Home

‘Mijn vriend en ik hebben een jaar als vrienden geleefd, maar we hadden wel een fix’

Een stuudje, dat was Noa Gransier uit het Zuid-Limburgse Grevenbicht niet. In haar werk als paardencoach is ze wél helemaal op haar plek. Tijdens het borstelen ziet ze haar cliënten opbloeien. ‘Soms denk ik: ik heb heel veel bereikt in die anderhalf uur begeleiding per week’

schrijft voor Volkskrant Magazine.

Waar zijn we?

‘Dit is de manege waar ik werk, vlak bij Maastricht. Ze hebben hier tientallen paarden, waarvan er drie van ons bedrijf zijn. Ik werk als sociaal werker met kinderen met wie het niet goed gaat. De paarden helpen om het gesprek tussen het kind en mij op gang te helpen.’

Ben je ook in Maastricht opgegroeid?

‘Nee, in Grevenbicht, een dorp vlak bij Sittard. Het is echt een boerendorp, met weinig huizen en veel weilanden. Een ons-kent-onsplek, dus als je over straat rijdt, moet je wel de hele tijd zwaaien. Iedereen kent elkaar. Ik woon er nog steeds met m’n ouders. Mijn moeder werkt bij de politie. Mijn vader heeft een aannemersbedrijf, hij verbouwt vooral bij mensen thuis.

‘Ik heb ook een vier jaar oudere zus met een eigen broodjeszaak. Ik heb daar ook tien jaar gewerkt. Het was wel gek toen ze mijn baas werd. Als je zus zegt wat je moet doen, denk je toch: houd je mond, ik weet het zelf wel beter.’

Ging je in het dorp naar school?

‘Ja, de basisschool was daar. Later ging ik vmbo-tl doen in het dorp verderop. Ik hoefde niet zo veel te doen, het ging me makkelijk af, maar leren vond ik niet leuk. Talen, geschiedenis: ik vond het allemaal verschrikkelijk. In de klas zitten vond ik wel leuk. Het was altijd gezellig.’

25 in 26

In de serie 25 in 26 vragen we jongeren die dit jaar 25 (zijn ge)worden hoe ze zijn geworden wie ze zijn en hoe ze hun toekomst zien. Meedoen? Mail een korte omschrijving (opleiding/woonplaats/bijzonderheden) naar: 25in26@volkskrant.nl

Was je een moeilijke puber?

‘Nee, niet zo heftig. Ik luisterde naar m’n ouders en ik accepteerde grenzen, maar ik zocht ze ook op. Met m’n moeder was het soms vuur tegen vuur. Op een gegeven moment gaf ik dan op, want van mijn moeder ga je het niet winnen. Maar ik ben bijvoorbeeld wel stiekem een paar keer op stap gegaan met de identiteitskaart van m’n zus. Helaas was ik dan wel zo dom om te pinnen bij het Tempelplein in Sittard, waar alle cafés zijn. Dan zag ze dat afschrift en kreeg ik straf.’

Was je toen ook al bezig met paarden, of kwam dat later?

‘Op m’n 7de kreeg ik een paardrijles van m’n tante. Toen ik puber was, rond de 13 jaar, kreeg ik m’n eerste paard, Maurits. Of ja, het was eigenlijk een leasepaard. Die staat dan bij de manege, en dan leasede ik ’m drie dagen in de week. Dan was-ie helemaal voor mijn zorg. Twee jaar later kreeg ik echt een paard, Vino, waar ik nu nog steeds elke dag voor zorg. Hij is echt eigenwijs, in het begin heeft-ie me er heel vaak afgegooid. Als we gingen springen, stopte hij gewoon vlak voor we bij de balken waren, zodat ik er wel overheen vloog, maar zonder paard. Gelukkig heb ik nooit iets gebroken.’

Wist je toen al dat je er je werk van wilde maken?

‘Nee, ik wilde graag basisschoolleraar worden, dus ik begon met de opleiding tot onderwijsassistent op het mbo. Ik liep stage bij mijn oude school in Grevenbicht, bij mijn oude juffrouw in groep 8. Mijn interesse lag duidelijk bij de kinderen die wat moeilijker meekwamen, bijvoorbeeld omdat ze gepest werden. Ik ging graag het gesprek met ze aan, probeerde ze te betrekken in de groep.

‘Toen ik verder wilde studeren, koos ik daarom voor toegepaste psychologie in plaats van de pabo. Helaas kwam corona en moest alles online, wat me totaal niet lag. Ik kreeg weer helemaal het gevoel van de middelbare school, met al die oninteressante vakken, dus besloot ik door te stromen naar social work.’

Hoe was het daar?

‘Ik zat er helemaal op m’n plek. In het tweede jaar belandde ik hier op de manege als ambulante begeleider. Ik begeleid jeugdigen die bijvoorbeeld niet goed in hun vel zitten, een laag zelfbeeld, verslavingen of een moeilijke thuissituatie hebben, door gesprekken met ze te voeren en samen oefeningen met de paarden te doen.

‘Na mijn afstuderen in juli ben ik hier gaan werken, en inmiddels heb ik vijftien cliënten onder m’n hoede. Samen met de paarden doen we oefeningen met ze. Tijdens het borstelen van de paarden kan ik gerichte vragen stellen die tijdens een gesprek aan tafel niet beantwoord zouden worden: het paard staat tussen ons in, zodat het kind je niet hoeft aan te kijken.

‘Maar een paard spiegelt ook heel goed. Stoot je mensen af, loopt het paard ook bij je weg. Als ik een moeilijk gesprek met een kind heb, gaat het paard vaak tussen ons in staan, zodat we elkaar niet meer hoeven aankijken, en het wat makkelijker wordt voor een cliënt om te vertellen.’

Neem je je werk vaak mee naar huis?

‘Dat gebeurt weleens, maar ik kan het meestal van me afzetten. We zijn geen crisisdienst, dus we zijn niet 24/7 beschikbaar. Tuurlijk proberen ouders mij soms ook te bellen. Als ik het niet druk heb, vind ik het niet erg om even met een cliënt te bellen. Soms hebben ze gewoon behoefte aan een vertrouwenspersoon.

‘Los van de momenten dat we elkaar zien is er nog veel werk omheen. Je hebt ook oudercontact, gesprekken met scholen, overleggen met allerlei hulpverleners, de gemeente, of allemaal tegelijk. Goed contact met ouders is heel belangrijk. Tips geven over de opvoeding, bijvoorbeeld.’

Nemen ouders dat makkelijk aan van een 25-jarige?

‘De meesten vinden me een lief meisje, dat scheelt. Op mijn leeftijd weet ik zo het vertrouwen te winnen bij die ouders. Ik weet niet hoe ik het doe, behalve dat ik mee probeer te denken en interesse toon. De boodschap die ik kom brengen is niet altijd leuk, maar ik probeer ’m in te pakken als een cadeautje.

Noa Gransier werd 25 op 22 augustus 2026

Woonplaats: Grevenbicht

Hoe volwassen vind je jezelf op een schaal van 1 tot 10?

‘Een 7. Als ik kinderen zou hebben, zou het een hoger cijfer zijn. M’n vriend wil al wel, maar ik wacht liever nog twee jaar.’

Voel je jezelf onderdeel van een generatie?

‘Ja, de jonge cliënten met wie ik werk zitten echt nog veel meer op hun telefoon. Dan voel ik me toch ouder.’

Waar ben je over zeven jaar?

‘In een eigen huis, met mijn vriend, kinderen, de kat en het paard.’

‘Mijn leeftijd helpt ook bij de cliënten. Ik hou bijvoorbeeld van nepwimpers en laat ook nagels zetten, daardoor heb je snel aansluiting met de pubermeisjes. Dan vertrouwen ze je sneller en voel je voor hen als een grote zus. Dat vind ik zo leuk.’

Lukt het altijd om ze te helpen?

‘Sommige dingen liggen buiten je controle. Je kunt niet iedereen helpen, dat vind ik moeilijk. Soms denk ik: ik heb heel veel bereikt in die anderhalf uur begeleiding per week, maar dan komen ze de week erna terug en is alles weggespoeld door nieuwe problemen. Dweilen met de kraan open. Dat vond ik wel pittig, maar we proberen met nieuwe oplossingen te blijven komen. Volgende week is altijd weer een nieuwe week.’

Vind je het fijn dat je sinds kort niet meer in dat schoolritme hoeft te werken?

‘Ja, al zit ik nog wel achter de computer om administratie te doen, hoor. Ik moet zorgplannen en evaluaties schrijven. Dat gaat me heel goed af, want het is geen saai stuk typen over Duits of zoiets. Het gaat over de jeugdige die ik begeleid, en daar weet ik veel van af. Ik moet ook veel plannen.

‘Na werk moet ik altijd naar Vino, hem verzorgen en soms op hem rijden. Meestal hoop ik dat m’n ouders of vriend gekookt hebben, dan kan ik daar meteen blijven eten.’

Ben je al lang met je vriend?

‘Al vijf jaar. We waren eerst bevriend, en toen zijn we steeds meer naar elkaar toegegroeid. We hebben een jaar als vrienden geleefd, maar wel dat je een fix hebt. Dat je bezig bent, zeg maar.’

Wat betekent dat?

‘Je weet dat je elkaar leuk vindt, maar het is niet officieel. Eigenlijk is het net als een relatie, maar er zit geen datum aan. Het is niet definitief, maar je bent wel met elkaar, en je gaat niet meer met anderen. Of ja, als dat zou gebeuren, mag je daar niet echt een probleem van maken, want je hebt geen relatie, snap je? Niet dat dat gebeurd is, maar hij was wel afwachtend. Hij is zelfs mee op vakantie geweest met m’n ouders, toen-ie me nog niet eens gevraagd had.’

Wie heeft het uiteindelijk dan officieel gemaakt?

‘Hij, toen we een weekendje weg waren in Arnhem. Hij had er een speciaal moment van gemaakt, al vond ik dat wel awkward. We gingen ergens eten en toen had-ie een kaartje geschreven waar het op stond. Ik zei ja, maar ook dat hij het gewoon in het echt moest vragen. Dat vind ik leuker. Nu ga ik bijna van m’n ouders naar zijn huis verhuizen, het dorp verderop. Daar heeft hij een autobedrijf. Ik hoop dat we over een tijdje samen een huis kunnen kopen. Het liefst met een wei erachter, zodat ik Vino ook in de buurt heb.’

Source: Volkskrant

Previous

Next