Van alle kanten klonk 25 jaar geleden afschuw: Marokkaanse jongeren in Ede zouden na de terreuraanslagen van 9/11 feest hebben gevierd op straat. Het bleek niet waar. Maar toenmalig leraar Saïd el Bachrioui zag wat de beschuldiging met de jeugd in zijn wijk deed. ‘Het werd politiek gemaakt. Dat was heftig.’
Toine Heijmans is rondreizend columnist van de Volkskrant. Daarnaast is hij romanschrijver.
Saïd el Bachrioui (62) was leraar op een islamitische basisschool in Ede, toen het nieuws kwam dat Marokkaanse jongeren feestvierden in zijn buurt na de terreur van 11 september. Dat bleek niet waar, een persbericht van de politie met die strekking werd herroepen, toch bleef het verhaal een eigen leven leiden.
De wijk waar het gebeurde, Veldhuizen A, was voor even wereldberoemd. El Bachrioui probeerde de boel bij elkaar te houden, schipperend tussen journalisten, autoriteiten, buurtbewoners en jeugd. Jarenlang bleef hij zich inzetten voor leefbaarheid en begrip, op school en als voorzitter van de stichting Irshad, die hij met andere vrijwilligers had opgericht.
Dit artikel is onderdeel van een serie over de aanslagen van 11 september 2001 en de levens die erdoor een andere wending namen.
Het bleef onrustig in de buurt, een nieuwe generatie groeide op in een polariserend Nederland. We spraken elkaar met enige regelmaat. Nu zegt hij: ‘Ik bemoei me nergens meer mee. Dat heeft me pijn gedaan, want er is nog zoveel werk nodig. Maar ik ben op, en dat heeft ook met de gebeurtenissen van toen te maken.’
Het is 25 jaar geleden – wat is uw sterkste herinnering aan die dagen?
‘Televisie, kranten, journalisten, de burgemeester, wethouders, politie, de minister, de jongeren zelf… het ging maar door. Het overviel ons, er was geen tijd om te analyseren, ik moest meteen reageren. Ineens was ik het aanspreekpunt van een gemeenschap. En dat heeft lang geduurd.
‘Ik was er niet bij, dus ik wist niet of het waar was dat ze feest hadden gevierd. Later bleek pas dat het niet klopte. En wat doen die jongeren als ze in de belangstelling staan… die doen er een schepje bovenop.’
Ze waren nogal vijandig naar de pers.
‘Ja, omdat ze jou niet kenden. Als je begrijpt hoe ze in elkaar zitten, verwacht je niet anders.’
Wat gebeurde er die avond?
‘Ze waren rotzooi aan het trappen. Zoals vaker. Toen kwam de politie erbij, en zijn ze nog meer gaan uitdagen. In de wijk was voor die jongeren niks te doen. Daarom waren we ook met die stichting begonnen, een paar jaar eerder. Dat speelde al langer, net als in veel andere Nederlandse steden, met andere jongeren. Maar als je Marokkaan bent, krijgt het meteen een andere lading. Dan moet je jezelf verantwoorden, en wordt het alleen maar erger. Zeker na 11 september.’
U kende die jongeren van school.
‘Sommigen had ik in de klas gehad, de rest kende ik uit de wijk. Dus ik ging rondlopen, praten, ook met de ouders, buurtbewoners.’
We hebben destijds in het Irshad-kantoortje met ze gesproken, Tweede Kamerlid Khadija Arib (PvdA) was er ook bij, en daar waren ze vooral heel boos op de politie. Over hun eigen gedrag ging het niet.
‘Dat was frustratie. Zo’n eerste gesprek willen ze even laten weten wie ze zijn. Daarom heb je een derde gesprek nodig, en een vierde. En het klopt wel, de politie was heel hard tegen deze groep, dat was beleid. Die jongens werden opgejaagd, gevolgd als ze uitgingen. Daarom reageerden ze ook zo, toen de agenten kwamen op die avond.
‘Ja, ze kunnen irritant zijn. Je hebt altijd een paar heel vervelende types, en die nemen de anderen mee. Het zijn een-op-een vaak aardige jongens, hè? Maar in zo’n groepsverband gaan ze stoer doen. Ik ga altijd het gesprek aan, dat helpt. Geloof me, als je iets wilt bereiken met die jongeren, moet je met ze leren omgaan. Niet meteen aanvallen, dat werkt averechts. Je moet die jongens houvast geven, zeker als ze dat in hun opvoeding niet krijgen.
‘We vergeten dat er in wijken als Veldhuizen A veel mensen zijn die nauwelijks kunnen rondkomen. Daar is weinig aandacht voor, in deze tijd. Dat is een groot maatschappelijk probleem. Hier in deze flat wonen mensen die gescheiden zijn, alleenstaande moeders, Syrische vluchtelingen – wie komt er voor ze op?’
Ineens kwam de vraag: in hoeverre zijn deze jongeren politiek bewust?
‘Het klopt wel dat ze op een bepaalde manier naar de wereld kijken. Thuis horen en zien ze wat Israël doet, wat Amerika doet. Maar terreur goedpraten… Het gevolg was dat ze ineens moesten kiezen: aan welke kant sta je? Dat geldt ook voor de nieuwe generaties. Er is geen enkele ruimte meer voor nuance of debat: het is wit of zwart.
‘Er werd een vergrootglas gezet op gedrag van een bepaalde leeftijdsgroep, en dat werd politiek gemaakt. Dat was heftig.’
Wat betekende 11 september voor de multiculturele samenleving?
‘Het was een startschot voor nog meer polarisatie. Het is normaal geworden om extreme uitspraken te doen over Marokkanen of moslims, zelfs in de Tweede Kamer en in het kabinet. Het is verankerd geraakt in de politiek en de maatschappij. Niet alleen in Nederland, maar wereldwijd.
‘Hele groepen Nederlanders worden als vreemdelingen gezien. Die horen nergens bij, dat is hun gevoel. Ze horen: ga terug naar je eigen land, ook al zijn ze hier geboren. Inmiddels gaat het hardop over ‘remigratie’. Letterlijk. Het is zo vreselijk hard geworden – wat verwacht je dan?
‘Er zijn geen leiders meer die zeggen: zo gaan we niet met elkaar om. Die proberen de polarisatie tegen te gaan. Het is eerder andersom. Het lijkt wel alsof niemand dat meer durft. Politici zijn bezig met randproblemen, omdat het ze stemmen oplevert. Daarom geven ze de schuld van grote kwesties aan mensen met een andere afkomst. Het gebrek aan woningen – ligt dat aan de vluchtelingen?
‘Dat maakt het moeilijk optimistisch te blijven. Mijn eigen kinderen kwamen heel goed terecht, en daar hebben ze heel hard voor gewerkt. Toch maak ik me zorgen – hoe gaat dat verder?’
De jongeren van toen zullen nu tegen de 40 lopen.
‘Het gaat de meesten goed, daar ben ik blij mee. Ze hebben mooie banen, gezinnen… ze spreken me nog aan met ‘meester’, in de winkel. Zo gaat dat: ze worden rustiger.’
Hoe bent u zelf opgegroeid?
‘Ik was ook niet leuk, ik was niet gemakkelijk. Tot mijn 21ste was ik in Marokko, in Al Hoceima, een marxistische jongen actief in de studenten-vrijheidsbeweging. Het was niet veilig meer om te blijven, ik zwierf drie jaar door Europa: Spanje, Frankrijk, Zwitserland. Uiteindelijk kwam ik in Arnhem terecht, studeerde aan de katholieke pabo. Een medestudent werkte hier in Ede en zei: dit is een leuke school. Binnen drie jaar was ik directeur, maar dat vond ik niks. Leraar is mijn vak.
‘Ik was streng. Dat hebben die jongeren nodig, ook omdat ze vaak thuis niet gezien worden. Dat ligt niet aan die ouders, die hebben nooit echt steun gekregen bij het opvoeden. Daarover sprak ik vaak met ze, probeerde het uit te leggen.’
Zag u het als een opdracht om u in te zetten voor de wijk?
‘Ik was leraar, ik was voorzitter van de stichting, er moest wat gebeuren. Dus ja, het was mijn verantwoordelijkheid. Uiteindelijk draait het om de vraag: hoe ga je met elkaar om? Met je buren en je medemensen.’
En nu?
‘Ik bemoei me bijna nergens meer mee. Dat is verdrietig, maar ik kan het niet meer opbrengen. Ik heb alles gegeven: overdag werken, even thuis eten en dan weer vergaderen met de politie of de gemeente, bellen met ouders… ik zag mijn eigen kinderen nauwelijks meer.
‘Ik ben als leraar gestopt, na 32 jaar op dezelfde school. Ik was vermoeid, geërgerd, ik sliep niet meer. Het heeft heel veel gevraagd. En ondertussen… ik moest accepteren dat je niet alles kunt veranderen, die macht heb je niet. Dat is frustrerend, maar zo werkt het.’
Tien jaar geleden ging het weer mis in Veldhuizen: jongeren staken auto’s in brand. U was toen enorm teleurgesteld. Hoe ligt de wijk er nu bij?
‘Er is toch wel iets veranderd. Je ziet het zelf: er zijn buurthuizen gekomen, meer sportmogelijkheden. Oude flats zijn gesloopt, er kwamen mooie woningen voor terug. Dat geeft rust. Ondanks het grote verzet (er werd destijds een varkenskop neergelegd, red.) is de moskee gebouwd, die is belangrijk voor de mensen.
‘Ik denk dat Veldhuizen een betere plek is geworden om op te groeien. Jongeren moeten kunnen voetballen en spelen. Je moet ze aanspreken op hun talent. Dat noemen ze de zachte aanpak, maar het is zo belangrijk. Daar heeft de gemeente een goede rol in gespeeld. Er was een wethouder van het CDA, die luisterde echt. De wijkagent, die kende iedereen, ging overal langs, die bleef kalm ook in lastige situaties, daar moet je het van hebben.
‘Geef mensen een plek en geef ze iets te doen, dat is echt belangrijk. Hier bij de flat is nu een moestuin die we met bewoners samen onderhouden. Daar ben ik graag.
‘Maar het is niet meer dan een begin. En in deze tijd is alles zo kwetsbaar. Nu wonen hier veel Syrische jongeren. Die moeten ook hun weg kunnen vinden, maar ze krijgen weinig begeleiding. Dat is wel nodig. Wat je dan moet doen is praten. Uitleggen. Contact zoeken. Daar gaat het om.’
Source: Volkskrant