Europa wordt overspoeld door goedkope Chinese goederen, stelt Brussel. De EU dreigt in oktober met strafmaatregelen. China erkent niet dat er sprake is van deze ‘zogenaamde’ overcapaciteit. Wat gaat er schuil achter de verhitte woordenstrijd?
is correspondent China voor de Volkskrant. Ze woont in Beijing.
Europa verkeert in een ‘China shock’, stelde Europese Commissie-voorzitter Ursula von der Leyen woensdag onomwonden in haar ‘State of the Union’ in het Europees Parlement. Het handelstekort met China bedraagt inmiddels meer dan een miljard euro per dag en het industriële hart van Europa dreigt stil te vallen. ‘Dit is onhoudbaar.’
Vorige maand waarschuwde in Nederland de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid al dat binnen een paar jaar volledige hoogwaardige Europese industrietakken kunnen verdwijnen. Voor de zonnepanelen- en batterij-industrie is het al te laat. Inmiddels staan ook de elektrische auto- en windturbine-industrie onder druk.
Europa kan veel doen om het probleem te bestrijden, zei Von der Leyen, ‘maar alles wordt ondermijnd zolang onze bedrijven niet op een gelijk speelveld spelen’. Beijing verstoort dat speelveld volgens Brussel door met staatssteun een stortvloed aan kunstmatig goedkope producten richting Europa te sturen. In één woord: ‘overcapaciteit’. Als China die niet voor oktober aanpakt, dan zal de EU nieuwe maatregelen nemen.
China ontkent het bestaan ervan glashard: het spreekt consequent van ‘zogenaamde overcapaciteit’. Begin deze maand benadrukte het Chinese ministerie van Handel dat de EU met de term ‘op simplistische wijze’ de onevenwichtigheden in de handel tussen China en de EU verklaart. Daarin ziet Beijing een poging ‘om opzettelijk verwarring te zaaien’.
In een recent rapport ‘inzake de kwestie van zogenaamde overcapaciteit’ schrijft Beijing dat China niets doet wat andere opkomende industrieën eerder niet ook deden. Neem de explosieve groei van de auto-export: vorig jaar verkocht China twee keer zo veel auto’s aan Europa als het jaar daarvoor. China erkent dat, maar stelt dat landen als Duitsland en Japan eerder ook veel meer auto’s verkochten dan zij zelf gebruikten. Waarom zou dat bij China ineens ‘overcapaciteit’ heten?
En dan is er die kwestie van de staatssteun, die de overcapaciteit zou stimuleren. Die past volgens het handelsministerie binnen een ‘breed geaccepteerde internationale praktijk’. Dat Chinese bedrijven drie tot acht keer zo veel staatssteun ontvangen als die in andere ontwikkelde economieën, zoals de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling becijferde, is niet relevant. Want: Beijing houdt zich netjes aan de subsidieregels van de Wereldhandelsorganisatie (WTO).
Volgens econoom Bert Hofman van de Nationale Universiteit van Singapore bemoeilijkt de felle woordenstrijd over ‘overcapaciteit’ de aanpak van de handelsspanningen. De voormalig China-directeur voor de Wereldbank vindt dat de EU het begrip beter kan laten varen. Niet alleen omdat China er ongemeen fel op reageert – ‘daar open je dus geen goed gesprek mee’ – maar ook omdat overcapaciteit op zichzelf geen overtreding vormt van internationale handelsafspraken. Daar wijst China zelf ook graag op.
De EU kan volgens Hofman beter grondig onderzoek doen naar mogelijke WTO-overtredingen bij specifieke bedrijfstakken en daar vervolgens een tariefmuur tegen opwerpen – zoals Brussel eerder al bij elektrische auto’s deed. Ook kan de EU vaker gebruikmaken van WTO-regels die het toestaan om een industrie tijdelijk tegen een plotselinge importgolf te beschermen. Het hoeft daarvoor enkel de schade aan de eigen industrie aan te tonen. Hofman: ‘Dat is dus anders dan zeggen dat China valsspeelt.’
Maar kan de EU de spanningen met China wel oplossen, door slechts op de regeltjes te focussen? Analist Dinny McMahon van Trivium, een adviesbureau gespecialiseerd in China, denkt van niet. China mag zich namelijk netjes aan de letter van alle handelswetten houden, maar China’s economische model gaat recht tegen de geest van het vrijhandelstelsel in. Dáár gaat de beschuldiging van overcapaciteit in feite over.
‘Het idee van vrije handel is dat alle partijen er baat bij hebben’, aldus McMahon. Het ene land blinkt uit in de ene industrie, het andere in iets anders. Door handel ontstaat ‘win-win voor iedereen’. Maar China wil niet in één industrie uitblinken: het wil alles blijven doen, in tegenstelling tot andere landen die laagwaardige industrie loslaten als ze zich ontwikkelen.
Dat is voor de rest van de wereld een groot probleem, zegt McMahon, omdat China zo groot is: ‘Met een China dat zo’n 30 à 40 procent van de wereldwijde industriële productie voor zijn rekening neemt’ – zoals het naar zijn schatting nu doet – ‘kan er geen wereld zijn waarin iedereen nog profiteert van vrijhandelsovereenkomsten.’
China’s enorme industriële productie zou minder problematisch zijn als Chinezen er meer zelf van zouden consumeren. Maar omdat het sociale vangnet minimaal is, geven Chinezen uit voorzorg heel weinig geld uit. Om de economie op gang te houden, is China daarom per definitie afhankelijk van export: overcapaciteit vormt het verdienmodel. Die kan de staat flink subsidiëren, mede dankzij al het geld dat het niet uitgeeft aan sociale voorzieningen. ‘Uiteindelijk wil de EU dat China verandert hoe de binnenlandse economie functioneert’, zegt McMahon, ‘maar daar is Beijing niet toe bereid.’
Volgens McMahon toont Beijings reactie op de term ‘overcapaciteit’ dat China vasthoudt aan de huidige koers, netjes binnen de regels van de WTO – zelfs als die de Europese industrie vernietigt. Reden voor de EU om een stap achteruit te doen, meent de analist. ‘Soms’, zegt McMahon, ‘is het zo makkelijk om je te laten meeslepen door regels en het naleven ervan, dat je een beetje uit het oog verliest waarom deze instellingen eigenlijk bestaan.’ Oftewel: wíl Brussel nog wel vasthouden aan een vrijhandelsorde als die de belofte erachter – iedereen wordt er beter van – niet langer waarmaakt?
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant