Home

Van oude foto’s uit Ghana tot beelden van ufo’s: deze fascinerende fotografie is nu te zien in Arles

Dwaal door het toonaangevende Franse fotofestival Rencontres d’Arles en u ziet genoeg fotografie die tot de verbeelding spreekt. Welke thema’s vallen op?

is kunstredacteur van de Volkskrant en schrijft over fotografie.

Dwaal door het toonaangevende Franse fotofestival Rencontres d’Arles en u ziet genoeg fotografie die tot de verbeelding spreekt. Welke thema’s vallen op?

is kunstredacteur van de Volkskrant en schrijft over fotografie.

Met 175 duizend bezoekers (in 2025) bij de tientallen tentoonstellingen in musea, galeries, voormalige kloosters en kerken in de zinderende Zuid-Franse stad aan de Rhône, mag Rencontres d’Arles zich tot de toonaangevende fotofestivals ter wereld rekenen. Hoelang nog, is de bange, onontkoombare vraag die menig bezoeker zich stilletjes stelt, tot al die ongekoelde tentoonstellingen worden verkast naar Reykjavik of Tromsø. Zolang die steden nog niet bezwijken onder schroeiende hitterecords, omringd door bosbranden of worden gebombardeerd door hagelkeien.

Nu ja, de 57ste editie houdt transpirerend, water drinkend, aan megaventilatoren klevend stand, met een aanbod dat ruim baan biedt aan vernieuwende fotografie, overzichten (onder meer van de vermaarde Amerikaan William Klein en de Belg Harry Gruyaert), milieu- en maatschappelijke kwesties en de condition humaine.

De nadruk bij die humanistische fotografie ligt op ontwikkelingen die hoop bieden, alternatieven aandragen voor de doodlopende wegen in de westerse samenleving: op fotografie die vrolijk stemt, verbaast. De actuele, harde nieuwsjournalistiek, de strijd in Oekraïne, de oorlog van ICE tegen migranten, en ja, de allesverterende bosbranden in Europa zijn, overdrachtelijk, ver weg.

Gedestilleerd uit het enorme aanbod in Arles: drie opvallende thema’s.

De hoop van Afrika

Hij mocht het niet meer meemaken, maar nu krijgt de Ivoriaanse fotograaf Paul Kodjo (1933-2021) dan toch de eer van een eerste grote overzichtstentoonstelling in Frankrijk. Kodjo behoorde, na de onafhankelijkheid van Ivoorkust in 1960, tot de culturele smaakmakers van de voormalige Franse kolonie en was de eerste die zich bekwaamde, zoals Ed van der Elsken in Parijs zou doen, in het genre van de fotoroman. Verhalende fotografie, opgebouwd als een stripverhaal, afgedrukt in een massamedium (het tijdschrift Ivoire Dimanche).

Het zijn glasheldere zwart-witbeelden met expressieve acteurs die het werk filmische kwaliteit verlenen. Mooi ook hoe de foto’s, vergelijkbaar met latere soaps, het moderne leven (hoogbouwarchitectuur) en de lifestyle van hun tijd weerspiegelen. Geen grotere luxe, zo lijkt het, dan een Oisterwijk-achtig wandmeubel in de woonkamer en een dito kast voor de beeldbuis.

Kodjo breidde in de economisch voorspoedige jaren zeventig zijn werkterrein uit naar de mode en het nachtleven. In de clubs van hoofdstad Abidjan legde hij dansende jongeren vast, in al hun ongeremde, coole vrijheid: de ene man bij de ander op schoot, een stelletje, close verstrengeld, flesjes Coca Cola op tafel, een platenspeler en genoeg vinyl tot het ochtendgloren.

Uit diezelfde periode – de burgeroorlogen uit latere decennia zijn ver weg – stammen ook de foto’s op de al net zo optimistisch gestemde expositie Ghana!, gewijd aan de eerste jaren van de onafhankelijkheid van dat eveneens West-Afrikaanse land. In 1957 maakte Ghana zich los van de Engelse kolonisator en kreeg de president Kwame Nkrumah de macht, die hij na verloop van jaren steeds despotischer naar zich toetrok.

Maar de eerste jaren zijn tijden van opbouw, nationaal en cultureel ontluiken, economische groei. Eerst zijn het (ook op de expositie) vooral buitenlandse fotografen die het beeld van het nieuwe Ghana vormgeven. Met als bekendste de Amerikaan Paul Strand. Vooral zijn portretten van jonge en oude Afrikanen stralen trots zelfbewustzijn uit. En, mooi, Strand vermeldt bij iedere foto de naam van de geportretteerde, wat zeker in die tijd nog verre van gebruikelijk was.

Schitterend zijn ook de straat- en modefoto’s van de Ghanees James Barnor, zwart-wit en veelkleurig, steeds de geest van avontuur en gewonnen vrijheid ademend.
Dat Nkrumah in 1966 werd afgezet, Ghana was hem beu, krijgt nauwelijks aandacht in Arles, en is ook niet belicht door de fotografen die sympathiseerden met zijn pan-Afrikaanse aspiraties. Achteraf kun je ze van naïviteit betichten, maar hoe verleidelijk moet de politieke geestdrift, aangevuurd door de jonge Nkrumah, aanvankelijk niet zijn geweest? Kleurige ansichtkaarten van anonymi met straatbeelden – ook weer hoogbouw –, postzegels, een vintage shirt in het Ghanese rood-geel-groen, maken het aanstekelijke enthousiasme bijna tastbaar.

Een hedendaagse correctie op de jubel van weleer vormen de geënsceneerde foto’s op groot formaat van de Ghanees Carlos Idun-Tawiah. Ze ademen de sfeer van toen: taferelen van alledag, bij de kapper, een jongen op de fiets, een wandelend gezin, vader en zoon in de trein. Gebeurtenissen die destijds door de doorsnee Ghanees niet werden vastgelegd met de camera. Met deze foto’s wil Idun-Tawiah de leeg gebleven familiealbums alsnog vullen.

De materie de baas

Bij meerdere tentoonstellingen is het de materie die mede het verhaal van de foto’s vertelt. Soms leidt dat tot zwaarwichtigheid, zoals bij de bactereografie van de in Frankrijk werkzame Lara Tabet en Yasmine Chemali. Ze gebruiken water uit havens, estuaria en industriële kusten bij de ontwikkeling van hun foto’s, waarbij de aangetroffen bacteriën (van onder meer candida, streptokokken en ontlasting) inwerken op de gevoelige filmlaag. Het leidt tot kleurrijke, abstracte beelden, groot gepresenteerd, met cijfermatige informatie over de aangetroffen micro-organismen. De diepere betekenis van de data ontging me, de visuele schoonheid niet.

Interessant ook zijn de grote prints van de Chinees Hu Weiyi. Hij formuleert een antwoord op Susan Sontags these in haar beroemde filosofische essay Regarding the Pain of Others, waarin ze stelt dat de cameralens een veilige afstand schept tussen fotograaf en onderwerp – wat hem kort gezegd laf maakt.

Hu Weiyi slecht die barrière met The Inner Darkroom door zijn fotonegatieven van landschappen te ontwikkelen met gebruikmaking van (onder meer) zijn eigen maagsappen. De inwerking van het zuur is onmiskenbaar, maar leidt ook tot schouderophalen. Het filmpje van de sonde die via de neus afdaalt naar de maag en de sapoogst is lastig te bekijken – ik zag het maar als een performance waarbij de handeling belangrijker is dan het eindresultaat.

Bij zulke gewichtigheid is het bevrijdend te dwalen door de tentoonstelling We Are Not Alone. Gewijd aan ufo’s, oftewel vliegende schotels, al dan niet ‘bemand’ door buitenaards leven. Of je daar nu in gelooft of niet (ik hield mijn twijfels), de foto’s van de onverklaarde fenomenen doen wonderen voor de fantasie. Met soms knullig bedrog, vaak bedenkelijke getuigenissen (‘Ze vertonen zich alleen als ik in mijn eentje ben’, en: ‘De CIA heeft mijn opnamen ingepikt en ik heb ze nooit teruggekregen.’). Hoe dan ook prachtig hoe de menselijke verbeeldingskracht en de misplaatste geloofwaardigheid van fotografie als bewijsmiddel hier samenkomen.

De menselijke factor

Een dochter die haar vader gedenkt, neo-hippies in Los Angeles die hun commune uit pre-socialemediatijden vieren en een onthutsend mooie straatfoto van een relatief onbekende zwarte Amerikaanse fotograaf: menselijke gedragingen en hun visuele en tastbare sporen blijven altijd tot de verbeelding spreken.

In een duistere galerieruimte gedenkt actrice Charlotte Gainsbourg haar vader Serge, de in 1991 vroeg overleden scandaleuze zanger en acteur en Frankrijks nationale kettingroker. In zijn voormalige woning in Parijs, nu museum, fotografeerde de dochter de voorwerpen waarin zijn ziel nog huist: het pakje Gitanes, zijn aansteker, afgetrapte witte schoenen, drankvoorraad, het ironische bordje ‘No Smoking’ en verwijzingen naar de hit Je t’aime, zijn hete hijgduet met Jane Birkin. Strenge foto’s zijn het, in zwart-wit, ingelijst in blinkend aluminium: een plechtige aangelegenheid, hoge kunst. Een verlaten thuis dat als een mausoleum oogt: treurig als dit de herinneringen van Charlotte weerspiegelt.

Gauw door naar de zweterige foto’s die getuigen van de House of Love, een hippieachtige gemeenschap, waar van 2009 tot 2015 afwisselend honderden gelijkgestemde (vrijwel alleen witte) kunstenaars, musici en andere ogenschijnlijk geprivilegieerde ‘creatieven’ een bent vormden, met gezamenlijk koken, eten en veel feesten rond de pool, het klotsend hart van de grote would-befamilie.

Fotograaf Shelby Duncan legde het allemaal vast, met voorspellende kracht vormt de intimiteit van haar werk een antwoord op de versplintering die sociale media juist begonnen te veroorzaken toen House of Love ophield te bestaan. Op een muur hangen de e-mails van lotgenoten met herinneringen. Kritische noten zijn er ook: ‘Het voelde als een bejaardenhuis voor jonge mensen.’

Krijgt House of Love een hele etage in het kruip-door-sluip-doorpand van een kunststichting, de zwarte Amerikaanse Ming Smith (79) heeft de hele vloer van de ontwijde St. Annekerk tot haar beschikking. Ze was de eerste zwarte fotograaf van wie werk (in 1975) werd aangekocht door het Moma in New York, en deze expositie bewijst hoe terecht dat is geweest. Jazzconcerten, stadsfoto’s en geënsceneerd werk, zoals een nachtmerrieachtig beeld dat refereert aan een bekende, schokkende nieuwsfoto van een zwart kind met moeder die in 1975 in Boston van een brandtrap vallen.

Smiths indrukwekkendste foto is evenwel die van een zwarte moeder en haar kind, buiten op een avond in de stad. De kleine klampt zich onder een overkapping van de telefooncel vast aan de moeder die in gesprek is aan de telefoon. Haar ernstige, geconcentreerde gezicht wordt door een straatlamp uitgelicht. Zo geheimzinnig, intiem en nieuwsgierig makend kan fotografie zijn. Alleen al Smiths foto’s maken de hitte doorstaan en de reis naar Arles de moeite waard.

Rencontres d’Arles, t/m 4/10.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next