Is het een nadeel om tijdens een Grand Prix-weekend in Q1 te moeten aantreden? Op het eerste gezicht lijkt het antwoord duidelijk: wie rechtstreeks naar Q2 gaat, heeft minder druk en hoeft maar één kwalificatiesessie te rijden. Toch vertellen de cijfers uit 2026 een ander verhaal. In zowel de MotoGP, Moto2 als Moto3 presteren de coureurs die vanuit Q1 doorstoten gemiddeld beter dan de positie die zij op basis van hun Q1-resultaat zouden innemen.
We bekeken de twaalf Grand Prix-weekenden van 2026 en analyseerden de resultaten van de coureurs die vanuit Q1 doorgingen naar Q2. Is Q1 daadwerkelijk een nadeel, of valt dat op basis van de cijfers behoorlijk mee?
In de MotoGP plaatsen de tien snelste coureurs uit de trainingen zich rechtstreeks voor Q2. De eerste twee uit Q1 vullen het veld van Q2 aan.
De snelste coureur uit Q1 kwalificeerde in 2026 gemiddeld tussen de vijfde en zesde plaats. Dat is aanzienlijk beter dan de elfde startpositie die deze coureur zou hebben gehad wanneer de eerste kwalificatie geen mogelijkheid zou bieden om alsnog door te gaan naar Q2. Vijf keer wist de snelste van Q1 zich zelfs op de tweede startplek te kwalificeren.
Een pole position bleef dit seizoen nog uit voor de snelste coureur in de eerste kwalificatie. Wel waren er sterke resultaten in de race. Marco Bezzecchi wist vanuit de eerste kwalificatie een overwinning te behalen, terwijl Francesco Bagnaia en Raul Fernandez het podium haalden. Slechts twee keer eindigde de snelste coureur uit Q1 buiten de top tien in een race.
De gemiddelde raceklassering voor de snelste coureur uit de eerste kwalificatie komt uit op de zevende plaats. Alleen Marc Marquez wist geen raceklassering neer te zetten, nadat hij tijdens de Sprint in Le Mans geblesseerd raakte.
Ook voor de nummer twee uit Q1 zijn de cijfers positief. Deze coureur kwalificeerde gemiddeld tussen de zevende en achtste positie. Fabio Di Giannantonio zorgde daarbij voor een opvallend hoogtepunt: hij wist als tweede snelste uit Q1 uiteindelijk pole position te pakken. Geen enkele coureur die tweede werd in de eerste kwalificatie kwalificeerde lager dan de tiende positie.
In de races was het beeld iets minder sterk. Alleen Franco Morbidelli eindigde vanuit buiten de top tien. Vier coureurs kwamen niet aan de finish, terwijl Di Giannantonio de enige was die een podiumplaats wist te behalen. Zonder de vier DNF’s komt het gemiddelde race-resultaat uit tussen de zevende en achtste positie.
Over beide Q1-posities ligt het gemiddelde kwalificatieresultaat daarmee tussen de zesde en zevende positie. Het gemiddelde race-resultaat komt uit tussen de negende en tiende plaats. Dat is duidelijk beter dan de elfde en twaalfde positie die beide coureurs zouden hebben gehad wanneer Q1 geen doorstroom naar Q2 zou bieden.
In de Moto2 gaan de veertien snelste coureurs rechtstreeks door naar Q2. Vanuit Q1 komen daar de eerste vier coureurs bij.
Voor de snelste coureur komt het gemiddelde kwalificatieresultaat uit tussen P9 en P10. Daniel Holgado was in 2026 liefst drie keer de snelste in Q1. In Brazilië wist hij dat om te zetten in pole position. In Assen zorgde Alberto Ferrandez eveneens voor een sterk resultaat door als snelste naar de tweede startpositie te rijden.
Holgado en Sergio Garcia waren de enige coureurs die vanuit Q1 lager dan de veertiende positie kwalificeerden. Holgado liet bovendien zien dat een Q1-route niet hoeft te betekenen dat een goed race-resultaat buiten bereik ligt. In Brazilië pakte hij zowel pole position als de overwinning. In Mugello eindigde hij vanuit Q1 opnieuw sterk met een derde plaats.
Het gemiddelde race-resultaat bedraagt tussen de tiende en elfde plaats.
Bij de tweede positie ligt het gemiddelde kwalificatieresultaat tussen de 12e en 13e plaats. Angel Piqueras is de enige coureur die vanuit deze positie de front row wist te bereiken. In vijf van de twaalf weekenden eindigde de tweede plaats buiten de top veertien.
Het gemiddelde race-resultaat bedraagt tussen de elfde en twaalfde posite. Een podiumplaats zat er niet in, al kwam Ortolá met P4 het dichtbij.
De derde plaats in Q1 laat opnieuw een interessant beeld zien. Het gemiddelde kwalificatieresultaat is tussen elf en twaalf, waarmee ook deze positie gemiddeld nog ruim binnen de top veertien valt. In drie van de twaalf gevallen werd buiten de top veertien gekwalificeerd. Geen enkele coureur wist vanuit deze positie beter dan P6 te kwalificeren.
In de races ligt het gemiddelde resultaat tussen P11 en P12, waarbij de DNF’s buiten beschouwing zijn gelaten.
Voor het laatste plekje wat recht geeft op Q2 wordt het verhaal iets minder positief. Met een gemiddelde kwalificatiepositie tussen de veertiende en vijftiende plaats is dit de enige Q1-positie die gemiddeld buiten de top veertien eindigt. Slechts twee keer werd vanuit deze positie in de top tien gekwalificeerd. Wel wisten coureurs drie keer tijdens de race de top tien te bereiken.
Wanneer alle vier de Q1-posities worden samengevoegd, komt het gemiddelde kwalificatieresultaat uit op de twaalfde plaats. Het gemiddelde race-resultaat ligt net in de punten op P14.
Ook in de Moto3 gaan de veertien snelste coureurs rechtstreeks naar Q2. De eerste vier uit Q1 krijgen vervolgens de laatste vier plaatsen in Q2.
Bij de snelste tijd ligt het gemiddelde kwalificatieresultaat op de elfde plaats. Een pole position werd vanuit deze positie nog niet behaald. Brian Uriarte kwam met een derde en vierde plaats het dichtst bij.
Drie van de twaalf keer kwalificeerde de snelste coureur buiten de top veertien. In de race was er wel een uitschieter: Uriarte wist na de snelste tijd in Q1 de overwinning te behalen. Daarmee is hij tot dusver de enige coureur die vanuit deze positie een podiumplaats wist te pakken.
Het gemiddelde race-resultaat komt uit op de twaalfde plaats.
Opvallend genoeg doet de coureur die de tweede tijd noteerde het in de Moto3 zelfs beter dan de snelste in Q1. Het gemiddelde kwalificatieresultaat bedraagt 10,58. Drie keer werd buiten de top veertien gekwalificeerd, maar vooral de racecijfers springen eruit.
Na het uitsluiten van drie DNF’s komt het gemiddelde race-resultaat in negen races uit tussen de zesde en zevende positie in de race. Zes van die negen resultaten waren bovendien goed voor een plek in de top zes.
De derde positie heeft met P10,50 zelfs het beste gemiddelde kwalificatieresultaat van de vier Q1-posities in de Moto3. Dat is opvallend, zeker omdat deze coureurs vier keer buiten de top veertien kwalificeerden.
Toch waren er ook sterke uitschieters. Zes van de twaalf resultaten eindigden in de top acht en David Muñoz wist na de derde tijd in Q1 de race als derde af te sluiten. Zonder de DNF’s ligt het gemiddelde race-resultaat tussen de twaalfde en dertiende positie.
De vierde tijd is opnieuw de minst gunstige positie. De gemiddelde kwalificatiepositie ligt tussen de dertiende en veertiende plaats. Slechts twee keer werd vanuit deze positie in de top tien gekwalificeerd, met P8 van Adrian Cruces als beste resultaat.
In de race komt het gemiddelde resultaat uit op P13.
Over alle vier de posities samen komt de Moto3 uit op een gemiddelde kwalificatiepositie van P11 en een gemiddeld race-resultaat van P13.
Wanneer alle cijfers naast elkaar worden gezet, ontstaat een opvallend beeld. In alle drie de klassen ligt het gemiddelde kwalificatieresultaat beter dan de positie waarop de coureurs zouden eindigen wanneer Q1 geen doorstroommogelijkheid naar Q2 zou bieden.
In de MotoGP is het verschil het grootst. De twee coureurs die vanuit Q1 doorgaan, kwalificeren gemiddeld op P6,50. In plaats van de elfde en twaalfde startpositie staan zij gemiddeld dus ruim in de top tien.
Ook in de Moto2 is het verschil duidelijk. De vier Q1-coureurs kwalificeren gemiddeld op P12, terwijl hun uitgangspositie zonder Q2 P15 tot en met P18 zou zijn. In de Moto3 is het gemiddelde resultaat P11,44, tegenover P15 tot en met P18 zonder de mogelijkheid om via Q1 door te stromen.
Ook de race-resultaten laten hetzelfde patroon zien. De gemiddelde raceklassering van de Q1-coureurs blijft in alle drie de klassen onder de posities die zij zouden hebben ingenomen zonder doorstroom naar Q2.
Op basis van de cijfers uit 2026 is de conclusie verrassend duidelijk: Q1 is cijfermatig geen nadeel. Sterker nog, de coureurs die vanuit Q1 doorgaan naar Q2 presteren gemiddeld aanzienlijk beter dan hun oorspronkelijke positie in Q1 zou doen vermoeden.
Dat betekent uiteraard niet dat Q1 een voordeel is. Een coureur die rechtstreeks naar Q2 gaat, hoeft geen extra kwalificatiesessie te rijden en heeft minder druk om binnen één korte sessie bij de eerste twee of vier te eindigen. Bovendien kost een extra kwalificatiesessie banden, energie en brengt het simpelweg meer risico met zich mee.
Maar puur gekeken naar de resultaten van 2026 is het verhaal anders. Wie in Q1 terechtkomt, is dus niet automatisch veroordeeld tot een slechte startpositie. En misschien is dat wel de belangrijkste conclusie: Q1 is vooral een nadeel als je er niet uitkomt. Zodra je bij de eerste twee of vier hoort, kan Q1 juist een uitstekende route naar een goede startpositie zijn.