In New York was het nog volop zomer, mannen van alle leeftijden liepen in korte broek over Park Avenue, ze keken erbij alsof ze het tot het einde der tijden in hun korte broeken over Park Avenue zouden paraderen. Een enkeling had zijn rollator meegenomen, je kunt er niet vroeg genoeg mee beginnen.
Cipriani Dolci in Grand Central Station was na een langdurige verbouwing weer geopend. ‘Waar is je zoon?’, vroeg de ober, die ik al een decennium ken.
‘Thuis’, zei ik.
Het Joodse nieuwe jaar was begonnen. In Amsterdam had ik nog snel met mijn zoon naar de sjofar geluisterd, maar het geluid van de ramshoorn had niet veel indruk gemaakt. Sinds de achtbaan in het Prater in Wenen maakt weinig nog indruk op hem.
Omdat het zo warm was, dwaalde ik door de stad als een hongerige hond, al wist ik zelf niet waarnaar ik op zoek was. Ik dacht aan de film Yes van Nadav Lapid, die ik eindelijk had gezien. Een satire op de Israëlische samenleving en misschien wel op het geloof in overwinningen an sich. Maar helemaal zonder geloof in overwinningen gaat het niet.
Toen ik Central Park van oost naar west had doorkruist, nam ik de B naar huis, die kort daarop vanwege een signaalstoring zeker een kwartier bleef staan bij de 72ste straat.
Naast mij at een man een avocado. Smakelijk was het niet, maar voor de dakloze is de metro zijn huis en de betrokken burger mag blij zijn dat de dakloze zoiets gezonds als een avocado te pakken heeft gekregen.
Tegenover mij waren twee mensen aan het tongen. Dat zie je niet vaak midden op de dag. ’s Avonds laat is een ander verhaal. Ik werd er opgewonden van. Nee, ik kon niets anders dan concluderen: het geluk lacht mij toe.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant