Oscar Peters heeft iets met horror. Fascinerend, vindt hij, dat mensen zo graag hun doodsangsten opzoeken, maar dan wel op een veilige, ludieke manier. Met die ambiguïteit in gedachten bouwde hij zijn kunstspookhuis in de Monopole in Schiedam: een even griezelig als geinig gebeuren.
schrijft voor de Volkskrant over hedendaagse beeldende kunst en taal.
Als Oscar Peters een goedgevulde zeecontainer op een vrachtauto wil laden, met onderdelen voor zijn solo-expositie in Schiedam, begint de kraan van ellende te steigeren en te piepen. Het gaat niet. Gewoon níét. ‘Ontluisterend’, vertelt Peters later die dag aan de telefoon. ‘Ik dacht dat alles bij elkaar 2.000 kilo woog, maar het bleek wel 6.500 kilo te zijn. Alles is veel zwaarder dan gedacht.’ Het is vier weken voor de opening.
Er zijn wel meer dingen aan deze tentoonstelling die groter worden, meer tijd kosten en heel anders lopen dan verwacht. Die eigenlijk gewoon volledig uit de hand lopen. Misschien begon het al bij het idee voor de expositie.
Vorig jaar, toen Peters kort mailcontact had met het Stedelijk Museum Schiedam over een ander kunstwerk van hem, liet hij zich ontvallen dat hij een groot bewegend doolhof wilde bouwen. Of ze daar niet toevallig ook belangstelling voor hadden. Tot zijn verbazing zagen ze het meteen zitten. Peters: ‘Geweldig toch, dat ik een plan voor een knalgroen bewegend doolhof kan pitchen en dat zij dan zeggen: ‘Ja, gaan we doen! Neem er maar een jaar de tijd voor.’’ Maar hij schrok ook. ‘Ik dacht: wát, echt?!’
Hij is er inderdaad een vol jaar mee bezig geweest, en de afgelopen tijd is er razend hard gewerkt om alles af te krijgen. Peters, een maand voor de opening: ‘Het hele museum is al die tijd heel enthousiast, en iedereen helpt mee. Ook deelnemers aan het jongerenprogramma van het museum schilderen mee, net als mensen van kantoor. De opbouwploeg van het museum had nog nooit zoiets meegemaakt. Het is heel fijn om te merken dat het enthousiasme voor mijn project zo aanstekelijk is.’
Inmiddels is het knalgroene bewegende doolhof bijna klaar. En de expositie bestaat uiteindelijk niet alleen uit een doolhof, nee, het is een groot kunstzinnig ‘spookhuis’ geworden, met schedels, een rondtollend zwaard, griezelige koppen van demonen en een subtiel klein spookje. Wat aanvankelijk begon als een idee voor één kunstinstallatie, groeide uit tot de grootste solo-expositie van Peters tot dusver. Het resultaat is vanaf zondag te zien in de Monopole, een nieuwe tentoonstellingsruimte van het Stedelijk Museum Schiedam die vorig jaar is geopend en waar het museum installatiekunst toont die niet netjes in de museumzalen past.
Veel mensen kennen Peters (45) als de ‘achtbaankunstenaar’. Hij bouwde in de loop der tijd verschillende spectaculaire houten achtbanen, onder meer in de Elektriciteitsfabriek in Den Haag. Op deze metershoge achtbaan raasden in plaats van mensen kunstwerken keihard rond in karretjes, een idee dat hij later ook uitvoerde in Japan en Berlijn, en dichter bij huis op festival Down the Rabbit Hole.
Voordat Peters bij een groter publiek bekend werd met die achtbanen en andere bewegende kunstinstallaties, kenden mensen in het kunstcircuit hem soms ook al van de ‘suikerspintornadomachine’ die hij met zijn goede vriend en collega Zoro Feigl bouwde in hun studietijd aan de Gerrit Rietveld Academie. De machine, die suikerspinsels dolgedraaid de ruimte in slingerde en iedereen plakkerig maakte, was een hit op openingen en feestjes in de kunstwereld. Sindsdien heeft Peters ook jarenlang gewerkt met Feigl, die na de kunstacademie uitgroeide tot een van Nederlands bekendste kinetische kunstenaars.
