Afslankmiddelen De boetes die de Inspectie aan kranten heeft opgelegd omdat zij de berichtgeving over geneesmiddelen als Ozempic als publieksreclame zien zijn disproportioneel, betogen Corrette Ploem, Roland Bertens en Rogier Simons.
De opkomst van geneesmiddelen die de bloedsuikerspiegel verlagen en de eetlust verminderen, zoals Ozempic en Wegovy, is een ontwikkeling van medisch en maatschappelijk belang. Het publiek wil weten wat deze middelen doen, voor wie ze zijn bedoeld en wat hun risico’s en bijwerkingen zijn.
Recent werd bekend dat onder andere de Volkskrant en NRC – die hun lezers over dit onderwerp informeerden – zich schuldig hebben gemaakt aan publieksreclame en daarvoor door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) fors worden beboet. Een opmerkelijke actie van de Inspectie, die stelt in zijn algemeenheid vooral te zullen ingrijpen als zij ziet ”dat de kwaliteit van zorgverlening onvoldoende is of dat door zwakke plekken in het zorgproces de kans op vermijdbare schade te groot is”.
Corrette Ploemen is hoogleraar gezondheidsrecht bij Amsterdam UMC en de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Amsterdam. Roland Bertens is advocaat gezondheidsrecht bij VBK Advocaten & Notarissen te Utrecht. Rogier Simons is advocaat gezondheidsrecht bij VBK Advocaten & Notarissen en universitair docent gezondheidsrecht bij Amsterdam UMC en de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Amsterdam.
Aan de goede bedoelingen van de IGJ twijfelen wij niet. Het reclameverbod voor medicijnen op recept uit de Geneesmiddelenwet dient een legitiem doel. Geneesmiddelen kunnen ernstige gezondheidsrisico’s met zich meebrengen. Omdat lang niet alle gebruikers zich dat realiseren, is een alerte toezichthouder nodig. Bovendien mogen geneesmiddelen niet primair als commerciële handelswaar aan het publiek worden gepresenteerd.
Het reclameverbod in de Geneesmiddelenwet is in de eerste plaats bedoeld voor partijen met een belang bij verkoop: fabrikanten en verkopers van geneesmiddelen. De wettekst stelt bovendien dat reclame het ”kennelijke doel” moet hebben om het voorschrijven of gebruiken van een geneesmiddel te bevorderen. Dat is niet de beweegreden van journalisten om over nieuwe ontwikkelingen binnen de farmacie te schrijven. Zij behoren op grond van hun eigen beroepscode waarheidsgetrouw en onafhankelijk het nieuws te brengen, waarbij het de lezer duidelijk is wat feiten, beweringen en meningen zijn.
Maar al streven journalisten iets anders na dan partijen die belang hebben bij geneesmiddelenverkoop, hun kerntaak kán schuren met het belang van de volksgezondheid. Dat blijkt uit uitspraken van de Europese en nationale rechter die als rode draad hebben dat het begrip ‘geneesmiddelenreclame’ ruim wordt uitgelegd. Door de kop erboven loopt een krantenartikel het gevaar als geneesmiddelenreclame te worden gezien, bijvoorbeeld wanneer daarin wordt gesproken over een wondermiddel. Los van de vraag of het label ‘reclame’ voor de gewraakte artikelen terecht is – wat wij betwijfelen – vinden wij het optreden van de Inspectie richting de media disproportioneel.
Allereerst wijzen we er nogmaals op dat de media geen zakelijk belang hebben om geneesmiddelen aan te prijzen. Als ze wel financiële relaties met farmaceutische bedrijven zouden hebben, handelen ze in strijd met de eigen gedragsregels en zou een boete van de Inspectie uiteraard wel terecht zijn.
Daarnaast lijken de individuele gezondheidsrisico’s op basis van de huidige wetenschappelijke inzichten beperkt. Maar belangrijker nog is dat deze geneesmiddelen in Nederland uitsluitend op recept verkrijgbaar zijn, en alleen onder strenge voorwaarden door artsen kunnen worden voorgeschreven; louter gewicht verliezen hoort daar niet bijDe bewuste krantenartikelen kunnen net zo goed worden gelezen als een waarschuwing tegen niet-medisch gebruik van deze medicijnen.
Ons laatste en misschien wel allerbelangrijkste punt: het opleggen van een boete door de Inspectie kan ertoe leiden dat kranten bij hun berichtgeving over nieuwe geneesmiddelen zichzelf uit angst voor boetes en negatieve publiciteit beperkingen gaan opleggen. Daarmee liggen zelfcensuur en bedreiging van de persvrijheid – een kernwaarde die in steeds meer delen van de wereld wordt bedreigd – op de loer.
Hopelijk klinkt onze boodschap ook door bij de minister van Volksgezondheid. Betrouwbare berichtgeving over nieuwe medisch-wetenschappelijke ontwikkelingen is sinds jaar en dag onderdeel van de vrije nieuwsgaring en moet dat ook blijven. Hiermee zeggen we niet dat er geen aanleiding voor de Inspectie kan zijn om de media op bijvoorbeeld krantenkoppen aan te spreken. Maar bij het opleggen van boetes zou de toezichthouder zijn pijlen beter kunnen richten op makers van (sluik)reclame via sociale media. Van die berichtgeving wordt niemand beter.
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie