Wat fabrieken uitstoten, kun je soms ruiken. De een vindt het stinken, een ander vindt het fijn. En een derde raakt zo aan de geur gewend dat die verdwenen lijkt. Zo ging het in Tilburg na tien jaar met de zeeplucht die uit het kanaal kwam.
is regioverslaggever Zuid-Nederland van de Volkskrant.
‘Als je bij een vliegveld woont, wen je ook aan wat er over je huis komt.’ Zestiger Marilyn van Miltenburg – ‘ja, vernoemd naar dé Marilyn’ – laat haar hondje uit op het rode fietspad van de Dongensekanaaldijk pal naast het Wilhelminakanaal dat door Tilburg loopt. Uit dat kanaal, bij Sluis II, komt je onmiskenbaar een vreemde geur tegemoet ter hoogte van de nieuwbouwwijk Reeshof. ‘Ik weet dat dat luchtje er is’, zegt Van Miltenburg, ‘maar ik ruik het na al die jaren niet meer.’
In Nederland ervaart ruim 2 procent van de volwassenen ‘ernstige geurhinder’, blijkt uit de Atlas Leefomgeving. Open haarden, houtkachels, vuurkorven en barbecues wekken de meeste ergernis – er zijn gemeenten waar 8 procent van de inwoners erover klaagt. In de atlas staan ook kaarten over geuroverlast door industrie en waterzuivering. Die is voor circa 1,2 procent van de 18-plussers ‘ernstig’.
Op de atlaskaart ‘geurhinder door riolering en waterzuivering’ krijgt het gebied rondom het Tilburgse Wilhelminakanaal de donkerste kleur. Voor een buitenstaander die aan komt fietsen is meteen duidelijk waarom. Een aroma dat alom als ‘zeeplucht’ wordt omschreven, dringt zich op als er geen bomen staan tussen fietspad en kanaal. En als Sluis II dichterbij komt, wordt de reuk sterker.
In de serie De geur van Nederland trekken we deze zomer het land door, op zoek naar geuren die je meteen terugbrengen naar een plek, seizoen of herinnering.
Pal ernaast laat Ron Hehl (66) zijn honden Vesper en Truusje uit. ‘Ik weet niet beter’, zegt hij, ‘ik woon hier nu tien jaar en dat luchtje is er altijd geweest.’ Al die tijd heeft Hehl zich wel afgevraagd wat het toch voor lucht is. ‘Het is geen stank, het is niet penetrant, maar wel aanwezig. Ik houd het maar op wasverzachter. Ook omdat er soms schuim op het water ligt. Nu ook.’ Hehl wijst op de krachtige waterstroom uit de spui naast de sluis.
Ruim tien jaar geleden besloten vier industrieën verderop, waaronder geur- en smaakstoffenbedrijf IFF en Coca-Cola, hun afvalwater door één verwerker te laten zuiveren voor hergebruik. Het restwater wordt geloosd op het Wilhelminakanaal – legaal, er is een vergunning. Daar, aan het eind van een kilometer lange pijpleiding, ligt tussen uitbundige vegetatie een groen aangekoekt net in het water, alsof het een laatste filter is.
Dat de reuk het sterkst is bij de sluis, is volgens Rijkswaterstaat, de vergunningverlener, verklaarbaar. Daar wordt immers het water omgewoeld waardoor de zeeplucht, die eerder opgesloten zat, kan ontsnappen. Ook de binnenvaartschepen die over het Wilhelminakanaal varen, beroeren het water. Als ze passeren, laten ze een spoor van zeeplucht achter.
Volgens de wetenschap legt reuk in het brein een directe verbinding met emoties, waar bijvoorbeeld geluid en beeld dat indirect doen. Aldus kan een geur opeens en vanuit het onderbewustzijn als een tijdmachine gevoelens laten opborrelen die horen bij de momenten waarop die zich voor het eerst opdrong.
Veel jeugdherinneringen van stedelingen zijn verbonden met de reuk van inmiddels uit de stad verdwenen fabrieken. Vooral de voedingsindustrie heeft met zijn koffiebranders, brouwerijen, peperkoek- en cacaofabrieken geurherinneringen gemaakt. Vaak omschreven als een gevoel van thuiskomen.
In steden als Groningen en Breda leidde de verwerking van suikerbieten in de herfst tot een kenmerkend aroma, in Amsterdam was dat de Maggi-fabriek. Nijmegenaren hebben het wasmiddel Biotex in hun geurgeheugen, in de Zaanstreek zorgde een linoleumfabriek daarvoor.
Formeel veroorzaakt een fabriek die direct of indirect, via bijvoorbeeld een afvalwaterzuiveringsbedrijf, een bepaalde lucht verspreidt geuroverlast. In vergunningen staan afspraken over de uiterste zogenoemde hedonische waarde van de geur, van plus vier – heerlijk aangenaam – tot min vier – afschuwelijke stank.
Of een geurtje ook echt overlast geeft, is subjectief. Mogelijk denken de kinderen die dichtbij het Wilhelminakanaal zijn opgegroeid met plezier terug aan een fijne jeugd als ze later in hun leven die moeilijk te omschrijven zeeplucht ruiken. Zeker niet aangenaam, maar ook weer niet afschuwelijk.
Toen de zeeplucht nog nieuw was, kwamen bij Rijkswaterstaat tal van klachten binnen. Volgens de weg- en waterbeheerder is het uniek dat geurend afvalwater tot grieven van omwonenden leidt. De dienst heeft geen idee welke stofjes verantwoordelijk zijn voor het zeepachtige bouquet.
Omdat landelijk is afgesproken alle oudere lozingsvergunningen te vernieuwen, gaat Rijkswaterstaat dat ook doen met de vergunning voor het Tilburgse zuiveringsbedrijf dat verantwoordelijk is voor de zeeplucht. Geurhinder zal een rol spelen bij de vergunningverlening, al weten de ambtenaren nog niet hoe ze dat gaan aanpakken.
De afgelopen drie jaar bleef het aantal klachten beperkt tot één, zonder dat de odeur ook maar iets afnam. Door gewenning, verklaart elke wijkbewoner die je ernaar vraagt, signaleren zij die vreemde, zachte, ietwat zoete, zeepachtige geur niet meer.
‘Ja, nu je het zegt: als ik me erop concentreer ruik ik het.’ Een jonge omwonende die niet met zijn naam in de krant wil – ‘ik ben politieman’ – heeft zich nooit gestoord aan ‘dat weeïge, chemische luchtje’. Ook hij is er na al die jaren aan gewend geraakt. ‘Wat voor mij belangrijker is: schaadt het de gezondheid?’ De agent denkt van niet. ‘Want er loopt hier niemand met een derde arm of zo.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant