Herinterpretatie Sinds kort is er sprake van een brede herwaardering van het werk van Helen Frankenthaler. In Zwitserland is nog krap twee weken een indrukwekkend overzicht te zien, met onder andere een herinterpretatie van Fabritius’ ‘Het Puttertje’. Vanaf eind september hangen haar schilderijen in Kunsthal KAdE in Amersfoort.
‘Fabritius Bird’, de herinterpretatie uit 1960 door Helen Frankenthaler van ‘Het Puttertje’ (1654) van Carel Fabritius.
Met enkele snelle streken in dunne olieverf op papier parafraseerde Helen Frankenthaler Het Puttertje (1654) van Carel Fabritius. Ook al is het vel papier bijna drie keer zo groot als het origineel en ook al is de voorstelling sterk geabstraheerd, toch herkende ik van een afstand direct het kleine paneeltje (33,5 bij 22,8 centimeter, collectie Mauritshuis) van Fabritius. Het is nu, samen met de herinterpretatie van de Amerikaanse schilder Helen Frankenthaler (1928–2011), te zien op een grote overzichtstentoonstelling van Frankenthalers werk in het Kunstmuseum Basel.
Op het schilderij van Fabritius zit het vogeltje op een houten, grijsgeverfde console die met twee koperen, gebogen staven bevestigd is aan de muur. Het zit met een dunne ketting aan zijn poot vast aan een van de staven. De achtergrond is vuilwit, als van een grofgekalkte muur. Fabritius maakte het schilderij in zijn laatste levensjaar, hij overleed op 32-jarige leeftijd bij de ontploffing van de opslagplaats voor buskruit aan de Paardenmarkt in Delft. Het schilderij heeft het meditatieve, in zichzelf gekeerde karakter van een stilleven terwijl het dat toch niet is. Deze vogel leeft, ook al is hij gevangen.
‘Het Puttertje’ van Fabritius (1654) en ‘Fabritius Bird’ van Frankentahler (1960) (gebruik het schuifje): het origineel van Fabritius is normaal te zien in het Mauritshuis in Den Haag en hangt nu in Kunstmuseum Basel naast de herinterpretatie van Frankenthaler.
Frankenthaler negeerde de details van de voorstelling. Zij concentreerde zich op de compositie van vogel, console en de slagschaduw die de vogel rechts op de muur werpt. Fabritius schilderde de console in het midden van het paneel, maar Frankenthaler verplaatste het geheel een beetje naar links, waardoor de schaduw van de vogel op de muur prominenter is en in zijn geheel te zien, bij Fabritius is die afgesneden. Frankenthalers afbeelding is minder ruimtelijk, de suggestie van diepte is minder sterk dan bij het origineel. Ook het kleurenpalet werd door Frankenthaler aangepast. In plaats van de koele grijze aardtonen van Fabritius, met als belangrijkste kleuraccent een oplichtende gele streep op de vleugel, gebruikte zij oker, sienna (getemperd oranjerood) en omber, een bruine aardkleur. Dat Fabritius’ origineel er tóch direct in te herkennen is, komt door die kenmerkende verhouding tussen de drie compositie-elementen van vogel, console en schaduw.
Helen Frankenthaler wordt gerekend tot de school van het abstract-expressionisme, dat zijn hoogtepunt had in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw met schilders als Willem de Kooning, Mark Rothko, Barnett Newman, Jackson Pollock en Clyfford Still. Het talent van Frankenthaler werd vanaf het begin van haar kunstenaarsloopbaan herkend. Zo was haar werk te zien op de tweede Documenta in Kassel en de eerste Biënnale van Parijs, beide in 1959.
Toch kreeg zij, tot kort geleden, nooit de erkenning die ze verdient. Abstract-expressionistisch schilderen was een machistische mannenaangelegenheid, met grote formaten en zelfverzekerde fysieke gestes – denk aan de drip-schilderijen van Pollock, met wie Frankenthaler bevriend was. Vrouwen waren hier, vriendschappen ten spijt, niet welkom. Pas sinds kort is er sprake van een brede herwaardering van Frankenthalers werk, er is zelfs een kleine Frankenthaler-hype gaande. In de afgelopenjaren zag ik drie grote solotentoonstellingen van haar werk: op de Biënnale van Venetië (2019), in Museum Reinhard Ernst in Wiesbaden (2025) en een indrukwekkend en nu het zorgvuldig samengestelde overzicht in Kunstmuseum Basel (nog te zien t/m 23 augustus).
Frankenthaler schilderde, net als haar mannelijke collega’s, veelal op grote formaten, tot zo’n twee bij drieënhalve meter, in rijke en heldere kleuren. Ze liet de dunne verf direct uit de pot uitlopen over het doek dat op de grond lag. Hierna verspreidde ze de verf over het doek met behulp van sponzen, stukken doek of een soort hark. Ze schilderde met het hele lichaam, op de knieën op de grond gezeten, werkend aan alle kanten van het doek. Het maximale formaat werd bepaald door het bereik van haar armen, zodat haar uitspraak dat ze „het landschap in haar armen hield” in zekere zin letterlijk was.
Frankenthalers kleursymfonieën zijn nooit volledig abstract, zij was juist geïntrigeerd door de dubbelzinnigheid van oppervlak en ruimtelijke illusie. Met licht en kleur suggereerde zij landschappelijkheid en illusionistische diepte, zonder dat haar schilderijen ooit een weergave van een specifiek landschap zijn.
Helen Frankenthaler, ‘Salome’ (1978).
Helen Frankenthaler, ‘Untitled (on 21st Street)’, 1951.
Daarnaast maakte Frankenthaler gedurende haar hele leven werken die gebaseerd zijn op tekeningen en schilderijen van andere kunstenaars, zowel oud als modern. Vaak had ze deze voorbeelden op haar vele reizen langs Europese musea gezien. Maar ook kon het een afbeelding op een ansichtkaart zijn die haar raakte en die ze dan bevestigde op de muur van het atelier.
Frankenthaler plaatste zichzelf hiermee in de eeuwenoude traditie van het ‘emuleren’ van werken van andere kunstenaars. Aemulatio is een manier om te begrijpen hoe een schilderij in elkaar zit. Het is ook een eerbetoon aan een werk van iemand anders – het celebreren van een bewonderd kunstwerk door het in een eigen beeldtaal te herinterpreteren, waarbij ook creatieve wedijver een rol speelt. Een bekend voorbeeld is Picasso, die geobsedeerd was door het werk van Velázquez en Rembrandt.
Helen Frankenthaler, ‘Sesame’, 1970.
In het geval van Het Puttertje is de bron direct te herkennen. Soms is dat bij Frankenthaler helemaal niet het geval, zoals een parafrase van een zelfportret van Rembrandt als oude man (1659), dat door Frankenthaler is teruggebracht tot een wolkig, diep donkerrood oppervlak met een dramatische, barokke lichtvlek ter hoogte van Rembrandts gezicht. Een hoogtepunt uit het oeuvre van Frankenthaler is For E.M. (1981), een herinterpretatie van het Stilleven met Vis van Édouard Manet uit 1864. Een roodkoperen pan is nog enigszins herkenbaar, maar de witblinkende vissen zijn geworden tot een explosie van uiteenspattend wit, een verstuiving van verblindend licht in een donkere bruinzwarte kleurruimte en een lichter vlak dat bestaat uit vele kleurtonen – bij Manet een tafellaken.
‘Stilleven met Vis’, het origineel door Édouard Manet (1864)
De herinterpretatie van Manets stilleven door Helen Frankenthaler: ‘For E.M.’ (1981).
Terug naar Het Puttertje. In de 17de eeuw was het vogeltje een geliefd huisdier, vanwege zijn felgekleurde uiterlijk en omdat het zo mooi kan zingen en ook nog eens heel slim is. Het kan leren om met een miniatuur-emmertje, zoiets als een vingerhoed, water te putten uit een grotere bak, zodat hij water kan drinken zonder in de bak te verdrinken. Vandaar de naam puttertje. Hij behoort tot de vinkenfamilie en zijn eigenlijke naam is waardiger: distelvink (carduelis carduelis). Hij leeft hoofdzakelijk van de zaden van distels en paardenbloemen.
Opmerkelijk genoeg is er van de prachtige kleuren van de distelvink bij Fabritius en Frankenthaler niets terug te vinden. Oorspronkelijk zat er felrood op de kop van de vogel in het schilderij van Fabritius, maar de kleur rood donkert na verloop van tijd altijd na; het is nu dus donkerder dan het oorspronkelijk was. Frankenthaler heeft het overwegend monochrome karakter van het werk overgenomen. De distelvink heeft een kenmerkend gezichtsmasker, een vuurrood gezicht omlijst door een brede, contrasterende witte band, het achterhoofd is zwart. Over de zwarte vleugels van het verder bruingrijze verendek loopt een knalgele band.
Al jarenlang hoop ik een distelvink te zien in mijn tuin. De vogelgeluiden-app op mijn telefoon registreert er soms één, of zelfs enkele tegelijk. Ze zijn er dus. Ik heb kaardenbollen aangeplant, de distelvink is de enige vogel die met zijn snavel het zaad van kaardenbollen kan bereiken, dat zich aan de onderkant van een lang en stekelig bloemhoofd bevindt. De kaardenbollen hebben zich in de tuin inmiddels overal uitgezaaid. Ook de vele uiteenlopende distelsoorten laten we staan, zelfs in het grasveld maaien we er omheen. Eén keer dacht ik dat ik puttertjes zag. Toen ik op een bankje zat kwamen plotseling twee razendsnelle kleurflitsen voorbij. Maar zeker weten doe ik het niet.
Helen Frankenthaler, t/m zondag 23 augustus, Kunstmuseum Basel (Zwitserland). Frankenthaler / Judd, 26 september t/m 10 januari 2027, Kunsthal KAdE, Amersfoort. Dubbeltentoonstelling met werk van Helen Frankenthaler en Donald Judd (1928–1994).