Rechtszaak Een explosie in het Rotterdamse Zuidwijk in 2024 verwoestte een deel van een appartementengebouw. Er vielen drie doden. De eigenaar van de bedrijfsruimte waar de ontploffing zich voordeed, houdt vol dat hij van niets wist.
Familieleden halen op 31 januari 2024 het stoffelijk overschot van een van de slachtoffers uit het puin aan de Schammenkamp.
Een intrigerende dans, zo was het vraaggesprek tussen rechter en verdachte te omschrijven. Maandag diende de zaak over de explosie en brand die zich op 29 januari 2024 om half negen ’s avonds voordeden in Zuidwijk, in de straat Schammenkamp. De ontploffing vond plaats in de bedrijfsruimte die Jalal O. (36) huurde. Hij wordt ervan verdacht daar een drugslab te hebben gehuisvest. O. wordt nu vervolgd voor het veroorzaken van de ontploffing met de dood tot gevolg.
Rechter: „Kunt u vertellen wat er is gebeurd?”
O.: „Het is een verschrikkelijke zaak. Ik zou zelf ook graag willen weten wat er is gebeurd.”
Rechter: „De politie denkt dat u er wel wat van af weet.”
Nadat het stof was neergedaald, zagen buurtbewoners een gapend gat midden in een appartementengebouw. Verscheidene woningen waren weggevaagd.
Jalal O. werd een paar dagen later aangehouden. Hij werd verdacht van betrokkenheid bij het vervaardigen van verdovende middelen. In de bedrijfsruimte werden vlak na de explosie onder meer vaten aceton gevonden, een stof die vaak wordt gebruikt als oplos- en reinigingsmiddel bij de productie van drugs. Later werd de aanklacht uitgebreid, nadat uit onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut was gebleken dat de ontploffing inderdaad kwam door het drugslab en de aldaar aanwezige aceton.
O. ontkende tijdens politieverhoren dat hij wist van de drugsproductie en dat doet hij maandagochtend in rechtszaal nog steeds. De gedrongen man met korte baard heeft een tolk. Hij is geboren in Marokko en spreekt te slecht Nederlands om zelf het woord te voeren. Hij vertelt dat de bedrijfsruimte was verdeeld in vier ruimten, dat hij de voorste gebruikte en de achterste onderverhuurde aan Mustafa (33).
Sommige omwonenden, zegt de rechter, maakten al langere tijd voor de explosie melding van een vreemde geur. „Heeft u ooit iets geroken waarvan u dacht: snuf, snuf, dit ruikt vreemd?”
Nee, dat was O. nooit overkomen. Bovendien was hij drie dagen voor de ontploffing nog in de ruimte van Mustafa geweest. Hij had ook niets geks gezien.
Mustafa en Ilyas (22), de neef van O., waren beiden in de bedrijfsruimte aan het werk tijdens de explosie en werden gedood. Naast het pand van Jalal O. bevond zich het badkamerbedrijf Moosa Bouw, waar klanten tegels en kranen konden uitzoeken. Vlak achter het appartementengebouw stond een opslagloods vol witgoed van een andere nabijgelegen winkel. Zowel het bedrijf als de loods werden volledig verwoest. De eigenaar van Moosa Bouw, Kamran Khan (43), werd gedood terwijl hij videobelde met een klant.
O. was tijdens de explosie onderweg naar België. Hij keerde terug toen hij hoorde wat zich had voorgedaan. Aanvankelijk verklaarde hij dat hij z’n telefoon kapotgooide, maar tijdens de eerste zittingsdag bleek dat een leugen. Zijn telefoon gaf hij aan zijn vrouw, die alle gegevens wiste. Een verklaring voor dat wissen werd niet gegeven.
Een dag na de explosie zochten reddingsdiensten koortsachtig naar slachtoffers, wat werd bemoeilijkt door instortingsgevaar. Families van vermisten werden steeds ongeduldiger, op een gegeven moment braken enkele mannen door de afzettingshekken en gingen zelf zoeken. Jalal O. was daarbij. Samen met de politie vonden ze de overleden Khan en hielpen met de berging van diens lichaam. Khan had niets met het drugslab te maken.
Er was chaos en paniek, schetst de rechter, mensen lagen onder het puin. „U was een niet te stuiten redder. Waarom kwam u in actie?”
O. schiet vol. Antwoorden lukt hem even niet.
Rechter: „Het raakt u?
O.: „Hij was een goede buurman, we hadden een goede verstandhouding.”
De rechter houdt de verdachte voor dat sommigen beweren dat O. niet kwam om mensen te redden, maar om sporen uit te wissen.
O. schudt z’n hoofd. En hij blijft volhouden: van de drugsproductie wist hij niets. Hij zou nooit hebben gemerkt dat vaten z’n bedrijfsruimte werden binnengedragen. Door de politie gevonden appjes tussen hem en Ilyas over ‘korrels’ en geldbedragen gingen niet over harddrugs, maar over hasj.
Politie zoekt met een reddingshond naar vermiste personen.
In stilte luistert O. naar de slachtofferverklaringen. Van een buurtbewoner, een moeder met jonge kinderen, die nog steeds kampt met stressklachten. Naar de advocaat van de weduwe van Khan, die namens haar cliënt vertelt hoe zij en zijn kinderen hem elke dag missen. En naar de advocaat van de man die boven de bedrijfsruimte woonde en met bankstel en al door de vloer zakte, waarna hij ternauwernood aan de vlammen kon ontsnappen.
O. hoort heel nare dingen, zegt hij. „Het is heel erg. Zoiets gun je niemand.”
De rechter bespreekt de persoonlijke omstandigheden van O., die uit een groot gezin komt, jong ging werken en tegenwoordig in loondienst werkt. De bank blokkeerde na alle media-aandacht O.’s rekeningen. Hij probeert de relatie met zijn vrouw, die ten einde leek, te redden. Over een stiekeme relatie met een vrouw in Spanje, waarover de rechter leest in het dossier, wil hij niets zeggen.
En de reclassering? Die meldde dat O. meewerkt met alle onderzoeken. En dat hij stellig blijft ontkennen ook maar iets vandoen te hebben met het drugslab.
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie