Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
Een dag na het voorpaginanieuws dat acceptatie van homoseksualiteit onder jongeren scherp is gedaald, is het nog steeds wachten op heldere duiding. Op sociale media vallen mensen ruziënd over elkaar heen. Ook de talkshows komen niet verder dan gemeenplaatsen over religie, sociale media en conservatisme.
Rechts wijt de daling aan moslims en immigratie. Links wijst naar machocultuur op rechts, manosfeer, Andrew Tate. Als de uitslagen van een onderzoek voor zo veel discussie zorgen, is er dan wel voldoende onderzocht?
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Het HBSC is een groot, doorlopend onderzoek van het Trimbos-instituut en de Universiteit Utrecht naar de gezondheid en het welzijn van schoolgaande jongeren. Onderwerpen zijn onder meer pesten, fysieke gezondheid, seksualiteit, drugsgebruik en sociale media. De onderzoekers hebben er bij de bekendmaking van de resultaten van dit jaar voor gekozen om uit te pakken met de acceptatie van homoseksualiteit. Resumerend: tussen 2021 en 2025 is de positieve houding ten opzichte van homoseksualiteit gedaald van 40 naar 22 procent onder jongens en van 78 procent naar 51 procent onder meisjes.
Het waarom, daarover rept het onderzoek nauwelijks, behalve in een voetnoot waarin een paar eventuele verklaringen worden genoemd, waaronder ‘de manosfeer’. Er zijn harde cijfers en conclusies, maar geen verklaringen. ‘Er woekert een grote brand. Maar we weten niet of het een elektrische brand, een houtbrand of een gasbrand is. Dus weten we ook niet hoe die moet worden geblust. Succes!’
In hetzelfde onderzoek staat ook dat bijna 60 procent van middelbare scholieren positief antwoordt op de stelling: ‘Homoseksuele jongeren mogen mijn vrienden zijn.’ Is dat niet een belangrijke nuance? Bovendien hangt het HBSC-onderzoek het al dan niet positief staan tegenover homoseksualiteit voor een groot deel op aan de stelling: ‘Ik vind het vies als twee jongens/meisjes met elkaar zoenen.’ Is dat een goede graadmeter voor tolerantie? Staat een 14-jarige puber per definitie negatief tegenover homoseksualiteit als hij het vies vindt als twee jongens zoenen? Of ervaart hij misschien ‘ongemak’, maar biedt de vraagstelling daar geen ruimte voor?
En hoe verhoudt dit onderzoek zich tot het onderzoek uit maart dat de Universiteit van Amsterdam deed in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, waaruit bleek dat ‘een meerderheid van de Nederlandse jongeren vindt dat iedereen gelijkwaardig is, ongeacht op wie je verliefd wordt’?
Op geen enkele manier mag je de intolerantie tegen homoseksuele mensen bagatelliseren – die is onbetwistbaar en hardnekkig en moet bestreden blijven worden. Kennis is daarbij essentieel. Daarom is het jammer dat dit onderzoek zo naadloos in de tijdgeest past: het overstelpt ons met informatie, maar we worden er niets wijzer van.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant