Wanhoop, uw eter zijn;’) als in Toen ik je kwijtraakte (‘o mede-/ gevleesde! ik kroon je! o met de// neerwaartse// druk van mijn dalen/ schenk ik je o! de opwaartse/ trek van mijn vlucht!’) vertoont Baars de neiging om 19de-eeuws geëxalteerd vol op het retorische orgel te rammen, maar je kunt het goed van hem hebben, want de tongue is ferm in cheek.
Het helpt daarbij dat Baars een uitstekend gevoel voor speelse regelafbrekingen heeft. Waar ik moeilijk aan kan wennen is de keuze voor onnodig ingewikkelde woorden: fertiel in plaats van vruchtbaar, trachten in plaats van proberen – maar dat is een kleinigheid.
En net als in zijn debuut trekt er ook nu een reeks schrijvers, denkers en schilders voorbij. Soms gaan die een beetje voor het beeld staan, heb je het gevoel dat een gedicht ook zonder zou kunnen, een inspiratiebron ook best in een aantekening achterin mag staan in plaats van pal in het gedicht. Maar in Toen ik je kwijtraakte zag ik die verwijzingen ineens ook in een ander licht. Kan het zijn, dacht ik opeens, dat hier een stem aan het woord is die, zoals ikzelf ook doe, en met ons vermoedelijk veel Volkskrant-lezers die vrijwillig een stuk over poëzie lezen, naar kunst kijkt om de wereld en zichzelf te begrijpen?
En is het dan niet ronduit aangrijpend dat die stem, in het aangezicht van een groot verlies, misschien beter kan aanwijzen waar en vooral hoe het zeer doet door ‘Roland Barthes’ te zeggen, of ‘Kate Zambreno’?
Bovendien valt, als we toch aan het vergelijken slaan, eerder op dat de taal in Toen ik je kwijtraakte zoveel kaler is, zoveel directer dan in Binnenplaats. Juist wél recht op het gevoel af. En is die directheid dan uit vertwijfeling of uit zelfverzekerdheid? In citaten als ‘het is vandaag een jaar/ geleden ma’, ‘vanochtend kwam ineens het nieuws/ dat je er niet meer bent’ en zelfs ‘mijn tweede bundel is nu bijna klaar,/ mama. hij gaat meer over jou// dan mijn bedoeling was’ maakt het eigenlijk niet uit. Je kunt het er allebei in lezen, en beide ontroert het.
Op zijn beste momenten leest de bundel alsof je meekijkt met iemand die het graf van zijn moeder bezoekt en tegen haar praat. Dat doe je openhartig, zonder opsmuk, en grotendeels tegen beter weten in. Maar dat is misschien ook wel het recept voor goede rouwpoëzie.
Als aan het slot de moeder zelf aan het woord komt in een werkelijk wonderschoon gedicht, zoals Sufjan Stevens zijn moeder ook zo schitterend opvoerde, valt het niet meer te ontkennen: ook Toen ik je kwijtraakte is een bundel van grote klasse.
ik weet nog hoe je in mij zat,
en toen je uit me kwam, het was geloof
ik op een donderdag, werd heel
mijn lichaam mond, zo lag ik daar,
die ochtend, met, ja, wat zich dalend
als een kaars in mij herhaalt, en sprak
jou uit, ik schreeuwde je, je vlamde
op het aambeeld van de tijd, je was
mijn liefste ja, en jij schreeuwde mij na.
Joost Baars: Toen ik je kwijtraakte. Van Oorschot; 80 pagina’s; € 20.
Eva Gerlach: Schipper mag ik overvaren. De Arbeiderspers; 80 pagina’s; 19,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant