Home

De reptielensmokkelaars in ‘Monsters of God’ lijken op slechteriken uit lowbudgetfilms

is televisierecensent voor de Volkskrant.

De hoofdpersonen van Monsters of God (sinds vrijdag te zien op HBO Max) zeggen dat ze van reptielen houden. Ze zijn dol op hun felle kleuren, opvallende ogen, giftanden die een olifant kunnen omleggen. Bovenal houden ze ervan dat ze de dieren kunnen bezitten, tentoonstellen, doorverkopen. Kortom: ze houden van reptielen zoals anderen van Pokémonkaarten houden.

Maar goed, er valt ook weinig oprechte dierenliefde te verwachten van een stel reptielensmokkelaars, middelpunt van deze vijfdelige docuserie van Eric Goode. De documentairemaker lijkt geobsedeerd door mensen met een bedenkelijke dierenobsessie. Hij brak door met coronahype Tiger King (2020), over de tijgerboerderij van de flamboyante Joe Exotic, die momenteel in de gevangenis zit voor het beramen van een moordaanslag op een dierenactivist.

Na één aflevering wordt al duidelijk dat het minder sensationele Monsters of God niet zo veelbesproken zal worden als Tiger King. Maar niet getreurd: de serie biedt ruim voldoende vermaak om de zomerse droogte op de lineaire televisie mee door te komen. Alleen al omdat de reptielensmokkelaars veel weg blijken te hebben van slechteriken uit lowbudgetfilms.

Grondlegger van de illegale Amerikaanse reptielenhandel is Hank Molt, door anderen omschreven als ‘een onbetrouwbare wezel’ en ‘een psychopaat’. Zelf noemt hij zichzelf – in de derde persoon – een ‘enigma’. Van jongs af aan ‘begeerde’ hij reptielen, zegt hij likkebaardend. Hij reisde de wereld rond met koffers vol bedreigde slangen en hagedissen, om die voor grof geld te verkopen aan dierentuinen, die meer waarde hechtten aan bezoekersaantallen dan de herkomst van hun dieren.

Daarbij kreeg hij een concurrent én aartsvijand in de minder sluwe Tom Crutchfield. Hij begon als krokodillenworstelaar, woont op een ranch vol levensgevaarlijke reptielen en noemt zichzelf trots ‘een bad guy, John Dillinger, Bonnie en Clyde in één’. Bij vlagen is Crutchfield bijna ongeloofwaardig te veel van het goede: zijn voornaamste handlanger is een parttime clown, die in vol ornaat – schmink, rode neus – vertelt over hun misdaden.

Het gevaar met dit soort kleurrijke criminelen is dat hun wreedheid naar de achtergrond verdwijnt. Joe Exotic hield aan Tiger King immers een behoorlijke fanschare over. En Goode geeft de smokkelaars wel erg veel ruimte om hun sterke verhalen te vertellen, vaak ondersteund met foto’s uit hun avontuurlijke verleden.

Maar de wreedheid is in Monsters of God zo overvloedig, dat het lastig is om daar omheen te kijken. Crutchfield importeerde bijvoorbeeld ernstig bedreigde Fijileguanen. Toen autoriteiten daar lucht van kregen, besloot hij ze ten einde raad bij Molt te dumpen, die de dieren vervolgens bruut vermoordde. Gewoon om Crutchfield te pesten.

Veelzeggend dus, dat Molt in zijn eentje bij een fastfoodrestaurant vertelt dat hij allang geen vrienden meer heeft, alleen nog zakenpartners. Want van zulke egocentrische dierenbeulen ga je niet zomaar houden.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next