Fotomachine Het analoge fotohokje duikt weer vaker op in het straatbeeld: het biedt al decennia de illusie van een eerlijk portret, een ‘echte’ werkelijkheid. Daar komt anno 2026 de belofte van nostalgie nog bij.
Een rij wachtenden voor de Boothclub in de Raamsteeg in Amsterdam
In de smalle Raamsteeg in Amsterdam staat dagelijks een lange rij wachtenden om een foto te maken. Niet een foto van een beroemdheid, bijzondere winkel of gebouw, maar gewoon van zichzelf. In een analoog fotohokje. In de Boothclub, zoals de fotostudio heet, staan twee vintage photo booths waar je voor 6 euro vier foto’s kunt laten maken. „Lekker nostalgisch”, zegt Alex (26) uit Hamburg, die bijna aan de beurt is. Voor Belinda Bleker (60) en haar dochter Iris Ackermann (28) uit Groningen, die binnen staan, is het vandaag al de tweede keer. „Elke keer dat we in Amsterdam zijn, lopen we hier naar binnen. Het is onze traditie. Thuis hangen we de foto’s op als herinnering aan de dag.”
Honderd jaar geleden, in september 1926, opende de Joods-Russische uitvinder Anatol Josepho de eerste studio met fotohokjes – toen Photomatons genoemd – op Broadway in New York. Het was de nieuwste rage, schreef The New Yorker in 1926. Voor het eerst konden mensen zich zonder fotograaf, snel (binnen acht minuten) en goedkoop (voor 25 cent) laten portretteren. Wat bedoeld was als een praktische machine voor pasfoto’s, groeide uit tot een vorm van amusement; na een avond theater doken New Yorkers massaal het hokje in. Binnen een halfjaar hadden 280.000 mensen de hokjes bezocht.
De studio kreeg al snel concurrentie, waarbij soms een medewerker verstopt zat in het hokje om de foto’s razendsnel te ontwikkelen, schrijft fotograaf en schrijver Niki Goranin in haar boek American Photobooth. Blijkbaar was voor de klant de illusie van een volledig geautomatiseerde machine al genoeg.
Photo booth-opnames van een echtpaar dat zich heeft uitgedost met attributen uit de Victoriaanse tijd, in 1930.
Honderd jaar later willen we, ondanks onze telefoons met camera, nog altijd diezelfde ervaring, zegt Madri van Veldhuizen, medeoprichter van Boothclub. Het bedrijf begon in 2014 met twee analoge photo booths, een daarvan kwam in 2015 vast in The Hoxton in Amsterdam te staan, „die in 2022 pas echt werd ontdekt en dankzij TikTok viral ging”. De heropleving van het analoge fotohokje beperkt zich niet tot Amsterdam. Rond 2000 besloten de twee Berlijners Asger Doenst en Ole Kretschman oude photo booths uit de jaren zestig van de sloop te redden, te restaureren en opnieuw in de stad te plaatsen onder de naam Photoautomat. Sinds 2007 doet Fotoautomat hetzelfde in Parijs, daarna volgde Autofoto in Londen en Barcelona. Japan kent al sinds 1995 een populaire fotohokjescultuur, al draait het daar minder om de nostalgie van het analoge fotohokje. In de purikura-hokjes kunnen gebruikers hun foto’s digitaal bewerken, bijvoorbeeld door virtuele make-up toe te voegen voordat de foto’s worden afgedrukt.De zeven vintage analoge booths van Boothclub kun je inmiddels vinden op vijf locaties in Amsterdam, waar ongeveer 150 foto’s per dag worden gemaakt. Bovendien staan er nog dertig andere booths door het hele land, al zijn ook deze hokjes een beetje een illusie: nieuw en digitaal in plaats van vintage en analoog.
„Ook in die hokjes hebben we geprobeerd hetzelfde bijzondere gevoel van de originele booths na te bootsen”, zegt Van Veldhuizen. „Dat ene specifieke fotomoment, dat alleen daar gebeurt.” Maar wat is dat gevoel precies? Wat is de magie van het fotohokje waar zelfs nu nog iedereen voor in de rij wil staan?
Een rij wachtenden voor de Boothclub in de Raamsteeg in Amsterdam.
Photo booth aan de kade van het IJ in Amsterdam-Noord.
Zodra de munten door de gleuf gaan – al kun je tegenwoordig ook vaak met een pinpas betalen – wordt het proces van een analoge photo booth in gang gezet. De lampen springen aan, de camera maakt vier opnames, de machine snijdt de belichte filmstrook van de rol af, een mechanische arm brengt de strook door een bad met chemicaliën en een paar minuten later worden de vier foto’s door het afgifteluik uitgespuugd.
In dit mechanisme, waar geen mens aan te pas komt, zagen de surrealisten iets magisch toen in 1928 de eerste photo booths op de Champs-Élysées in Parijs verschenen. Kunstenaar en schrijver André Breton (1896-1966) omschreef het surrealisme als ‘puur psychisch automatisme‘: kunst moest niet voortkomen uit het hoofd, maar uit het onderbewuste. De photo booth, een machine die niet na kan denken en zó snel flitst dat het denken jou ook ontnomen wordt, leek daarvoor het ideale instrument. Voor zijn werk Je ne vois pas la femme cachée dans la forêt (1929) gebruikte hij zestien photo booth-portretten van bevriende surrealistische kunstenaars, onder wie Dalí en Magritte. Op bijna alle portretten zijn hun ogen gesloten, alsof de automaat niet hun buitenkant vastlegde, maar hun blik naar binnen richtte. Alsof ze dankzij het automatisme van photo booth een stapje dichter bij hun binnenwereld kwamen.
Ook Andy Warhol (1928-1987) was in de jaren 60 gefascineerd door het fotohokje. Hij vond dat er aan de rol van fotograaf veel te veel waarde werd toegekend. „Fotografen voelen zich schuldig omdat hun werk alleen maar bestaat uit het drukken op een knopje”, zei Warhol. Kunst hoefde voor Warhol juist geen diepere betekenis bloot te leggen. „Als je alles over Andy Warhol wilt weten, kijk dan gewoon naar mijn schilderijen, mijn films en naar mij. Er zit niets achter.” Een machine zonder oordeel kon volgens hem de werkelijkheid eerlijker registreren dan wie dan ook. „Ik wil een machine zijn”, zei Warhol zelfs. Hij maakte dan ook veel zelfportretten in een photo booth. Voor zijn eerste grote portretopdracht, in 1963, ging kunstverzamelaar Ethel Scull maar liefst driehonderd keer op de foto in een photo booth op Times Square. Daaruit maakte Warhol een selectie van 36 foto’s voor het werk Ethel Scull 36 Times.
Bezoekers van het Whitney Museum of Art in New York bekijken het kunstwerk ‘Ethel Scull 36 Times’ van Andy Warhol uit 1963.
De photo booth bleek veel meer dan een machine die foto’s produceerde. Alsof je daar achter het gordijntje niet alleen tegenover een camera kwam te staan, maar vooral ook tegenover jezelf. Zo gebruikte de Oostenrijkse schilder Arnulf Rainer (1929-2025) in de jaren zeventig de photo booth om te experimenteren met zijn eigen gezichtsuitdrukkingen. De Belgische kunstenaar Alain Baczynsky (1953) stapte tussen 1978 en 1981 na iedere therapiesessie een photo booth binnen om zijn proces op die manier vast te leggen. De Japanse kunstenaar Tomoko Sawada (1977) maakte vierhonderd zelfportretten in een photo booth in Kobe, telkens vermomd als een ander persoon. Allemaal speelden ze, of zochten ze, in het fotohokje naar hun identiteit.
De fysieke ruimte van het fotohokje en de plek waar het staat dragen bij aan het gevoel even helemaal alleen te zijn. Net als het biechthokje of het pashokje vormt de photo booth een kleine afgesloten ruimte midden in de openbare wereld. Ze staat vaak op drukke plekken, zoals een gemeentehuis, warenhuis of treinstation. Zodra je de kleine ruimte binnenstapt en het gordijntje sluit, ben je afgesloten van alles en iedereen en ga je je eigen, stiekeme wereld in. Of een gezamenlijke wereld: voor stellen – en zeker voor queer stellen, die zeker vroeger, maar in sommige landen nog steeds, niet veilig in het openbaar hun liefde konden tonen – is de photo booth altijd al een plek geweest om even in te verdwijnen. Of ontdekt te worden. Met enige regelmaat duiken er berichten op over stelletjes die er seksend in worden betrapt.
Deze spanning tussen openbaar en privé maakte de Italiaanse kunstenaar Franco Vaccari (1936-2025) letterlijk zichtbaar tijdens de Biënnale van Venetië in 1972. Hij plaatste een photo booth in een lege tentoonstellingsruimte en nodigde bezoekers uit om op de foto te gaan en het resultaat op de muur achter te laten. De besloten handeling in het hokje werd zo onderdeel van een collectief, openbaar kunstwerk. Dat is de paradox van de photo booth. Het is privé, maar altijd onderdeel van de openbare ruimte. De foto die je er in anonimiteit maakt, floept uiteindelijk via het luikje genadeloos weer de buitenwereld in.
Fotohokje in Florence.
Kreuzberg, Berlijn.
Londen, Camden Market.
In een photo booth waan je je misschien helemaal alleen, vrij en onbespied, maar ook in het fotohokje neem je een rol aan voor de camera en voor jezelf. „De photo booth is een plek waar zowel de formele als de informele versie van jezelf kan verschijnen. Bovendien vormt de booth niet alleen een decor voor dat spel, maar lokt ze het ook uit”, zegt de Engelse cultuurhistoricus Annabella Pollen in boek Typology of Intimacy: An Emotional Catalog of Booths. Socioloog Erving Goffman (1922-1988) omschreef het leven als een frontstage en een backstage. De frontstage is het deel van het leven waar we ons presenteren voor de ander, de backstage de plek waar we die rol weer kunnen loslaten. De photo booth is beide tegelijk: podium en coulisse ineen. En maakt misschien juist daarom zichtbaar wie of wat je speelt.
De photo booth biedt al jarenlang een illusie. De illusie van een eerlijker portret, een ‘echtere’ werkelijkheid, van even helemaal alleen of juist samen zijn, of van je ware identiteit kunnen vinden. En daar komt anno 2026 de belofte van nostalgie nog bij. Én die van de perfecte foto. „Niemand staat níét goed op een foto uit een photo booth. Ik ben 42, maar op die foto’s is nooit een rimpel te zien”, zegt Van Veldhuizen. Waar illusies zijn, is magie.