Achtbanen en suikerspinmachines: het mag duidelijk zijn dat Peters van kunst houdt die de spanning opzoekt en tegen het entertainment aanschuurt. Van kunst die beweegt. En blijkbaar houdt hij niet alleen van pretparken en kermissen, maar ook van spookhuizen.
Een paar weken voordat de expositie opent, leidt Peters de Volkskrant rond door zijn spookhuis in wording in de Monopole. Overal liggen potten houtverf, rollers, kwasten, lijm, emmers en afdekfolie. Er zijn drie mannen van de opbouwploeg druk aan het werk. Panelen van het labyrint draaien rond. Er klinken stofzuigers, boren, gehamer en geklop.
Misschien is hij een beetje hyper van de spanning, maar Peters hoeft nauwelijks een vraag te krijgen om te beginnen met vertellen – hij gaat simpelweg aan en stopt niet meer. Hooguit om af en toe even hard en aanstekelijk te lachen. Hij is een wervelwind.
Peters’ rondleiding door de Monopole bestaat uit dit soort zinnen: ‘Kijk, je komt binnen door deze muil, die wordt nog geschilderd.’ Over een serie griezelige tronies die hoog aan de muur hangen: ‘Die zijn van zacht rubber, ze voelen heel lekker aan, al zie je dat niet.’ En: ‘Hier komt een geabstraheerde skelettenboom, met van die slappe, schuddende skeletten, geïnspireerd door Goya’s serie De gruwelen van de oorlog, ken je dat, van die aan stukken gehakte mensen aan een boom?’ Over een kamertje waar nog een stapeltje schedels zal komen: ‘Die gaan daar lekker liggen lachen met zijn drieën.’
Wat trekt Peters zo aan in spookhuizen? Peters: ‘Spookhuizen zijn saai én spannend tegelijk. Ze zijn glad afgewerkt en geairbrusht, maar als je beter kijkt, zijn het ook prachtige folkart-achtige sculpturen die vaak heel goed gemaakt zijn. Waarin de hysterische kleuren en het schreeuwerige spektakel van de kermis samenkomen met onze horrorfantasieën over de middeleeuwen en met het heel-erg-lelijke van kinderspeelgoed – hoewel, ik vind dat persoonlijk dus eigenlijk heel mooi.’
Zelf heeft Peters van jongs af aan al een voorliefde voor horror en eng speelgoed. Op de middelbare school maakte hij met behulp van de docent handvaardigheid zelfs een korte horrorfilm, waarvoor hij de schoolkantine met 40 liter koeienbloed omtoverde tot een bloedbad – hij won er de aanmoedigingsprijs mee van het Noord Nederlands Filmfestival. (Peters, tussen neus en lippen: ‘Eigenlijk ging die film natuurlijk over doodgaan van binnen als iemand je hart breekt.’)
Later groeide zijn voorliefde uit tot een fascinatie voor het gegeven dat wij mensen zo van griezelen houden. Is het niet vreemd dat we zo graag onze doodsangsten opzoeken, maar dan wel altijd op van die veilige, ludieke en sociaal geaccepteerde manieren, bijvoorbeeld in spookhuizen en door naar enge films te kijken?
Peters: ‘We beginnen daar al heel jong mee, ook kinderspeelgoed is vaak doodeng. Ik heb bijvoorbeeld twee poppetjes van skeletten in ruimtepakken. Stel je eens voor wat een gruwelijk angstaanjagende dood dat moet zijn geweest! Ergens in het heelal te sterven, in je ruimtepak, en dan een skelet worden. Eenzamer kun je het je niet voorstellen. En dat is dan kinderspeelgoed. Zo gruwelijk naar en grotesk.’
‘In al dat soort beeldtaal van speelgoed, spookhuizen en films zit een moeilijk te duiden ambiguïteit. Dat vind ik fascinerend. Want echt geweld, echt sterven, dat is zo intens naar, daar willen we juist ver van blijven. Als we écht doodgaan in het échte leven, dan zijn daar maar weinig rituelen en vormen voor. Op begrafenissen krijg je cake en slappe koffie. En daarna praat je er niet meer over.’
Hij denkt even na: ‘Waarom is griezelen en dwepen met geweld en de dood in onze vrije tijd dan zo’n groot onderdeel van ons leven? In mijn tentoonstelling wil ik iets van die ambiguïteit zichtbaar maken en blootleggen.’
Hij wijst op een onthoofde horrorpaashaas die aan het plafond hangt. ‘Die draait zo meteen vrolijk rondjes.’ Het onthoofde dier is een horror trope, een bekend beeld uit de visuele cultuur. ‘Heel leuk natuurlijk, maar wat voor naargeestigs en gruwelijks ligt er eigenlijk aan zoiets ten grondslag?’
Peters’ doolhof is uiteindelijk een tot de kern teruggebracht, ‘minder geairbrusht, gestript’ doolhof, waarin je niet echt kunt verdwalen. Wie aan het eind ervan aankomt, treft daar de Dood, in een verder lege, kermisachtige ticket booth. Peters: ‘Het bewegende doolhof waarna de Dood op je wacht, verbeeldt voor mij niet alleen het leven, maar ook de angst je verstand te verliezen. Bijvoorbeeld bij een psychose, of dementie, waarbij je niet meer op de werkelijkheid kan vertrouwen. Tegelijkertijd is het een leuke felle sculptuur, bijna een soort speelgoed.’ Vrolijk: ‘Mijn tentoonstelling zal door bezoekers vast veel speelser geïnterpreteerd worden. Humor maakt rauwe bonen zoet, en knallende kleuren doen dat ook.’
Terwijl de expositie om hem heen verder wordt opgebouwd, vertelt Peters dat inmiddels zelfs Annemieke Olthuijs, hoofd tentoonstellingen, de afgelopen weken met kwasten en felgroene verf in de weer is geweest. Olthuijs is vandaag ook aanwezig in de Monopole en komt tijdens het gesprek geregeld ‘eventjes Oscar lenen’, om nog wat laatste dingen af te vinken. Om hem een stel net bezorgde stickers te laten zien. (Peters: ‘Sick!’)
In een van de bovenste kamertjes in het gebouw wordt nog een inspiratiekamer ingericht bij de expositie. ‘Eigenlijk een rariteitenkabinet’, aldus Peters. ‘Met allerlei zooi die ik in mijn leven verzameld heb.’ Het is zorgvuldig en liefdevol verzamelde ‘zooi’: Japanse horrorboeken, He-Manpoppen, oud speelgoed, vintage comics zoals Creepy, pop-upboeken van spookhuizen. En heel veel bordspelen, met titels als Spökjakten en El Castillo del Vampiro.
Peters begint te vertellen over een berg aan bijzondere bijzaken bij de expositie. Ter gelegenheid van de tentoonstelling verschijnt een publicatie met een essay van zijn hand over de relatie tussen humor en horror. Er komt een griezelige snoepautomaat bij de uitgang van het museum. Met T-shirts met daarop Peters als duivel. En speciale Barbarian-chocoladerepen van een lokale chocoladefabriek. ‘En nog een boekje dat ik samen met mijn vriendin Chris Wienk heb gemaakt. Kijk, daarvoor heb ik tweeduizend met de hand gestanste omslagen laten drukken.’
En er komt een Halloweenfeest in de tentoonstellingsruimte. ‘Het zou helemaal leuk zijn als we gouden wikkels konden verstoppen in de chocoladerepen, en dat je dan met een Golden Ticket naar het feest mag. Had ik je trouwens al verteld over de animatie en de audiotour? Nee?’
Peters is heel eventjes stil. ‘Dat komt omdat ik gewoon veel te enthousiast ben over alles.’
Barbarian – Een ‘spookhuis’ van Oscar Peters, 13/9 t/m 17/5, Monopole, Schiedam.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant