Tjitske Bennink-de Beer is 100 jaar. Ze is nog samen met haar twee jaar oudere man Jan. Zij ziet de zonzijde, hij meer de schaduwkant.
Tjitske Bennink-de Beer leeft nog zelfstandig met haar 102-jarige man Jan. Zij doet de was, strijkt en kookt. Hij rijdt dagelijks op zijn scootmobiel naar de supermarkt voor de boodschappen, maakt het ontbijt en schenkt ’s middags een borrel in. Jan is aanwezig bij een deel van het interview en geeft dan ook graag antwoord op vragen aan zijn vrouw. Hij vindt dat hun leven een beetje saai was, maar daar kijkt de 100-jarige Tjitske toch heel anders tegenaan.
Waar stond de wieg van uw ouders?
‘Ze zijn allebei in Friesland geboren, daarom heet ik Tjitske. Mijn moeder had het goed in haar jeugd, haar vader had een timmerbedrijf. Mijn vader was slechter af. Hij groeide op in een weeshuis in Dokkum. Al heel jong verloor hij zijn ouders, ik weet niet wat er met hen was gebeurd. Mijn moeder was zijn tweede vrouw. Zijn eerste gezin stierf aan de Spaanse griep. Met mijn moeder verhuisde hij van Leeuwarden naar Amsterdam, misschien omdat er meer werk was dan in Friesland.’
Hoe was de sfeer in jullie gezin?
‘Doorsnee. Ik had een lieve moeder met wie je lekker kon lachen. Ik was de jongste van vier kinderen, mijn moeder was al 45 toen ze mij kreeg, mijn vader was nog een paar jaar ouder. Ik speelde veel met andere kinderen op straat, met een tol en een bal, meer had je niet – we vermaakten ons goed en zeurden nergens om. We hadden geen fiets, en deden alles lopend.
‘Mijn vader was huisschilder en eigen baas. Ik zie hem nog roeren bij het mengen van verf. In de crisisjaren ging het moeilijker, steeds meer klanten betaalden de rekening niet, en hij kreeg minder opdrachten. Er waren weken dat er geen cent binnen kwam. Dat was mijn moeder van huis uit niet gewend, maar ze kon er goed mee omgaan. Er was altijd iets te eten.
‘Mijn oudste zus, die 11 jaar ouder was dan ik, ging werken in een apotheek, zo kwam er meer geld binnen. Op mijn veertiende had ik mijn eerste baan. Ik zat op een soort huishoudschool, waar een lerares mij tipte dat Nieuw Engeland, een dure modezaak aan het Koningsplein in Amsterdam, naaisters zocht. Ik werd aangenomen, samen met een vriendin. We moesten elke dag zes trappen lopen. Er was wel een lift, maar die was alleen voor de klanten. Ik heb er vier jaar gewerkt en leerde er veel, maar verdiende maar 3 gulden per week. Dat was schandalig weinig. Na de oorlog vond ik een baan bij een mantelatelier, waar ik 17 gulden per week kreeg.’
Hoe heeft u de oorlogsjaren beleefd?
‘Ik leerde mijn man kennen. Met een groep jongens en meisjes zouden we naar een voorstelling gaan van het dansorkest The Ramblers, in het Concertgebouw. We hadden al kaartjes. Maar er werden bommen op onze buurt in Amsterdam-Noord gegooid (17 juli 1943), er waren veel doden en gewonden. Ik was niet meer in de stemming om naar die voorstelling te gaan. Jan ging ook niet. Zo is het gekomen.’
Haar man vult aan: ‘Ik besloot ook niet te gaan en ging kijken of ik wat kon doen in de getroffen buurt. Daar kwam ik jou en je zus tegen, jullie waren met water aan het slepen; door het bombardement was de waterleiding stuk. Zo hebben we elkaar ontmoet, jij was 17, ik 19.’
Zij: ‘Ik weet nog dat ik zijn hartelijke lach zo leuk vond. Het was meteen aan. Samen gingen we vaak lopend naar boeren voor melk en eten. We waren natuurlijk niet de enigen, die boeren verdienden er goed aan tijdens de oorlog. Mijn moeder was al blij met een beetje melk, dan kon ze er pap van maken, een voedzaam hapje.’
Hij: ‘We vertrokken om 5 uur in de ochtend, weer thuis gingen we door naar ons werk. Ik werkte op een werf waar bootjes werden gebouwd.’
Hoe bouwden jullie na de oorlog een leven op, in een tijd van schaarste en woningnood?
Zij: ‘Er was niks. De winkels waren leeg.’
Hij: ‘De bovenburen van mijn ouders boden ons hun zolder aan. Toen konden we trouwen, in 1949. Een jaar later werd onze zoon geboren. Na vijf jaar moesten we weg, omdat die man tbc had. We kregen voorrang voor een nieuwbouwwoning. Sinds 1966 wonen we in dit huurhuis in Amsterdam-Osdorp.’
Hoe heeft u uw buurt in die zestig jaar zien veranderen?
Zij: ‘Er was een slootje achter ons huis waar onze drie kinderen leuk konden spelen. Van lieverlee liet de gemeente hem breder maken. Nu varen er grote boten voorbij.’
Hij: ‘In die beginjaren riep de conducteur bij het eindpunt van de tramlijn: ‘De Sahara!’. Het was hier één grote zandvlakte, waar een grote nieuwe wijk werd gebouwd. Aan de overkant van het slootje achter ons huis waren kassen, met de boeren maakten we vaak een praatje. Die zijn allemaal weg, dat gebied is ook volgebouwd.’
Zij: ‘Maar we kijken gelukkig uit op grote bomen achter de vaart.’
Hij: ‘In de buurt is minder contact dan vroeger. Wij zijn de laatsten van de eerste lichting die hier kwam wonen. Het eerste wat nieuwe bewoners deden, was een schutting om hun tuin plaatsen. Een praatje maken met de buren vanuit de tuin, zat er niet meer in. Er zijn hier veel buitenlanders komen wonen.’
Zij: ‘We hebben heel aardige buren.’
Hij: ‘Naast ons woont een vrouw uit Armenië. Ze heeft mij pas overeind geholpen toen ik was gevallen op zolder.’
Zij: ‘Ik had haar gebeld.’
Hij: ‘Ze heeft aangeboden de was te strijken en op te vouwen, maar dat wil jij zelf blijven doen.’
Zij: ‘Wat ik nog kan, doe ik zelf. Onze Marokkaanse buren aan de andere kant zijn ook behulpzaam.’
Hij: ‘Ja, en verderop woont een vrouw uit Curaçao, die hielp mij toen ik mijn hand had bezeerd. Onze huishoudelijke hulp komt uit Marokko. We hebben haar al 12 jaar en ik zou haar niet willen missen, ze is uitstékend.’
Is er iets waar u moeite mee heeft, anno 2026?
Zij: ‘Nee, eigenlijk niet.’
Hij: ‘Ik kan de snelle technologische veranderingen niet meer volgen. ING gaat vanaf oktober iets veranderen aan het digitaal overmaken van geld, waar ik een andere iPad voor nodig heb. Ik weet niet of die nieuwe methode mij gaat lukken. Dat vind ik moeilijk, want ik ben een man van de techniek. Ik heb 40 jaar bij de PTT gewerkt, op het versterkerstation, uiteindelijk werd ik chef. Eerst met kleine, later met grote apparaten en weer later via kabels, versterkten we het geluid, zodat steeds meer mensen op één telefoonlijn met elkaar konden praten. Dat er steeds minder gebeld wordt, vind ik ook lastig. Ik heb veel liever dat een instantie mij belt dan dat ze een e-mail sturen.’
U bent al 77 jaar getrouwd. Heb je elkaar dan nog iets te vertellen?
Hij: ‘Nee, eigenlijk niets meer.’
Zij: ‘Jawel, als we over onze herinneringen praten.’
Hij: ‘Als ons iets van vroeger te binnen schiet, ja.’ (Na een stilte:) ‘Ons leven was een beetje saai.’
Zij: ‘Dat vind ik niet. We hadden geen grote wensen, zo van: ik wil dit of dat. We zijn niet arm, we zijn niet rijk. We wonen hier mooi, heel vrij, met veel groen, dat maakt veel goed. We hebben altijd genoten van onze kinderen. Toen we een auto konden kopen, gingen we uitstapjes maken.’
Hij: ‘Ja, dat is waar. Tot mijn 95ste heb ik auto gereden. We kochten ook een caravan en maakten ANWB-reizen naar Ierland, Frankrijk, Corsica, Spanje en Portugal. We hebben het best naar onze zin gehad. Jij hebt heel goed voor onze kinderen gezorgd – en voor mij.’
Zij, lachend: ‘Ik lette al op of je die laatste woorden ook zou zeggen!’
Hij: ‘Nu is het andersom en zorgen de kinderen voor ons.’
Wanneer zijn jullie voor het laatst op vakantie geweest?
Zij: ‘Dat is lang geleden.’
Hij: ‘Met Bert en Nel naar Frankrijk, in 1998 of 1999.’
Zij: ‘Daarna zijn we het contact met hen verloren, ik weet niet waarom.’
Hij: ‘We hebben ze nog een paar keer gebeld, maar er werd niet opgenomen.’
(Na een stilte:)
Hij: ‘Toen onze zoon nog leefde, maakte hij vaak uitstapjes met ons. In 2018 is hij overleden, 67 jaar oud. Het gebeurde plotseling, hier, in onze woonkamer. Hij was bij ons op de koffie.’
Zij: ‘Ik hoor hem nog zeggen: ‘Mam, ik word niet lekker.’ Ik zat hier aan tafel achter de naaimachine, en zei: ‘Ga maar even zitten.’ Dat deed hij, en toen was het ineens gebeurd. Onvoorstelbaar.’
Hij: ‘Het was een enorme schok. Ook een kind verliezen kan gebeuren als je zo oud wordt.’
Zijn jullie bang elkaar te verliezen?
Zij: ‘Ja, nou!’
Hij: ‘Daar hebben we iets voor geregeld. Dat staat op papier. We willen niet alleen verder.’
geboren: 15 juli 1926 in Amsterdam-Noord
woont: zelfstandig, in Amsterdam
familie: haar man Jan (102 jaar), 3 kinderen (1 overleden), 6 kleinkinderen, 10 achterkleinkinderen
beroep: naaister
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant