Betere wereld In de westerse kunstwereld wordt de laatste jaren vaak de vraag gesteld hoe kunst kan bijdragen aan een betere wereld. Terwijl juist in die kunstwereld hardnekkig sprake is van structurele ongelijkheid. Is zij eigenlijk wel zo geschikt als ethisch baken?
‘Black Chapel’ van Theaster Gates in 2022 in de Serpentine Gallery in Londen.
In de westerse kunstwereld wordt de laatste jaren vaak, heel vaak, de vraag gesteld hoe kunst kan bijdragen aan een betere wereld. Niet vreemd natuurlijk, in tijden van oorlog, ongelijkheid, onzekerheid over AI, klimaatverandering. Maar toch, als er weer een tentoonstelling opent als Democratie NU? (Rijksmuseum Twenthe) of Lapdogs of the Bourgeoisie 2026 (De Appel, Amsterdam) vraag ik me soms af of je het niet zou moeten omdraaien. Kan de maatschappij niet eens zorgen voor een rechtvaardiger kunstwereld? Want diezelfde kunstwereld mag dan graag ambitieuze visies etaleren op het onrecht in de maatschappij, sociale ongelijkheid, de achterstand van vrouwen in functie en betaling en het verdwijnen van het koraal in de Zuid-Chinese Zee, er zijn in de westerse wereld weinig industrieën te vinden waarin structurele ongelijkheid zo’n hardnekkig onderdeel is van de cultuur.
Neem de welvaartsverdeling. In de kunstwereld zijn de best betaalde medewerkers fonds- en museumdirecteuren en (interim)managers – vaste contracten, dertiende maand, riante salarissen tot op ministersniveau. Daaronder de curatoren en het hogere ondersteunend personeel, prima, veilige, gegarandeerde inkomens. Daar weer onder de ambitieuze jongere medewerkers en freelancers die weliswaar regelmatig rond het bestaansminimum werken, maar die doorzetten omdat ze redelijk uitzicht hebben op verbetering.
In de serie ‘Wereldkunst’ schrijft kunstcriticus Hans den Hartog Jager maandelijks over kunst die hem opvalt. Lees meer afleveringen van Wereldkunst.
Daaronder, jawel, de kunstenaars. De mensen, dus, om wie de industrie draait. Hun inkomens zijn structureel laag, grillig en onzeker – dat is de laatste jaren weliswaar in Nederland iets verbeterd, onder andere door een regeling van het Mondriaan Fonds, maar hoe cru het ook klinkt: uiteindelijk moet je constateren dat al die vaste-medewerkers-salarissen alleen kunnen worden betaald door collectief een systeem in stand houden waarbij kunstenaars de sluitpost op de begroting zijn. Natuurlijk, dat geldt zeker niet voor alle instituten, sommige doen écht hun best, maar het simpele feit blijft dat kunstenaars vrijwel altijd de slechtst betaalde medewerkers aan een tentoonstelling zijn. En dan heb ik het niet eens over héél grote exposities als de Biënnale van Venetië, waarvoor kunstenaars vaak geld moeten bijleggen. Bij andere sectoren waar dit gebeurt, zoals goudwinning in Zuid-Amerika en sekswerk, spreken we dan van uitbuiting. En niemand doet er iets aan.
Maar dat is niet het enige. Iedereen weet dat in vrijwel alle museale collecties vrouwen en kunstenaars van kleur nog steeds structureel zijn ondervertegenwoordigd. En hoe graag de kunstwereld zichzelf ook ziet als egalitair en democratisch, mensen uit lagere sociale klassen en/of met een niet-westerse achtergrond dringen er maar moeilijk toe door, vooral omdat het stelsel van sociale en artistieke codes vrijwel volledig is gebaseerd op de normen van de witte westerse middenklasse. En zo wordt er vaker gegoocheld met ethische kwesties.
Waarom, voorbeeldje, vindt iedereen het doodnormaal dat het Nederlandse paviljoen op de Biënnale van Venetië zich nadrukkelijk afficheert als kritisch op de macht, maar wordt geopend door een koning, een koningin én een minister? Waarom loopt diezelfde machtskritische kunst via subsidies vrijwel altijd aan de leiband van de overheid en de fondsen? Waarom maken musea de ene maatschappijkritische tentoonstelling na de andere, maar vinden ze het héél moeilijk om echt kritisch te kijken naar hun eigen geschiedenis en het ideologische fundament van hun collectie?
Geen misverstand: geen mens, ook geen kunstenaar of museum, hoeft volledig zuiver op de morele graad te zijn – dat redt niemand. Maar als je het voorgaande overziet, vraag je je soms wel af of de kunstwereld nou zo enorm geschikt is als ethisch baken in de maatschappij. En ook: waarom er van kunstenaars en musea eigenlijk zoveel meer maatschappelijke impact wordt verwacht, dan van, ik noem maar wat, een loodgieter, een emballage-medewerker bij Amazon, of de adjunct-directeur van een kinderdagverblijf.
Wat maakt de kunstwereld in ethisch opzicht eigenlijk zo bijzonder?
Het antwoord op die vraag ligt in het aloude romantische gedachtegoed, nog steeds het fundament onder de westerse kunst. In dit wereldbeeld, dat stamt uit het begin van de negentiende eeuw, is de kunstenaar een vrijgestelde: de maatschappij verwacht van de kunstenaar dat die een hoogstpersoonlijke wereld bouwt van vormen, ideeën, kleuren, associaties, waar alleen haar/zijn/hun wetten gelden. De kunstenaar trekt zich niets aan van bestaande maatschappelijke normen of verwachtingen, maar is autonoom – hoge, bijna absolute vrijheid is het hoogste artistieke streven. Maar die vrijheid heeft ook een prijs: de kunstenaar doet wat ie wil, maar de maatschappij hoeft zich daar niks van aan te trekken.
Juist dat spanningsveld maakt de verhouding tussen kunst en maatschappij in de westerse wereld vanaf, zeg, het begin van de negentiende eeuw, zo interessant. Op grond van die autonomie zou je misschien denken dat de maatschappij alle reden heeft om kunstenaars lekker in hun eigen hoekje te laten rommelen – maar nee. Juist dat buitenstaanderschap maakte van kunst een maatschappelijke factor van betekenis. De maatschappij heeft namelijk heel goed door dat kunst, juist als vrijplaats, bij uitstek een plek is om nieuwe ideeën, onbekende gevoelens, experimentele systemen te onderzoeken en te beleven. Dat geeft kunstenaars in de maatschappij een heldere rol: luikenopeners, werelduitbreiders, ideeënlanceerders, grensverleggers. Je zou in die zin zelfs kunnen zeggen dat elke kunstenaar sowieso een wereldverbeteraar is: het tonen van nieuwe werelden, andere mogelijkheden, schoonheid, inspiratie zijn allemaal kwaliteiten die je als een positieve, opbouwende bijdrage aan de maatschappij kunt beschouwen. Alleen: om die rol in de romantische visie goed te kunnen vervullen moet de kunstenaar een buitenstaander blijven. Want alleen een buitenstaander kan echt de grenzen opzoeken.
De afgelopen vijftien, twintig jaar is dat veranderd: kunstenaars willen méér. Dat is natuurlijk de uiterste consequentie van de romantische visie: als kunstenaars geacht worden de randen van de maatschappelijke acceptatie op te zoeken, waarom zouden ze die grens dan niet overschrijden en echte maatschappelijke invloed proberen te krijgen? Juist nu dreiging en geweld en onrecht sterk toenemen is dat verlangen enorm begrijpelijk – voor sommige kunstenaars voelt het bijna als een plicht om hun stem te laten horen, dingen ten goede te draaien. Net als voor curatoren, musea: als de wereld uiteenvalt, genocide, klimaatverandering, wil je je niet terugtrekken achter de muren van je atelier of je white cube en je beroepen op je autonomie. De wereld staat in brand – en dat is ook jouw wereld.
Maar hier ligt voor de hedendaagse kunstwereld een dilemma. Want hoe draag je, als kunstenaar en als instelling, bij aan de maatschappij, terwijl de traditie van waaruit je werkt is gebaseerd op eeuwenlange, zwaar bevochten autonomie? Is het maken van kunst an sich al genoeg, omdat elk kunstwerk toch al een positieve bijdrage is? Of moet je je invloed als kunstenaar of curator gebruiken voor daadwerkelijke veranderingen?
Sinds engagement en maatschappelijk bewustzijn steeds belangrijker zijn geworden, zie je in de kunst grofweg twee ontwikkelingen. De eerste is helder: musea, fondsen, individuele kunstenaars signaleren allerlei pijnpunten in hun eigen wereld, en proberen die te herstellen. Musea kopen de laatste jaren bijvoorbeeld meer werk aan van vrouwelijke kunstenaars en kunstenaars van kleur – en dat zie je terug in tentoonstellingen.
Volkomen terecht natuurlijk, ook vanuit artistiek oogpunt: als kunst gaat over het ontdekken van nieuwe werelden, van nieuwe visies, dan ligt hier een enorm terrein dat eeuwenlang is genegeerd. Zo’n verandering is dus een makkelijke, want hier versterken de traditionele romantische rol van de kunst en de nieuw besefte maatschappelijke positie elkaar – op de paar spreekwoordelijke oude witte mannen na die af en toe wat monkelen over het verlies van ‘kwaliteit’ (meestal synoniem met hun eigen werk), zijn er ook weinig mensen die hier serieus bezwaar tegen maken.
Maar dan. Hoe groot laat je de invloed van de maatschappij vervolgens worden op de inhoud van de kunst? Hoeveel autonomie geef je op? Of sluit dat elkaar niet uit?
Dat is het echte dilemma – laat ik dit het dilemma van het ‘maatschappelijk modernisme’ noemen. Want hoe begrijpelijk het ook is dat kunstenaars en instellingen willen bijdragen aan een betere wereld, je kunt je óók afvragen wat ze die wereld eigenlijk hebben te bieden. Op het moment dat kunst haar autonomie loslaat en zich begeeft op terreinen als journalistiek, zorg of sociaal werk, wordt haar betekenis diffuser. Waarom zou een kunstenaar beter zijn in archiefonderzoek, debatten organiseren of zorg bieden dan mensen die daarvoor jarenlang zijn opgeleid? Natuurlijk, het ‘vanuit de kunst kijken’ kan verfrissend zijn – nieuwe ogen dwingen, dat werk. Maar er zit ook een corrumperend kantje aan. Want iedereen die aan zo’n sociaal kunstproject meedoet (zeker de deelnemers van buiten de kunst) beseft ook dat het sociale doel niet de enige, en vermoedelijk zelfs niet de belangrijkste ambitie van de kunstenaar is. Want dat is hun kunst.
Sociale kunstenaars zijn eigenlijk sociale werkers met een dubbele agenda: hun engagement staat altijd mede, of misschien zelfs wel vooral, in dienst van hun artistieke werk, carrière, status, inkomen. Daarom zijn artistiek-sociale projecten ook vaak tijdelijk – dan moet de sociale kunstenaar weer verder naar een volgend project. Een passant. Professionals in deze vakken blijven. Dat maakt de betrokkenheid van geëngageerde kunstenaars niet per se minder. Maar zit er niet ook een egoïstisch kantje aan?
Zeker, alle beetjes helpen. Maar daar staat een andere vraag tegenover: waarom je zou als kunstenaar het unieke maatschappelijke privilege van de autonomie opgeven om iets te doen waarin je niet per se beter bent dan de professionals? Waarin je toegevoegde waarde meestal tijdelijk is? En waarmee je meewerkt aan het afbreken van het enige aspect dat kunst binnen de maatschappij echt uniek en onvervangbaar maakt? Daar komt dan ook nog eens de ‘tautologische positie’ van de kunst bij: geëngageerde kunstenaars en instellingen lijken vaak niet te beseffen hoe gering de toegevoegde maatschappelijk waarde van hun projecten is doordat hun progressieve standpunt inherent is aan de kunst.
Hedendaagse kunst is namelijk uit de aard van de zaak vrijwel altijd toch al bezig met vernieuwing, met onverwachte perspectieven, nieuwe ideeën, kortom: met progressief denken. Progressieve politiek zit in veel kunst ingebakken. Daar is niks mis mee, maar het maakt ‘progressieve kunst’ óók een tautologie met relatief geringe impact – bevestigen wat iedereen al weet, preken voor eigen parochie. Als veel, zo niet alle, geëngageerde kunst bevestigt wat bijna iedereen in de kunstwereld toch al denkt, en mensen daarbuiten relatief weinig worden bereikt, voor wie maak je deze kunst dan eigenlijk, behalve om je eigen plek binnen de kunstwereld te bevestigen?
Natuurlijk: het is heel begrijpelijk dat je je als kunstinstelling, als kunstenaar, wilt uitspreken – alle beetjes helpen en stilte is ook geen optie. Maar misschien moet de kunstwereld zich eens gaan inzetten voor veranderingen die écht beklijven. De laatste jaren valt me op dat vrijwel alle kunstwerken die echte maatschappelijke impact hebben, die echt levens veranderen, projecten zijn van lange adem, die, vrijwel altijd in samenwerking met de lokale bevolking, diep proberen in te grijpen in de bestaande maatschappij en streven naar structurele verandering op héél lange termijn – projecten zoals die van Theaster Gates, die een vervallen zwarte wijk in Chicago van nieuwe kracht wist te voorzien, Tomás Saraceno, die op dit moment, samen met de lokale bevolking, strijdt tegen de lithiumwinning in de Salinas Grandes in Argentinië, Renzo Martens, die met het collectief CATPC voormalige Unilever-arbeiders in Congo een nieuwe toekomst geeft, of Jan Hoek, die al jaren werkt om ‘outsider’-kunstenaars structureel onderdeel van de kunstwereld te laten uitmaken.
Maar ook de organiserende kunstwereld kan het goede voorbeeld geven: zo lanceerde de Kunsthalle Bern onlangs, na twee jaar studie, een code of conduct waarin ze haarfijn, inclusief alle dilemma’s, vastlegt hoe ze als kunstinstituut in de wereld wil werken en waar haar maatschappelijke en ethische prioriteiten liggen. De code is opvallend persoonlijk geschreven, bijna als een brief, of een handreiking aan het publiek, en dus geloof je directeur Iliana Fokianaki ook als ze zegt dat ze erop kan worden aangesproken. (‘Ethics is not just about following rules; it is about a culture we create together.’) Natuurlijk kun je je afvragen of al die aandacht voor een code niet afleidt van het tonen van kunst. Maar aan de andere kant: juist door de verhouding tot de buitenwereld actief tot een onderwerp te maken laat de kunstwereld zien dat ze niet bang is voor verandering, dat ze het initiatief gráág naar zich toe trekt, dat ze niet alleen braaf achter de progressieve agenda aanhobbelt, maar ook bereid is het monster in de bek te kijken. Daar wordt iedereen nou beter van – zowel de kunstwereld als de echte.
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie