Haar eerste roman in elf jaar is géén typisch relaas over stoppen met alcohol. De schrijver keert terug naar haar jeugd en vraagt zich af: hoe kon dit meisje Connie Palmen worden?
is literair recensent voor de Volkskrant. Ze schrijft met name over nieuwe Nederlandse fictie.
De allersaaiste kroeggesprekken zijn die met mensen die gestopt zijn met drinken. Ze voelen zich zo fit! Ze maken nooit meer ruzie! Écht contact met de mensen! Stoelgang van jewelste! 10 kilo kwijt! Ook mentaal! Je hoort het aan en bestelt nog maar een wijntje.
In juni werd bekendgemaakt dat Connie Palmen (1955) de Constantijn Huygens-prijs ontvangt voor haar gehele oeuvre. Verhalen, essays, artikelen, een boekenweekgeschenk en bovenal: zes romans die stuk voor stuk staan als een grachtenpand.
Haar succesdebuut De wetten (1991) katapulteerde haar als een ster de literaire wereld in en met haar laatste roman, Jij zegt het (2015) won ze de Libris Literatuurprijs. Alle boeken daartussenin waren spraakmakend, niet in de laatste plaats omdat sommige te lezen waren als sleutelromans waarin vrienden, geliefden en de rest van de grachtengordel voorbijtrok.
Dus als Palmen na elf jaar weer met een nieuwe roman komt, dan staat iedereen klaar. Vrij Nederland telde ongeduldig de dagen af tot de verschijning. In de Volkskrant stond direct een interview, in De Groene Amsterdammer een lange bespreking, in De Limburger een jubelrecensie (vijf sterren, uiteraard), NRC was kritischer met slechts twee ballen.
Wat je ook van haar moge vinden, Connie Palmen is de enige Nederlandse schrijver van wie je je kunt voorstellen dat ze een eigen merchandiselijn krijgt. Iemand die het barokke in haar zelfpresentatie niet schuwt. De filosofie! De liefde! Het schrijverschap! Haar reactie op het nieuws over de Constantijn Huygens-prijs: ‘Het was altijd schrijven of sterven.’ De volstrekte ironieloosheid van zo’n uitspraak wekt bewondering.
Over haar nieuwe boek, in het Volkskrant-interview: ‘Dit is het toppunt van wat ik aan eigen denkkracht in me heb.’
Op dezelfde onbeschroomde wijze heeft ze er nooit een geheim van gemaakt dat ze alcoholist was. Er waren optredens, op podia, in tv-uitzendingen, waar ze zich doorheen prevelde.
In 2018 lukte het haar om te stoppen met drinken. Later werd bekend dat ze aan een boek werkte met de veelzeggende titel Johnnie Walker. Ik dacht: Als het maar geen vervelend relaas wordt over hoe ze haar verslaving te boven kwam, over hoeveel beter het leven nu is, over haar stoelgang.
‘We woonden samen in een huis, we waren een familie. We beleefden jaren van lichtheid en van zwaarte, van vreugde en van droefenis, van wijsheid en van waanzin.’
De eerste zinnen. Die ‘we’, dat zijn natuurlijk Connie en Johnnie, dacht ik, maar nee: Palmen bedoelt haar broers en neemt daarmee een andere afslag dan verwacht. Terug naar Sint Odiliënberg, naar het hechte katholieke gezin met ‘vier jongens waarvan Connie de ergste is’, zoals Palmens moeder ooit zei.
En dan, een nazomeravond. We zien een 16-jarige Connie (of: een meisje in wie we Connie herkennen) op haar vermiljoenrode Vespa door de velden rijden. Stoppen bij een café met vitrage voor de ramen. Binnenlopen als een cowboy, bestellen aan de bar. Johnnie Walker: ‘de man die de daaropvolgende veertig jaar mijn onafscheidelijke metgezel en geliefde zou zijn’.
Waarom gaat een 16-jarig meisje – klassenvertegenwoordiger, uitblinker, stralende dochter – in haar eentje naar een café om zich daar, schijnbaar doelbewust, verslaafd te maken aan whisky? Dat is de vraag die Palmen impliciet stelt. Haar roman is een analyse: hoe kon uit dit meisje de schrijver Connie Palmen ontstaan?
Het antwoord ligt in het eerste woord van de roman: We. Het gezin, het hechtste verband waarin Palmen ooit verwikkeld zat. De gezinsleden lijken een zenuwstelsel te delen, ‘onlosmakelijk verstrengeld’, constateert een vriend. Maar Connie weet dat ze eruit los moet omdat ze schrijver moet worden. En ze weet dat ze schrijver moet worden omdat ze anders gek wordt. Misschien wel gevaarlijk gek. Zoals de terroristen, sekteleiders en seriemoordenaars voor wie ze een haast morbide fascinatie heeft. Ulrike Meinhof, Jim Jones, Jeffrey Dahmer.
Ze herkent iets in hen, een bepaalde houding: radicaliteit, obsessie, een sterk ego. Door te schrijven kanaliseert Palmen iets wat ook iets destructiefs had kunnen worden. Maar dan moet de ‘we’ een ‘ik’ worden. Johnnie Walker is ‘de enige die de af en toe opvlammende paniek kon temperen bij het vooruitzicht nooit meer zo bij anderen te horen als ik bij mijn familie had gehoord’.
Ze vertelt over haar moeder als ‘middelpuntvliedende kracht’, want ‘alle gezinnen draaien om degene die het meest lijdt’. Ze beschrijft hoe ze als meisje graag bij anderen thuiskwam om de omgang tussen de gezinsleden te bestuderen: ‘meestal heerste een van de gezinsleden over de anderen, het was zaak erachter te komen hoe het gezag werd uitgeoefend’. Ze begint over Abel, een charismatische jongen die het hele gezin inpalmt. Over de massazelfmoord van negenhonderd leden van de Peoples Temple. Het gaat, zoals in meer werk van Palmen, steeds over verbinding versus autonomie. Geef je je over aan de smorende warmte van een gezin, aan een sterke invloedssfeer, aan een ideologie? Of verzet je je?
Palmen koos het laatste, al had ze Johnnie Walker als bondgenoot nodig. Maar een verslaving die onafhankelijkheid verschaft, dat is ronduit paradoxaal. Dus móést ze uiteindelijk wel stoppen. Want paradoxen, daar is de puriteinse Palmen niet van. Het is alles of niets.
Ook wat betreft haar stijl, die als altijd stellig is, aforistisch en wegblijft uit het schemergebied van de ironie. Voor twijfel is geen plek (Palmen weet alles zeker en heeft nooit spijt), voor echte ontroering dus ook niet. Ik zou – de schrijver indachtig – willen kunnen zeggen dat haar nieuwste grandioos is óf juist verschrikkelijk! Nee, dat maakt het boek gewoon niet in me los. Dit is geen roman die je verpletterd achterlaat. Maar wie het al speurend leest, zoekend naar het intrigerende spoor dat Palmen achterliet, zal er zeker intellectueel plezier aan beleven.
Connie Palmen: Johnnie Walker. Prometheus; 228 pagina’s; € 23,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant