Boeren en natuurbeheerders werkten jaren samen aan nieuwe natuur in Bodegraven-Noord. Maar de kunstmatige aanleg van blauwgrasland, dat goed is voor biodiversiteit maar onbruikbaar voor landbouw, gaat boeren te ver. ‘Het leven dat hierin zat komt niet zomaar meer terug.’
is economieredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft onder meer over landbouw en voedsel.
Kees van Veldhuizen rust op zijn wandelstok. ‘Kijk nou.’ Zijn voeten staan in het hoge gras van de Meijepolder, maar voor hem strekt zich een vierkant vlak zwarte grond uit. Een meter of honderd lang en tientallen meters breed. De veengrond is tot 40 centimeter diep afgegraven. Tussen de zwarte grond zijn takken en zelfs een boomstam te zien, die daar vermoedelijk al liggen sinds deze polder in de vroege middeleeuwen is ontgonnen.
‘Als je dit een beetje politoert, heb je een dansvloer’, zegt Van Veldhuizen. ‘Wie kan mij wijsmaken dat hier orchideeën gaan groeien?’
Zijn hele leven woont Van Veldhuizen (79) in dit gebied. In straf tempo heeft hij zijn bezoek vanaf zijn voormalige boerderij in Nieuwerbrug aan den Rijn door het hoge gras de polder in geleid, tussen boterbloemen, pinksterbloemen en paardenbloemen door.
De Meijepolder, Noordzijderpolder, Polder Weijland en Polder de Bree vormen hier het grootste niet door wegen doorsneden veenweidegebied van West-Nederland. De afstand van de weg naar het midden van de polder is in sommige delen bijna 3 kilometer. Het maakt het een waardevol rust- en broedgebied voor weidevogels.
Aan die rust kwam dit voorjaar een abrupt einde. Een netwerk van ijzeren rijplaten doorkruist nu de polder, voor grote machines die grond afgraven en elders dijken aanleggen. Bij een bouwkeet bromt een dieselgenerator en staat een bouwlamp.
In Bodegraven-Noord, zoals het gebied bekendstaat, wordt natuur gemaakt: een verbindingszone tussen de Nieuwkoopse en Reeuwijkse Plassen, waardoor zeldzame soorten zoals de noordse woelmuis en otter de kans krijgen hun leefgebied uit te breiden. In een kwart van het gebied komt ruimte voor het zeldzame en biodiverse blauwgrasland.
Dat heeft de boeren lijnrecht tegenover grondeigenaar Natuurmonumenten en de provincie Zuid-Holland geplaatst. Ze werkten jarenlang met succes samen aan de weidevogelnatuur. Maar het blauwgrasland, waar Natuurmonumenten zoveel waarde aan hecht, is de boeren een doorn in het oog.
Het roept vragen op over ‘nieuwe’ natuur in Nederland. Hoe zinvol is het om natuur te recreëren die ooit heeft bestaan, maar niet in de omgeving van vandaag past? Hoeveel kunstgrepen pas je daarvoor toe? En wiens belangen tellen mee?
Die vragen spelen niet alleen in Bodegraven-Noord. In de nabijgelegen Krimpenerwaard verzetten boeren zich jarenlang tegen onteigening voor natuur. In Twente wil de provincie Overijssel kwetsbare hoogveengebieden ‘vernatten’, met gevolgen voor omliggende boerenbedrijven. Rond de Binnenveldse Hooilanden bij Wageningen zijn sommige boeren nog steeds verontwaardigd dat landbouwgrond werd opgeofferd voor nieuwe natuur.
Lopend over wat hij ‘het ijzeren zwaard’ noemt, de rijplaten die de polder doorkruisen, kijkt Van Veldhuizen plots omhoog. Hij wijst naar een velduil die over een breed uitgegraven sloot vliegt. ‘Zie je dat?’ Rondom hem slaan de talrijke broedende grutto’s en tureluurs alarm.
‘Manipulatienatuur’, noemt Van Veldhuizen de plannen die Natuurmonumenten heeft met de polder in zijn achtertuin. ‘Je hebt hier al rust en prachtige natuur, waarom moeten ze de boel dan overhoop halen voor een paar onhaalbare doelen?’
Hij stuurde er een handgeschreven brief over aan de Volkskrant. Een mailadres heeft hij niet, een mobiele telefoon evenmin. Wie hem wil spreken, moet ’s avonds de vaste lijn bellen. Overdag is hij op stap in de polder, waar hij onder meer een wilgenbosje en zijn eigen hoogstamboomgaard onderhoudt.
Tijdens de tocht vertelt Van Veldhuizen honderduit over het verleden. Over hoe hij in de jaren tachtig als lid van de Pacifistisch-Socialistische Partij villa’s kraakte in Bodegraven, en over hoe hij in de jaren zestig al zijn vader hielp op het melkveebedrijf.
Het werk ging nog met paarden, de mest trokken ze met een schuit over de sloot. Hoe verder het land van de boerderij lag, hoe minder mest overbleef. Omdat op dat land wel koeien graasden, verarmde de bodem. Deze uithoekjes werden paradijzen voor florasoorten die gedijen op vochtige, schrale grond, zoals orchideeën, blauwe knoop en blauwe zegge. Hun kleuren waren de inspiratie voor de naam blauwgrasland.
Door intensivering en schaalvergroting in de landbouw telt Nederland tegenwoordig nog maar zo’n 30 hectare blauwgrasland. In Bodegraven-Noord ziet Natuurmonumenten kans dat uit te breiden.
Staand in het uitkijkpunt bij de Bovenlanden geniet Juriaan van Leeuwen zichtbaar. ‘Als ik hier sta denk ik: Het is gelukt’, zegt de boswachter van Natuurmonumenten. ‘Het is prachtig, maar het is nog maar zo’n klein stukje.’ Natuurmonumenten heeft de Bovenlanden, 8 kilometer ten noordoosten van Bodegraven-Noord, tien jaar geleden heringericht.
‘Het deel links van de sloot is weidevogelgrasland’, vertelt Van Leeuwen. ‘Bloemrijk en geschikt voor weidevogels om te broeden. Het waterpeil staat hoger, maar er komt nog genoeg gras af om er koeien te laten grazen.’
Terwijl hij vertelt vliegen grutto’s, pimpelmezen en een zilverreiger door zijn blikveld. ‘Ze leiden gigantisch af, en dit is nog maar het voorste deel.’ Waar het aantal weidevogels eerst daalden, blijven ze sinds de herinrichting stabiel.
Ter rechterzijde van de sloot is blauwgrasland. ‘Als je vraagt of we weidevogels moeten beschermen, zegt iedereen ja. Blauwgrasland is nog kwetsbaarder, maar daar zegt niet iedereen ja tegen.’
Het natte, schrale land biedt weinig voeding aan vee, maar herbergt wel een enorme biodiversiteit aan flora. De bloemen trekken weer insecten aan, waar de weidevogelkuikens van smullen.
In het weidevogelgrasland liggen een aantal crèmekleurige vleesrunderen in de lentezon. Ze zijn van een boerin die nauw met Natuurmonumenten samenwerkt. Ze pacht het land en kan de koeien er de hele lente en zomer laten grazen. Het blauwgrasland is daar te nat en voedingsarm voor. De boerin maait die gronden eens per jaar tegen een vergoeding.
Daar ligt volgens Van Leeuwen de kern van het conflict in Bodegraven-Noord: de omzetting van enigszins productief weidevogelgrasland naar voor boeren onbruikbaar blauwgrasland.
‘Een boer heeft economisch nu eenmaal weinig aan zeldzame plantjes’, bevestigt Friso van der Zee, ecoloog van de WUR. ‘Maar voor de biodiversiteit voegt blauwgrasland heel veel toe en daar mag een boer ook best trots op zijn. Omdat Natuurmonumenten daar een hoop grond bezit, snap ik dat ze de lat hoog leggen. Maar het is ook in hun belang om een compromis te vinden.’
‘Op gebiedsniveau spelen allerlei van dit soort conflicten’, ziet Hens Runhaar, hoogleraar duurzame voedselsystemen aan de Universiteit Utrecht en het Copernicus Instituut voor Duurzame Ontwikkeling. Maar, nuanceert hij, ‘als je uitzoomt, zie je dat boeren en natuurbeheerders elkaar meer zijn gaan opzoeken de afgelopen jaren. Vroeger kwamen zulke conflicten meer voor.’
Het onderliggende probleem is volgens Runhaar dat Nederland te weinig grijstinten tussen natuur en landbouw in heeft. ‘Natuurmonumenten wordt afgerekend op een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit op zo veel mogelijk hectares. Dat kan botsen en schuren met de belangen van boeren. Gelukkig zie je nu een beweging richting natuurinclusieve landbouw.’
Bodegraven-Noord staat al sinds de jaren negentig ingetekend als toekomstige natuur. De 290 hectare landbouwgrond die Natuurmonumenten er nu bezit, is stukje bij beetje verworven. Al die jaren konden de boeren in het gebied het land blijven pachten, wetende dat het ooit natuur zou worden.
Om de boeren tegemoet te komen, snoeide Natuurmonumenten in het aantal af te plaggen hectares, waarbij de bovenste grondlaag wordt weggehaald zodat zeldzamere planten op de minder voedselrijke laag eronder kunnen groeien. Desondanks maakten twintig agrariërs tot aan de Raad van State bezwaar, tevergeefs.
Door de polder komt een blauw stipje gestaag dichterbij. ‘Daar zal je Hugo hebben’, zegt Van Veldhuizen. Melkveehouder Hugo Spruit zit met zijn bedrijf aan de overkant van de polder. Zijn land is van hemzelf, het wordt geen natuur. Toch maakte ook hij bezwaar.
‘Ik hou van de natuur, ik ben ervan afhankelijk’, zegt Spruit, leunend op een schop. ‘Maar de natuur is nu ook mijn vijand geworden, op papier.’ Spruit is bang dat de nieuwe schrale natuur zijn bedrijf aan strenge stikstofnormen zal binden.
Het conflict heeft Van Veldhuizen en Spruit argwanend gemaakt jegens Natuurmonumenten. Ze vermoeden een economisch motief: de beheervergoeding die Natuurmonumenten van de overheid krijgt voor afgeplagde grond is veel hoger dan die voor weidevogelgrasland.
Boswachter Van Leeuwen bevestigt dat, maar onder de streep maakt het volgens hem weinig uit. Voor weidevogelgrasland ontvangt Natuurmonumenten pachtinkomsten, voor blauwgrasland moet de organisatie juist boeren betalen om het te beheren.
Van Veldhuizen en Spruit halen er een keur aan andere bezwaren bij over de manier waarop de provincie, die het werk uitvoert, nieuwe natuur schept: de rijplaten en grote machines, het staal, kunststof en beton dat nodig is voor een waterinlaat, damwanden en andere waterwerken.
Het meest geraakt is Van Veldhuizen door het gebruik van gebroken puin voor een beheerpad de polder in. ‘Jac P. Thijsse draait zich om in zijn graf.’ Die richtte in 1905 Natuurmonumenten op om de stort van Amsterdams huisvuil in het Naardermeer te voorkomen. ‘Zijn eigen organisatie doet nu precies het tegenovergestelde: wegendoek en gebroken puin in de polder dumpen.’
Ook betwijfelen ze of Natuurmonumenten wel in zijn opzet zal slagen. Spruit steekt zijn schop in een van de afgeplagde stukken grond en wipt wat zwarte grond eruit. ‘Dit hoort bij de teeltlaag’, zegt hij over het bovenste, korrelige deel. ‘Hieronder zit het veen. Dat is zo oud als de polder zelf, je ziet de stukjes hout er nog in zitten. Dat is veel te zuur voor blauwgrasland.’
Natuurmonumenten wijst in reactie op de Bovenlanden, waar met succes blauwgrasland is gecreëerd. Ecoloog Van der Zee is niet bekend met de lokale omstandigheden in Bodegraven-Noord, maar gaat ervan uit dat Natuurmonumenten goed onderzoek heeft gedaan. ‘Als er vroeger blauwgrasland was, is het project kansrijk.’
Zelf is hij betrokken bij nieuw aangelegd blauwgrasland in de Binnenveldse Hooilanden. ‘Een paar jaar na het afplaggen komen daar nu de meest spectaculaire soorten voor.’
Een nieuwe schok voor de boeren kwam vlak voor de start van het broedseizoen. Buren hadden ze al gespot: mensen die waren ingehuurd om met honden weidevogels weg te jagen. Hun taak was 30 hectare vrij te houden van weidevogelnesten, zodat de werkzaamheden daar ook tijdens het broedseizoen door konden gaan. ‘Toen ik ze zelf tegenkwam, brak mijn klomp’, zegt Van Veldhuizen.
De boeren waren verontwaardigd: zij maaien hun weidevogelland later zodat vogels er ongestoord kunnen broeden, maar de provincie jaagt ze weg? Pas na aandacht van agrarische vakmedia besloot de provincie te stoppen met de honden en het werk tot het einde van het broedseizoen stil te leggen.
Inmiddels zijn de werkzaamheden weer van start gegaan. Dat gaat perceel voor perceel, waarbij een ecoloog moet vaststellen dat er geen nesten meer zijn en de kuikens uit kunnen vliegen.
‘We hebben de keuze gemaakt om tijdens het broedseizoen door te werken, zodat we vóór het broedseizoen van volgend jaar klaar zijn’, verklaart Monique Verweij enkele weken later in de bouwkeet midden in de polder. Verweij is programmamanager van Veenweiden Gouwe Wiericke, de organisatie die namens de provincie het natuurgebied herinricht.
‘Onze afweging was dat broedpreventie minder negatief effect zou hebben dan een seizoen later klaar zijn. Daarnaast hadden de omliggende boeren alle gronden dan vanaf 2027 weer kunnen pachten, wat ook een belangrijke wens is.’ Door de ingelaste pauze zullen de werkzaamheden niet voor het volgende broedseizoen klaar zijn.
Ook de andere bezwaren wijst Verweij af: het gebroken puin is ‘gecertificeerd’ en zit een factor 10 onder de wettelijke normen, de rijplaten zijn juist bedoeld om schade aan het gebied te voorkomen. Het gras eronder herstelt snel.
Het gebruik van grote machines is in zo’n groot gebied volgens haar onvermijdelijk, ‘tenzij we nog een paar jaar extra hadden’. Hetzelfde geldt voor het kunststof, staal en beton waarmee een nieuw watersysteem wordt aangelegd om het gebied vochtig te houden.
Dat is wat natuur in Nederland is: aangelegd, met mensenhanden gemaakt. De polders zijn ooit aangelegd, het blauwgrasland was er zonder de boeren nooit geweest. Om dat laatste nu terug te brengen moeten de boeren inbinden en zijn kunstgrepen noodzakelijk.
Boeren doen vaak schamper over dergelijke ‘wensnatuur’. Onterecht, vindt ecoloog Van der Zee. ‘Als je niets doet, krijg je in heel Nederland bos. We willen juist diversiteit. In blauwgrasland groeien soorten die we anders kwijtraken. Daarvoor moet je wel afplaggen.’
Dat blauwgrasland bij de huidige geïntensiveerde landbouw nooit natuurlijk voor zou komen, vindt hij geen argument. ‘Dan kan je het hele natuurbeheer wel opgeven.’
In de polder staan Van Veldhuizen en Spruit stil bij een sloot die is drooggevallen, vermoedelijk omdat de werkzaamheden aan het watersysteem van de ene op de andere dag zijn stilgelegd. ‘Het leven dat daarin zat komt niet zomaar meer terug’, zegt Spruit.
Hij wijst aan wat er nog staat te gebeuren. ‘Dit wordt een poldertje met dijken, daar gaan ze afplaggen tot aan die keet.’ Van Veldhuizen schudt zijn hoofd. ‘Ik kom niet meer kijken, anders moet ik huilen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant