Home

Opinie: Onderwijs is meer dan een Pisa-score

Media en beleidsmakers staren zich blind op de resultaten van het internationale Pisa-onderzoek naar de cognitieve vaardigheden van 15-jarigen. Pisa geeft een versmald beeld van wat goed onderwijs is, en meet alleen in hoeverre het bijdraagt aan economische groei.

Je hoeft geen helderziende te zijn om te voorspellen hoe de media zullen reageren op het nieuwe Pisa-rapport, dat 8 september verschijnt. Boven het crisisverhaal zullen koppen prijken als: ‘Nederland zakt opnieuw op Pisa-ranglijst, ‘Onderwijs in vrije val en Leesvaardigheid op zorgwekkend niveau’. Weemoedig wordt verwezen naar de tijd dat we nog tot de ‘subtop’ behoorden. Inmiddels bivakkeren we in de ‘middenmoot’. Deze fixatie op cijfers en ranglijsten is misleidend en verarmt het onderwijsdebat.

Sinds 2000 onderzoekt Pisa, onder auspiciën van de Oeso (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling), de cognitieve vaardigheden van 15-jarigen in inmiddels 95 landen. Met gestandaardiseerde toetsen onderzoekt Pisa vaardigheden in een beperkt aantal domeinen: (moeder)taal, wiskunde en natuurwetenschappen. Op zichzelf interessant, alleen is het problematisch hoe Pisa, de media en beleidsmakers met de bevindingen omgaan.

Over de auteur

Thom van Duuren is publicist en leraar in het voortgezet onderwijs.

Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.

Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.

Moderne economieën

Zo claimt Pisa te kunnen meten ‘hoe goed leerlingen zijn voorbereid op de 21ste-eeuwse toekomst’ door zich te richten op ‘universele’ en ‘essentiële’ vaardigheden die moderne economieën belonen. Voor zulke vergaande claims ontbreekt empirisch bewijs. Bovendien weten we niet welke vaardigheden over twintig of dertig jaar onmisbaar zijn. Evenmin is er reden om aan te nemen dat eenzelfde set kennis en vaardigheden overal dezelfde waarde vertegenwoordigt. Samenlevingen verschillen nu eenmaal cultureel, politiek en economisch van elkaar. Een 15-jarige in Turkije staat voor andere uitdagingen dan een leeftijdsgenoot uit Noorwegen.

Het grootste probleem is dat Pisa een versmald beeld geeft van wat goed onderwijs is. Hoewel Pisa zegt niet de uitkomsten van nationale curricula te meten, claimt het tegelijk wel ‘waardevolle informatie’ te bieden over de mate waarin schoolsystemen succesvol zijn. Dat is misleidend. Dergelijke scores zijn immers niet rechtstreeks toe te schrijven aan het onderwijs alleen. Wat jongeren weten en kunnen wordt ook beïnvloed door factoren buiten de school. Betere Engelse vaardigheden zijn daarvan een bekend voorbeeld.

Angst voor verval

Veel zorgelijker is echter dat Pisa het onderwijs uitsluitend ziet als middel voor economische groei. Het richt zich alleen op vaardigheden waarvan wordt aangenomen dat ze in een door wetenschap en technologie gedreven samenleving van waarde zijn. Het onderwijs draait uiteraard om meer dan toerusting voor de arbeidsmarkt. Het beslaat doeldomeinen zoals het bieden van oriëntatie op de wereld en het leren samenleven met mensen die van je verschillen. Alleen vallen deze en vele andere wezenlijke onderdelen van onderwijs buiten Pisa’s blikveld.

Pisa wekt bovendien de indruk dat het de kwaliteit van onderwijs, de vaardigheden van jongeren en zelfs de toekomstige welvaart van landen betrouwbaar kan meten en voorspellen. Daarmee speelt het in op de angst voor economisch verval, zonder veel ruimte voor bescheidenheid of nuance.

In plaats van weerstand te bieden, gaan de media kritiekloos mee in de Pisa-logica. Neem journalist Sezen Moeliker: er wordt door haar ‘met smart gewacht’ op de nieuwe Pisa-resultaten – uit vrees dat leesvaardigheid opnieuw tegenvalt. Nederland scoorde volgens haar bij de laatste meting ‘zelfs onder het Oeso-gemiddelde’, wat ‘grote gevolgen voor de economie’ zou hebben. In 2023 schreef Trouw dat Nederland, na jarenlang steevast in de ‘top 5 van de Oeso-landen’ te zijn geëindigd, vanaf 2015 in ‘een vrije val’ terechtkwam. Inmiddels moet Nederland ‘liefst 28 van de 36 Oeso-landen boven zich dulden’.

Ondertussen voelen beleidsmakers de hete adem van de Pisa-doctrine in de nek. In het regeerakkoord lezen we: ‘Er moet iets veranderen’, want onze kinderen zijn ‘steeds minder goed gaan rekenen, lezen en schrijven; we blijven immers ‘achter op de internationale (Pisa-)lijsten’. Want ‘goed onderwijs is noodzakelijk om onze welvaart te behouden en het verdienvermogen te verbeteren’.

Autoritaire systemen

Dit betekent niet dat laaggeletterdheid geen probleem is of economische belangen geen rol mogen spelen. Wel wordt het onderwijsdebat in hoge mate gestuurd door de claims en bevindingen van een economisch instituut dat niet democratisch wordt gekozen of geleid.

Veelzeggend is bovendien dat jongeren in landen met hoge Pisa-scores vaak minder interesse hebben in de getoetste vakgebieden, minder vertrouwen hebben in ondernemerschap en een lager welzijn rapporteren. Zulke systemen zijn vaak sterk resultaatgericht en autoritair, met het risico dat hoge Pisa-scores ten koste gaan van andere onderwijsdoelen, aldus onderwijsexpert Yong Zhao.

We moeten ons zorgen maken over laaggeletterdheid en blijven streven naar beter onderwijs. Maar de centrale vraag is niet of Nederlandse leerlingen enkele plaatsen stijgen op een internationale ranglijst. De vraag is welk onderwijs wij onze leerlingen willen geven en waarom. Op die vraag geeft Pisa geen antwoord. De kwaliteit van onderwijs blijkt uiteindelijk niet uit de positie op een ranglijst, maar uit de mensen die het voortbrengt.

Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next