Home

‘Mijn vader geloofde niet dat we de loterij hadden gewonnen’

Ósk Halldórsdóttir uit IJsland is 100 jaar. Ze zit er nu warmpjes bij, maar groeide op in armoede, zonder haar moeder. ‘Na haar vertrek werden alle kinderen verdeeld over andere huishoudens en later herenigd. Behalve één broertje, hij werd weggegeven.’

is buitenlandredacteur van de Volkskrant en schrijft over Noord-Amerika, het Caribisch gebied en Suriname.

Luxe is een begrip dat nooit van toepassing was op het leven van Ósk Halldórsdóttir. Maar sinds een jaar woont ze in een verzorgingstehuis dat bekendstaat als het beste van IJsland, met brede gangen, lichte kamers en zeezicht vanuit de eetzaal.

Het ligt op een steenworp afstand van het huis dat Halldórsdóttir en haar man 75 jaar geleden zelf bouwden in Akranes, een vissersdorp dat inmiddels is vastgegroeid aan Reykjavik.

De vrouw met een verstand zo helder als haar oogopslag zit op de rand van haar bed. Foto’s van klein- en achterkleinkinderen vullen de muur daarachter. Naast haar hoofdkussen ligt een bijbel.

Halldórsdóttir moet nog bijkomen van haar honderdste verjaardagsfeest een paar dagen eerder, met een buffet, bloemen van de burgemeester en een artikel in de lokale krant. ‘Ik ben mijn familie zo ontzettend dankbaar dat ze dit voor mij hebben georganiseerd’, zegt ze zacht.

Tijdens het interview zijn twee van haar dochters discreet aanwezig. Ze herinneren hun moeder er af en toe aan dat ze een paar slokken water moet drinken. Ze komen elke dag op bezoek. Zelf moest Halldórsdóttir het een leven lang zonder moeder stellen.

Hoe zien uw dagen eruit, in uw eerste week als eeuweling?

‘Ik sta vroeg op en kleed mezelf aan. Er komt een verpleger om medicijnen in mijn ogen te druppelen en dan loop ik naar beneden voor het ontbijt. Het eten is hier heerlijk, en zo véél. Al zou er meer vis mogen zijn, dat eet ik het liefst.

‘Na de lunch ga ik naar buiten, soms neemt iemand mij mee naar de haven. Ik kijk en luister graag naar de zee. Dat zal wel komen door mijn sterrenbeeld, kreeft. Soms zijn de golven zo onstuimig als mijn haar.’ Ze wijst op haar dikke bos witte krullen. ‘Ik heb het geluk mijn haar te behouden. Maar de krullen zijn een permanent, hoor.’

In wat voor gezin werd u geboren?

‘Mijn vader Halldór was een arbeider die allerlei baantjes had. Hij legde wegen aan in Reykjavik, waar we woonden. Soms hielp hij bij het lossen van kolenschepen in de haven. Dan kwam hij helemaal zwart besmeurd thuis. Toen ik 5 jaar was, in 1931, verhuisde mijn moeder naar Noorwegen met haar nieuwe geliefde, een Noorse soldaat.

‘Mijn vader kreeg toen een soort werkster in huis. Met haar kreeg hij nog drie kinderen. Zij was... Nou, laten we het erop houden dat het beter had gekund. Er was veel armoede. Onze kleren kregen we van andere mensen of we naaiden en breiden ze zelf.

‘We aten vooral vis en aardappels. Toen die er een keer niet waren na een slechte oogst, kregen we snijbonen uit het buitenland. Lekker vonden we die! Pas veel later leerde ik dat ze ook nog gezond waren.’

Jullie hebben een keer de loterij gewonnen.

‘Mijn vader wilde het eerst niet geloven. Ik had zijn naam in de krant zien staan in het rijtje met winnaars, zo ging dat toen. Het was niet de hoofdprijs hoor, maar de tweede prijs: 500 kronen.

‘Ik moest mijn vader écht overtuigen om naar de bank te gaan, want hij dacht dat het niet waar was. Maar het was waar. Van het geld hebben we nieuwe meubels gekocht.

‘Hoe arm we ook waren, het heeft ons nooit aan eten ontbroken, daar zorgde mijn vader voor. Hij was een gelovig man en het geloof heeft hem door moeilijke tijden geholpen. Elke avond na zijn werk klom hij naar zolder, waar ik sliep met mijn twee zussen, om met ons te praten en te bidden. In de kersttijd waren er appels en sinaasappels, dan rook het hele huis naar fruit.’

Heeft u herinneringen aan uw moeder?

‘Weinig, weinig. Ik weet nog wel dat ik alleen op straat stond, met aan de ene hand een jonger zusje en aan de andere een broertje. Na haar vertrek werden alle kinderen tijdelijk verdeeld over andere huishoudens en later weer herenigd. Behalve één broertje. Hij werd weggegeven. Pas op zijn 30ste kwam hij erachter dat hij bij onze familie hoorde.’

Waaraan beleefde u als kind plezier?

‘Ik hield heel veel van leren. Ik heb een broer die drie jaar ouder is. Toen hij naar school mocht, heb ik bij mijn vader geëist dat ik met hem mee mocht. Hij vond het goed.

‘Ik vond het heerlijk op school. Na de basisschool mocht ik doorleren aan de handelsschool. Maar na anderhalf jaar moest ik helaas stoppen omdat mijn vader het niet meer kon betalen, we waren te arm. Dat was in 1940.’

Bij veel van uw leeftijdsgenoten in Europa speelt de Tweede Wereldoorlog een centrale rol in hun leven. IJsland bleef, op een geweldloze bezetting door Groot-Brittannië na, buiten die oorlog. Wat kreeg u als tiener ervan mee?

‘Oorlogen zijn afschuwelijk en ik weet nog dat ik in de krant las over de gaskamers. Maar IJsland had vooral voordeel van de Tweede Wereldoorlog. De economie onderging een transformatie, er was overal werk en er waren opeens allerlei nieuwe producten te koop.’

Het IJsland van nu is heel anders dan het IJsland van een eeuw geleden. Wat is voor u de grootste verandering?

‘Het verschil is zo groot dat ik het bijna niet kan beschrijven. Toen ik geboren werd, deed iedereen hier alles met de hand. Dat kostte zo veel kracht en putte mensen zo uit, dat ze vaak maar een half leven leefden.

‘Maar het belangrijkste verschil zit in de mentaliteit. Tegenwoordig hebben IJslanders de neiging om ‘ja’ te zeggen tegen alles, maar die afspraken vervolgens niet na te komen. Dat was vroeger anders. Vroeger stonden mensen meer voor hun woord, heb ik het gevoel.

‘En er is zoveel verspilling, van eten, van kleding. Wat dat betreft hoor ik in het oude IJsland thuis.’

Hoe zou u uw eigen karakter omschrijven?

‘Misschien een beetje koud en gereserveerd. Terughoudend, een binnenvetter. Ik ben iemand die veel kracht ontleent aan het geloof. De gemeenschap van de Evangelisch-Lutherse Kerk is altijd belangrijk voor me geweest, goed voor de ziel.

‘Ik had ook veel sociale contacten in de gemeenschap. Als er hier in het verzorgingstehuis een openbaar gebed is, ga ik er altijd naartoe.’

Toen u als jonge vrouw niet verder mocht leren, bent u gaan werken in een hotel waar u uw latere echtgenoot Sigvaldí Jonsson ontmoette. Hoe ging dat?

‘Geen roman is zo verrassend als het leven zelf, zeg ik soms. Ik deed allerlei soorten werk. Op een bepaald moment kreeg ik een baan in een hotel, helemaal in het noorden van IJsland. Hij was chauffeur op een langeafstandsbus.

‘Op een dag kwam hij het hotel binnen en schonk ik hem een kop koffie in, want dat was mijn werk. Wat er toen gebeurde kan ik niet goed uitleggen.’

Zachtjes, geheimzinnig lachend: ‘Mensen trekken elkaar op een of andere manier aan. Ik was verliefd. En ik hoop dat hij dat ook was.’

U verhuisde terug naar Reykjavik, jullie trouwden en kregen vier kinderen. Hoe was uw huwelijk?

‘Gemiddeld. Er waren genoeg botsingen. Als buschauffeur was mijn man veel weg voor zijn werk en dat was moeilijk toen de kinderen jong waren. Tussen de oudste twee zit maar een jaar en we waren in die tijd ook nog een huis aan het bouwen.’

Dochter Moa heeft meegeluisterd en zegt dat haar vader veel dronk. Haar moeder gaat daar niet op in, maar vult aan: ‘Het was soms zwaar, dat kan ik niet anders zeggen.’

Wat wilde u uw kinderen meegeven?

‘Door de moeilijke omstandigheden was ik vaak streng. Mijn kinderen moesten doen wat ik zei. Achteraf zou ik veel anders hebben gedaan; ik had meer met mijn kinderen willen praten en met hen willen reizen.

‘Maar we gingen elk jaar kamperen met een tent en dan plukten we bessen. Daar maakten we sap van zodat we ’s winters iets lekkers te drinken hadden.’

Dochter Moa: ‘De buschauffeur had geen zin om in zijn vrije tijd meteen weer in de auto te stappen, dat was de reden dat we weinig reisden.’

Waar bent u trots op?

‘Mijn kinderen zijn mooie mensen geworden. Als dat voor een deel mijn verdienste is geweest, dan ben ik daar trots op.’

U luistert nog dagelijks naar het nieuws op de radio. Welke gedachten heeft u daarbij?

‘Ik luister naar het nieuws en kijk op televisie naar het voetbal. Het IJslandse nieuws is soms goed en soms slecht. Maar uit het buitenland hoor ik vooral vreselijke oorlogsberichten. Dan vraag ik me af waarom de mens nooit verder is gekomen dan dat. Ik wil zo graag vrede.’

En het voetbal?

‘Ik volg de Engelse competitie omdat ik fan ben van Manchester United. Dat is toevallig zo gelopen. Jaren geleden stond ik in een winkel en waren er jonge kinderen die aan alle klanten vroegen of ze fan waren van een voetbalclub. En ik zei Manchester, omdat het de enige naam was waar ik zo snel op kwam. Sindsdien ben ik Manchester trouw gebleven.’

Geboren: 20 juli 1926 in Reykjavik, IJsland

Woont: in een verzorgingstehuis in Akranes

Beroep: allerlei banen, onder andere het pekelen van haring en in de bediening

Familie: twee broers, twee zussen en drie halfbroers, vier kinderen, negen kleinkinderen, 25 achterkleinkinderen en vier achter- achterkleinkinderen

Weduwe sinds 2009

Source: Volkskrant

Previous

Next