De Europese industrie wordt in rap tempo weggeconcurreerd door Chinese bedrijven. Dat komt voor een belangrijk deel door de enorme overheidssteun, meent Brussel. Waar haalt Beijing dat geld eigenlijk vandaan?
is correspondent China voor de Volkskrant. Ze woont in Beijing.
Eerst stortte de Europese zonnepanelenindustrie in, toen kwamen de Europese windturbinebouwers onder zware druk te staan. Maar de onrust is pas echt groot nu de Chinese concurrentie Europa in het industriële hart raakt: de Duitse auto-industrie. Volkswagen alleen al wil de komende jaren 100 duizend banen schrappen. In de Duitse industrie als geheel verdwijnen momenteel maandelijks zo’n 12- tot 15 duizend arbeidsplaatsen, aldus de Duitse centrale bank.
Dat Chinese bedrijven zo snel terrein winnen, komt volgens Brussel voor een belangrijk deel door de enorme financiële hulp die ze van de Chinese overheid krijgen. Zo wordt onder meer de prijs van Chinese elektrische auto’s ‘kunstmatig laag gehouden’, zei Commissievoorzitter Ursula von der Leyen al in 2023, bij de aankondiging van een antisubsidieonderzoek naar de Chinese EV-sector.
Beijing verwerpt die kritiek. Het verwijt Europa dat het zich een slechte verliezer toont nu Europese bedrijven op de vrije markt het onderspit delven tegen meer innovatieve Chinese concurrenten. Ook noemt het handelsministerie de eigen industriepolitiek doodnormaal: de subsidies voor onderzoek, belastingvoordelen en goedkope leningen passen binnen een ‘breed geaccepteerde internationale praktijk’.
Eerlijk of niet, de Chinese industriesteun is uitzonderlijk groot. Een brede raming van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) schat die op zo’n 800 miljard dollar per jaar. Cijfers van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso) laten zien dat Chinese bedrijven drie tot acht keer zo veel steun ontvangen als bedrijven in andere ontwikkelde economieën. Hoe bekostigt Beijing die gigantische uitgaven?
‘Uiteindelijk is het natuurlijk altijd de gewone Chinees die betaalt wat de overheid uitgeeft’, zegt econoom Bert Hofman van de Nationale Universiteit van Singapore, voormalig China-directeur van de Wereldbank. Toch zul je geen Chinees horen klagen dat de steun voor de robot- of chipindustrie ‘van onze belastingcenten’ betaald wordt: de inkomstenbelasting brengt in China relatief weinig op, en op de overheidsbegroting is bij lange na geen 800 miljard dollar terug te vinden.
Maar als het geld niet direct uit de staatskas komt, waar komt het dan wel vandaan? Een belangrijke vorm van steun is de goedkope grond, die al decennia beschikbaar wordt gesteld aan bedrijven. De burger betaalt daarvoor indirect de prijs, zegt Hofman: de overheid loopt inkomsten mis die ze anders aan bijvoorbeeld scholen of gezondheidszorg had kunnen besteden. Die verloren inkomsten schat het IMF op ongeveer een tiende van de totale industriesteun.
De belangrijkste bijdrage leveren Chinese burgers echter met hun spaargeld, zegt econoom Alicia García-Herrero, verbonden aan denktank Bruegel. Chinese huishoudens zijn wereldkampioen sparen: maar liefst een vijfde van het bbp wordt jaarlijks door hen opzijgezet. Dat is ongeveer drie keer zo veel als in andere landen met een ontwikkelde economie, blijkens IMF-cijfers.
Op dat spaargeld krijgen Chinezen nauwelijks rente. Dat kunstmatig laag houden van de spaarrente noemen economen ook wel ‘financiële repressie’. Die geeft banken de beschikking over enorme hoeveelheden goedkoop geld, die ze vervolgens weer goedkoop kunnen uitlenen aan bedrijven.
Toch blijven Chinezen veel sparen. Dat komt doordat het sociale vangnet beperkt is: zo kent China lage pensioenen en duur onderwijs. Op hun oude dag en in geval van nood moeten Chinezen dus altijd kunnen terugvallen op hun eigen spaarpotje.
Aantrekkelijke alternatieven voor sparen zijn er ook niet: de vrijheid om over de grens te beleggen is beperkt, de eigen aandelenmarkt is al jaren volatiel, en beleggen in vastgoed is geen goede optie: sinds het uitbreken van de vastgoedcrisis in 2021 dalen de huizenprijzen nog steeds.
Toch is deze ‘subsidie van Chinese huishoudens aan de Chinese industrie’, zoals García-Herrero het noemt, geen strak door Beijing aangestuurde geldmachine. Zo zijn het veelal lokale overheden die goedkope grond aanbieden aan bedrijven, die passen binnen de sectoren die van Beijing prioriteit moeten krijgen – eerder bijvoorbeeld elektrische auto’s, nu robotica.
Die lokale belangen verklaren waarom er momenteel in China tientallen elektrische auto-bedrijven bestaan, waarvan er slechts zo’n drie winst maken. Een deel van de rest zijn zogeheten zieltogende ‘zombiebedrijven’, enkel op de been gehouden door lokale overheden om lokale banen te beschermen. ‘Er gaat dus ook een hoop mis in de industriepolitiek’, zegt econoom Hofman. Een deel van de staatssteun in China wordt volgens hem zelfs tegen de wens van de centrale overheid in verstrekt.
Toch is de fundamentele keuze voor dit systeem volgens García-Herrero wel degelijk politiek: Beijing geeft investeren in de industrie immers voorrang boven steun aan huishoudens. Bij betere sociale voorzieningen zouden Chinezen minder hoeven sparen, maar daarmee zou de staat een goedkope geldbron verliezen. De Chinese leider Xi Jinping waarschuwt bovendien voor het ‘welfarisme’ dat zulke voorzieningen zou creëren: luie en afhankelijke Chinese burgers.
Dat gewone Chinezen zo een belangrijk deel van de industriële modernisering subsidiëren, is geen onderwerp van het publieke debat in China, dat onder strenge censuur staat. Wel benadrukt Xi veelvuldig dat de Chinezen, om de ‘grote wederopstanding’ van China als grootmacht te bewerkstelligen, de komende jaren nog bereid moeten zijn om grote offers te brengen – in Chinese bewoordingen: ‘bitterheid eten’.
Niet dat de Chinezen veel te kiezen hebben. Voor ander economisch beleid stemmen is immers niet mogelijk. ‘Die politieke afscherming is een reëel voordeel voor een door investeringen aangestuurd industriebeleid’, stelt econoom García-Herrero. ‘Maar het is geen bewijs dat het model kosteloos of stabiel is.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant