Home

Vrouw verlaat de ratrace en trekt zich terug in een huisje aan zee: waarom zijn dit soort verhalen zo’n hype?

Stapels boeken verschijnen er over vrouwen die naar de kust trekken om een nieuw, eenvoudiger leven te beginnen. Met als grootste bestseller: De kreeftenvrouwen. Is het leven daar beter?

‘Mama, ben jij een tradwife?’ Dat vraagt een van haar zes jonge kinderen aan de verteller van Yesteryear, de opvallendste zomerbestseller.

Wij lezers weten allang dat die verteller een tradwife is, dat is namelijk de belangrijkste reden dat we dit boek hebben gekocht. Maar de verteller is gestoken door het woord uit de mond van haar dochter, de onschuld zelve – waar heeft het engeltje dat vandaan?

Het roept de vraag op wat nu precies de status is van het predicaat. Tradwife, is dat een scheldwoord? Een geuzennaam? Een marketingterm? Een garantie voor aandacht? Een combinatie van dat alles?

Het is in ieder geval een fenomeen, dat zoals zoveel mediafenomenen nauwelijks kan leven zonder zijn eigen verwerping. Het bestaat, wil ik maar zeggen, in oppositie. Ik ben een tradwife, omdat jij het afkeurt. En andersom. Ik ben woke – wat dat ook is – omdat jij het zo hartstochtelijk haat.

Yesteryear van de Amerikaanse Caro Claire Burke profiteert van dit tweesnijdend zwaard: het is een boek over tradwives voor mensen die tradwives haten, maar wel lekker lang in hun wereld willen marineren. Het gaat uit van dat perverse hedendaagse principe: hate-watching. Je onder het deftige mom van ‘kritiek’ onderdompelen in de geneugten en fantasieën van het haatobject. (Zie alle weelderige series en films van de afgelopen jaren die ons hebben laten genieten van het leven van de extreem rijken – zo immoreel!)

Overigens hoef je je je empathie maar heel even aan te zwengelen om te begrijpen wat er aanlokkelijk is aan de fantasiewereld van de tradwife. ‘Schrikbarend veel jonge vrouwen’, zo meldde de Volkskrant eerder dit jaar, belanden met een burn-out in de ziektewet. Onder dezelfde groep is het gebruik van ADHD-medicatie de afgelopen twintig jaar verzesvoudigd.

Werk en zorg combineren, zo kun je daaruit wel opmaken, is voor veel vrouwen helaas nog steeds tamelijk terror. In een commentaar werd in deze krant gesuggereerd dat het ‘afstoten van taken of bezigheden geen ‘teken van falen’ [zou] moeten zijn, maar een welbewuste keuze’.

Het afstoten van taken of bezigheden omdat je ze simpelweg niet allemaal kunt vervullen met de mate van perfectie die jij (of de samenleving) van jezelf verlangt. Ziedaar de kale kern van de tradwife-fantasie: een leven waarin je minder doet, zodat je dat wat je doet, goed kunt doen.

In dit geval: minder werken, meer zorgen. Een simpeler bestaan. Los van de politieke en economische implicaties een vrij menselijk verlangen, zou je denken.

Fantaseren over een simpel leven

Precies dat verlangen laat zich in minder gepolitiseerde vorm ook verderop in de Bestseller 60 bespeuren deze zomer. Op onze bestsellerlijst prijkt al ruim twintig weken soeverein De kreeftenvrouwen, het romandebuut van de Duitse Beatrix Gerstberger (1964). Ze biedt een deugdelijk alternatief voor de vrouw die graag fantaseert over een simpeler leven, maar het niet ziet zitten – anders dan die in Yesteryear – om daar de verworvenheden van de 20ste eeuw voor in te leveren.

De hoofdpersoon Mina, 30, is een vrouw alleen, die na het traumatische verlies van haar broer besluit terug te gaan naar de laatste plek waar ze gelukkig was: het fictieve Eagle Island, voor de kust van de Amerikaanse staat Maine. Daar bracht ze als kind vakanties door tussen de norse maar goedhartige kreeftenvissers. Daar werd ze als jong stadsmeisje bovendien verliefd op de stille visserszoon Sam, met zijn gebleekte lokken en mooie werkhanden.

Die Sam, natuurlijk, heeft het kustplaatsje nooit verlaten, en het belooft een natte, zilte zomer te worden daar rond Eagle Island…

Aan Bouquetreeks-clichés geen gebrek. Wat De kreeftenvrouwen desondanks tot een oorspronkelijke leeservaring maakt, zijn de twee vrouwelijke kreeftenvissers van middelbare leeftijd, wier verhalen met dat van Mina verweven raken. Julie, ten eerste, die net als Mina naar de kust is gekomen na een traumatische ervaring en zich het kreeftenvissen eigen heeft gemaakt. Ze is grofgebekt en ongeduldig, heeft een bloedhekel aan vraatzuchtige eekhoorns, maar ze heeft uiteraard een hart van goud.

Dat geldt ook voor de andere kreeftenvisser, Ann, een oudere lesbienne die haar grote liefde heeft weggejaagd met haar stugheid en nu alleen woont en praat tegen haar huisdier, een zeldzame blauwe kreeft genaamd Mr Darcy.

Deze Mr Darcy, die overal mee naartoe wordt gesleept in een emmertje water, is overigens het enige dat aan Jane Austen doet denken in deze roman; de vrouwen die de hoofdrol spelen hebben de sociale normen van hun stand laconiek overboord gegooid. Ze stinken naar vis en diesel, kammen hun haar niet meer, lopen in oude schipperstruien en kaplaarzen – vrijheid!

In het dorp Stone Harbour, waar de vrouwen wonen, wordt trouwens wel degelijk verstikkend geroddeld. Maar de bevrijding waar het hier om gaat is juist die van de stadsvrouw die het moderne leven ontvlucht om zich te laven aan de archaïsche eenvoud van het slaperige kustplaatsje.

Zee, zout, westenwind

De kreeftenvrouwen staat zo in een lange traditie van boeken over vrouwen die op de vlucht voor hun verleden/heden/zichzelf naar de kust trekken om de helderheid op te zoeken van de zee, het zout, de westenwind.

Die traditie heeft zelfs zozeer zijn eigen conventies dat je kunt spreken van een troop. Wat dat is laat zich uitleggen aan de hand van een oproep op Reddit die ik vond: ik ben dringend op zoek naar zo’n boek over een vrouw die opnieuw begint in een schattig plaatsje aan de kust. (Ik parafraseer.)

Deze gebruiker had maar even hoeven googlen: The Little Bookshop by the Sea, Meet Me at Seaside Cottage, Summer Days at Clifftop Cottage, Little Beach Street Bakery. Er is een hele industrie voor inwisselbare verhalen over vrouwen die aan de Engelse, Schotse, Ierse of Amerikaanse kust cottages betrekken en oude boekwinkeltjes gaan bestieren, bakkerijtjes soms ook, of booming boetiekjes waar ze handgemaakte teddyberen verkopen.

De fantasie van een nieuw, overzichtelijker bestaan gaat blijkbaar het beste hand in hand met een bescheiden businessplan (liefst een waarbij je je knutselpassie tot je werk kunt maken). Logisch ook, want het gaat in dit soort boeken vaak om vrouwen alleen, die plotseling voor zichzelf moeten zorgen.

De boeken beginnen, zoals het genrefictie betaamt, met een duidelijk breekpunt: een verhuizing, een bezoek van een lang verloren familielid, een kleine verstoring in de hechte gemeenschap die vaak het menselijk decor vormt van zulke verhalen.

Met die authentieke types schuurt het misschien eerst even, maar op een goed moment is er toch altijd de weldadigheid van de dorpse omgang: de warme groet van de eigenaar van het tentje waar je iedere dag je koffie haalt, het praatje met de postbode, de nurkse buurvrouw die in barre tijden stilzwijgend een ovenschaal op je stoep zet.

Het draait hier op het oog misschien om dezelfde nostalgische cottage core die de tradwife omringt. Het grote verschil is dat deze boeken vaak niet het kerngezin, maar vriendschap voorstellen als de ruggengraat van het leven.

Ja, er zijn mannen in De kreeftenvrouwen, er is seks op het glibberige dek van de kreeftenboot (‘Dit is de smerigste seks die ik ooit gehad heb!’). Ze zijn zachtaardig, die mannen, mysterieus, communicatief nogal beperkt, ze brengen je even het hoofd op hol, maar uiteindelijk, dat is duidelijk, gaat dit boek over vrouwen en hun vriendschappen.

Het zijn Julie en Ann die Mina door de jaren heen trouw blijven. Ja, en die koudbloedige Mr Darcy, die praktisch onsterfelijk blijkt.

Weg uit de ratrace

Er zijn prozaïsche verklaringen denkbaar voor waarom dit genre zo vruchtbaar is. Deze boeken worden geschreven voor het grootste lezerspubliek, vrouwen van middelbare leeftijd, door vrouwen van middelbare leeftijd, zoals Gerstberger, die voor het schrijven het liefst zelf naar zo’n kustplaatsje trekken (Gerstberger ging veelvuldig op retraite in Maine), of een huis hebben/ambiëren op Martha’s Vineyard.

Commercieel is het dan ook een handige move.

Je lift mee op een golf van vertrekporno (denk B&B Vol Liefde, Ik vertrek), waarmee de hypernerveuze consument na een dag zwoegen kan vluchten in de fantasie om die ellendige ratrace te verlaten en in een huis op een klif te gaan wonen.

Maar dat is typisch het cynisme van iemand in de ratrace.

De vrouw die vertrekt naar een afgelegen gebied mag dan een commerciële troop zijn, je kunt er nog altijd een oprechte poging in zien om zich te distantieren van de verstikkende eisen die de maatschappij stelt.

Ook in meer literaire fictie duikt het archetype steeds weer op. In Het huis dat alles zag, de nog te verschijnen tweede roman van Anton Wachterprijswinnaar Annemarie Haverkamp, is de hoofdpersoon na een groot verlies naar een desolate kuststreek vertrokken en heeft daar een bestseller geschreven.

Artistieke toewijding

In het onlangs vertaalde De opening van de Ierse schrijver Sara Baume is die kuststreek West Cork, waar schrijver en kunstenaar Baume bevrijding zoekt van woekerende Ierse vastgoedprijzen en de voortdurende afleiding van de stad. Ze woont en werkt daar met twee honden en een man, waarover ze letterlijk zegt dat ze eigenlijk liever geen relatie zou hebben – maar ja, ze werd nu eenmaal verliefd. Belangrijker in dit boek is haar vriendin Mollie, die wel helemaal alleen woont, aan het einde van een stijl en modderig pad.

Ook hier draait het om een vriendschap tussen twee vrouwen, allebei kunstenaar, die in de desolaatheid de monomane artistieke toewijding hopen te vinden waarnaar ze op zoek zijn.

Wat Baumes werk onderscheidt van de van politiek gespeende, escapistische goodread De kreeftenvrouwen, is dat het ook gaat over de economische werkelijkheid waarin haar kunstenaarschap bestaat. Naarmate ook West Cork veryupt en steeds meer charmante schuurgalerietjes plaatsmaken voor de volledig gerenoveerde vakantiehuizen van rijkaards uit Dublin, neemt ook de druk op haar leven toe. Aan de corrumperende commercie van de kunstwereld kun je bovendien ook in een charmant kustplaatsje moeilijk ontsnappen.

Of je nu hoge kunst maakt of teddyberen, de fantasie van een minder dwingend leven moet zich uiteindelijk onderwerpen aan die steeds dwingender wordende huizenmarktlogica: locatie, locatie, locatie.

Caro Claire Burke: Yesteryear. Uit het Engels vertaald door Thijs en Arjaan van Nimwegen. Indigo; 432 pagina’s; € 24,99.

Beatrix Gerstberger: De kreeftenvrouwen. Uit het Duits vertaald door Sylvia Wevers. HarperCollins; 400 pagina’s; € 23,99.

Sara Baume: De opening. Uit het Engels vertaald door Lette Vos. Koppernik; 240 pagina’s; € 26,50.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next