De Palestijnse boer Daoud Nassar gelooft in geweldloos verzet tegen zowel de Israëlische staat als de kolonisten die hem omringen. Vrijwilligers uit de hele wereld, onder wie veel Nederlanders, fungeren als menselijk schild om hem veilig te houden op de bezette Westelijke Jordaanoever.
is buitenlandredacteur van de Volkskrant. Ze schrijft over Israël en de Palestijnse gebieden, het Midden-Oosten en België.
Hekken zie je wel vaker op de bezette Westelijke Jordaanoever, evenals ijzeren poorten die goed op slot zitten. Maar naast de ingang van de boerderij van de familie Nassar staat een boodschap geschreven die je in dit gebied zelden hoort. ‘We weigeren om vijanden te zijn.’
Houd dat maar eens vol als de hele omgeving probeert om je van je land te verjagen. Maar de Nassars, een christelijke Palestijnse familie, geloven heilig in geweldloos verzet en citeren daarbij graag Gandhi en Martin Luther King, terwijl ze tegelijkertijd proberen om hun boerderij uit handen van kolonisten te houden.
Het verhaal van de Nassars begon in 1916, toen een Palestijnse man iets ongebruikelijks deed. ‘Mijn opa kocht een stuk land en liet dat formeel registreren bij de Ottomaanse autoriteiten, die het gebied indertijd bestuurden’, vertelt Daoud Nassar, een man met een vriendelijk gezicht en dik, krullend haar. ‘Dat deed bijna niemand want als dat eenmaal was gebeurd, moest je ook belasting gaan betalen.’
Het is nog uitzonderlijker dat iemand zijn land telkens als zich een nieuwe machthebber aandiende – en dat gebeurde nogal eens in de vorige eeuw – liet herregistreren. Maar de opa van Daoud deed dat wel: na elke wisseling van de wacht trok hij trouw naar een kantoortje in de stad om zijn eigendom vast te laten leggen bij de nieuwe wetgever: de Britten, de Jordaniërs en na 1967 de Israëlische bezetter.
Deze vergeelde papierwinkel vormt nu het belangrijkste schild in de juridische strijd van de Nassars. ‘In 1991 verklaarden de Israëlische autoriteiten het hele gebied tot ‘staatsland’, inclusief het land van mijn familie’, zegt Nassar. ‘Maar dat zet de deur open voor kolonisten om onze boerderij in te pikken, dus wij vochten het besluit direct bij de rechter aan.’
Het groeide uit tot een van de langste rechtszaken in de geschiedenis van de Westoever en in 2006 oordeelde het Hooggerechtshof dat de familie Nassar inderdaad eigenaar is van het land. Sindsdien is het proces van herregistratie bezig, maar dat is nog altijd niet voltooid: het Israëlisch Burgerlijk Bestuur (het orgaan van het Israëlische ministerie van Defensie dat delen van de Westoever bestuurt) gaat telkens in beroep, wil nog meer documenten en nog meer bewijzen, en ondertussen worden de zittingen hierover maandenlang uitgesteld.
‘Het is een uitputtingsslag’, zegt Nassar, ‘en het einde is nog steeds niet in zicht. Maar het goede nieuws is: we zitten hier nog.’
Dat is een prestatie, want behalve het juridische gevecht tegen het systeem zijn er ook nog de onvriendelijke buren. De boerderij van de Nassars, boven op een heuvel iets ten zuiden van Bethlehem, is ondertussen ingeklemd door vijf nederzettingen, waarvan er eentje vlak buiten het hek is gevestigd. Soms wordt er gescholden, soms vallen kolonisten de boerderij met geweld binnen en bedreigen en intimideren de familie of de vrijwilligers. Zo hebben ze recentelijk enkele wegen op het land aangelegd, en is het voor de familie onveilig om op grote delen van haar land te komen.
Ook de bedrijfsvoering is een uitdaging want de boerderij heeft geen water of stroom, dus elke olijfboom moet met de hand water worden gegeven – terwijl er in de nederzetting aan de andere kant van het hek zwembaden liggen. In het jaar 2000 noemde de familie Nassar de boerderij ‘Tent of Nations’ en begon zij buitenlandse vrijwilligers uit te nodigen. ‘Dankzij deze mensen wordt mijn land permanent bewerkt’, vertelt Nassar. ‘Dat is noodzakelijk omdat de Israëlische staat land in beslag kan nemen dat niet onafgebroken voor landbouwdoeleinden wordt gebruikt. Daarnaast biedt de aanwezigheid van de vrijwilligers bescherming, omdat kolonisten geen grof geweld durven te gebruiken als er buitenlanders bij zijn.’
Ondertussen raast het geweld buiten de boerderij door: het aantal nederzettingen op de Westoever is de afgelopen jaren alleen maar gegroeid, Palestijnen zijn uit hun huizen verjaagd en worden door kolonisten verwond of vermoord, en mensen hebben een armoedeval gemaakt doordat Israël de economie van het gebied in een wurggreep houdt.
‘De situatie is hopeloos’, zegt Nassar, ‘en morgen is het waarschijnlijk nog erger dan vandaag, daar moet je realistisch in zijn. Maar wij proberen andere Palestijnen aan te moedigen om hun woede om te zetten in iets constructiefs. Als de kolonisten een olijfboom omhakken, plant ik tien nieuwe, en als ze ons geen toegang geven tot het elektriciteitsnetwerk, dan bouwen we een systeem met zonnepanelen. Ik wil niet haten, ik wil geen vijand zijn, en ik wil niet bitter worden. Wij kunnen, wij moeten onze eigen toekomst vorm blijven geven.’ Nassar lacht en zijn ogen lachen met hem mee. ‘Daar ben ik heel koppig in.’
‘Waarom een gepensioneerde vrouw wekenlang op een Palestijnse boerderij gaat werken? Omdat ik tijd heb, gezond ben en, nadat ik een demonstratie tegen het geweld in Gaza had bijgewoond, merkte dat dat niet mijn manier is: ik wilde echt iets doén. Nadat Daoud Nassar in Nederland op bezoek was geweest en ik hem in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam had horen spreken, besloot ik hiernaartoe te komen.
‘Toen ik dat aan mijn dochters vertelde, waren ze in eerste instantie wel even ongerust, maar nu zijn ze vooral trots. En natuurlijk vond ik het in het begin spannend. Ik ben geen held, maar ik merkte al snel dat wij voor de kolonisten geen doelwit vormen. Wat wel tegenvalt, is hoe zwaar het werk is: we lopen de hele dag in de hitte met water te sjouwen en vanwege het watergebrek kunnen we maar één keer per week vijf minuutjes douchen. Maar het is ook ontzettend gezellig.
‘Wat me het meest raakt is het onrecht dat ik constant om me heen zie, het is veel erger dan ik dacht en je ziet het op alle niveaus. Dan besef je wel: wat er ook mis is bij ons in Nederland, iedereen heeft wel dezelfde rechten. En hier niet.’
‘Ik werd een beetje cynisch. Die demonstraties tegen het geweld in Gaza werden misschien zelfs wel een soort hip, maar ook als er 250 duizend mensen op af komen, gebeurt er nog steeds helemaal niets. En dus besloot ik dan maar actie te ondernemen en op een andere manier bij te dragen.
‘Nu ik hier ben, en in totaal blijf ik twee maanden, ben ik diep onder de indruk van Daoud Nassar en zijn familie – hoe zij vanuit hoop en optimisme overeind blijven. Het vergt veel geloof in het goede om vandaag nieuwe bomen te planten als je weet dat je morgen van je land af kunt worden getrapt.
‘De hele situatie in dit gebied heeft me ook aan het denken gezet over mijn christelijke opvoeding. Hoe kan het dat de kerk, waarbij naastenliefde voorop staat, dit onrecht laat lopen of in sommige gevallen zelfs steunt?
‘Het werk zelf is geweldig, het voelt goed om met het land bezig te zijn en de plek is ongelofelijk mooi – op sommige dagen kun je vanaf deze heuveltop in de verte zelfs de Middellandse Zee zien liggen. Maar zo vredig als het hier voelt, de situatie is natuurlijk echt ruk.’
‘Ik ben al langer bezig met dekolonisatie en ik besef dat we nooit ongedaan kunnen maken wat Nederland in het verleden verkeerd heeft gedaan. Maar we kunnen er wel voor kiezen om nu in elk geval het goede te doen. Helaas draagt ons land ook in Palestina bij aan de onrechtvaardige situatie hier, maar ik probeer op mijn manier te streven naar gerechtigheid. Mijn geloof, ik ben christelijk, speelt daarbij ook een rol.
‘Ik blijf dit keer een maand op de boerderij, maar vorig jaar september was ik hier voor het eerst en toen heb ik geholpen bij de olijfoogst. Het is zwaar werk: we sjouwen veel water en rooien struiken met een pikhouweel, dat is echt wel pittig. Maar het is fijn om terug te zijn en de familie Nassar weer te zien. Onze aanwezigheid geeft hun rust. Als wij een klusje in de buurt van het hek doen, wordt er soms een middelvinger naar ons opgestoken, maar zij zouden daadwerkelijk worden mishandeld.
‘Op deze manier kunnen we ons witte privilege dus op een positieve manier inzetten. Je merkt bovendien hoe belangrijk fysieke solidariteit is: de familie is oprecht blij dat je naar hen toe komt, dat je de situatie in Palestina zo belangrijk vindt, en dat je er al je vakantiedagen voor over hebt om te helpen.’
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant