Morgen is het precies honderd jaar geleden dat tenorsaxofonist John Coltrane (1926-1967) werd geboren. Nog steeds geldt hij als de allergrootste. Wat maakte hem zo geniaal? Acht Nederlandse jazzsaxofonisten over zijn invloed, van Hans Dulfer tot Kika Sprangers: ‘Iedereen wilde hem nadoen.’
schrijft voor de Volkskrant over popmuziek en jazz.
Zijn leven lang zocht saxofonist John Coltrane naar ‘het hogere’ in de muziek. Het is de reden dat hij nu als de aartsvader van de spirituele jazz geldt, en bovendien als een cruciale figuur voor de ontwikkeling van de freejazz. Hoogtepunten: het album A Love Supreme uit 1965 en het vijf jaar eerder verschenen Kind of Blue van Miles Davis, waarop Coltrane meespeelt – de enige jazzplaat die al decennialang tot de popmuzikale canon wordt gerekend.
A Love Supreme verscheen toen Coltrane al zo’n 25 studioplaten had gemaakt. Tot zijn dood in 1967 zou hij er nog negen uitbrengen. En dan laten we alle liveplaten en postuum verschenen studioplaten voor het gemak even buiten beschouwing.
Op A Love Supreme hoor je eigenlijk alles wat Coltrane bijzonder maakt. De blues waarmee hij was opgegroeid, de spiritualiteit waarvoor hij zijn leven lang een uitlaatklep zocht, zijn experimenteerdrang, zijn fabelachtige techniek.
De meeste jazzplaten in die tijd bestonden uit losstaande nummers, meestal in een of twee sessies opgenomen. Wat Coltrane deed was nieuw in de jazz: een compleet album vullen met thematisch naar elkaar verwijzende stukken. Hij vertelde een muzikaal verhaal, het resultaat van zijn zoektocht naar het hogere.
Zijn gedicht op de binnenhoes is een lange ode aan God, die hij aan het einde van de plaat brengt met zijn saxofoon. Blazend volgt hij het ritme van het gedicht, dat begint met de woorden ‘I will do all I can to be worthy of Thee, O Lord’. Coltrane speelt het syllabe voor syllabe.
Je hoeft niet in God te geloven om gegrepen te worden door de even toegankelijke als bezwerende muziek. Vanaf het viernotige motiefje van bassist Jimmy Garrison is iedere noot raak; het lijkt alsof Coltranes spel echt door hogere machten wordt gedreven.
Coltrane had al prachtige muziek gemaakt. In het kwintet van Miles Davis bijvoorbeeld, die hem in 1955 vroeg en zo de ruimte gaf zijn unieke, heldere, wat hoge sound te ontwikkelen. Die kwam op Blue Train (1958) en Giant Steps (1960), zijn eerste platen als bandleider, tot volle wasdom.
Maar het was met zijn kwartet dat hij vanaf 1961 werkelijk als bandleider glorieerde. Samen met McCoy Tyner (piano), Jimmy Garrison (contrabas) en Elvin Jones (drums) nam hij een reeks klassiek geworden albums op, in 1965 dus culminerend in A Love Supreme.
Een hoogtepunt, maar ook een cesuur in zijn oeuvre. Coltrane bleef zoeken naar nieuwe expressievormen op de albums die hij maakte in de twee jaar die hem nog restten, totdat hij in juli 1967 aan leverkanker overleed.
Zijn latere uitspattingen richting freejazz werden niet door iedereen gewaardeerd. Coltrane werd er zelfs om verguisd, maar je blijft je toch afvragen waar zijn experimenteerdrang hem had gebracht als hij niet vroegtijdig uit het leven was gerukt. Op al zijn post-Supreme platen horen we een Coltrane die bijna maniakaal blijft zoeken naar een nieuw jazzidioom. Maar door alle ingewikkelde maatsoorten heen klonk er altijd zijn bijna bevrijdende saxofoon.
Wat maakte hem tot zo’n uniek saxofonist? Wat zorgde ervoor dat zijn composities en minutenlange solo’s nog altijd op alle conservatoria worden gespeeld? En wat betekent zijn muziek eigenlijk voor Nederlandse jazzsaxofonisten? Hoe belangrijk was John Coltrane in de muzikale vorming van bijvoorbeeld Hans Dulfer, Yuri Honing, Benjamin Herman en Tineke Postma?
Volgens de huidige top van het Nederlandse saxofonistengilde is zijn belang immens en niet te onderschatten. We spraken acht alt- en tenorsaxofonisten, en elk van hen noemt Coltrane als een van de allergrootste invloeden. Meestal was zijn muziek zelfs bepalend voor het besluit om jazzmuzikant te worden. Voor saxofonist Yuri Honing was zijn muziek ‘doorslaggevend om tenor te gaan spelen’. Jasper Blom stopte met het luisteren naar zijn muziek omdat hij bang was ‘een Coltrane-kloon’ te worden. En Benjamin Herman herinnert zich het cassettebandje dat hij als 15-jarige stukdraaide. ‘Ik kon alle solo’s meezingen. Had ik ze ook maar meegespeeld op sax, dan was mijn leven vast anders gelopen.’
De onontkoombaarheid van de muziek van John Coltrane blijkt wel uit het feit dat elk van de geïnterviewden wel een herinnering heeft aan de eerste keer dat zijn muziek voorbijkwam. Voor de meesten bleek de kennismaking een openbaring of het begin van een liefde voor zijn muziek die tot op dag van vandaag voortduurt.
Maar niet voor de nestor van dit gezelschap Hans Dulfer (86). Hij is als enige oud genoeg om de sensatie van het verschijnen van ‘een nieuwe John Coltrane-lp’ te hebben meegemaakt. Maar toen hij, 16 jaar oud, hem voor het eerst hoorde spelen samen met zijn held Sonny Rollins op het album Tenor Madness (1956), was hij niet onder de indruk. ‘Er was nog niet zoveel jazz te koop en dit was de allereerste lp die ik kocht. Dat was vooral vanwege Rollins, Coltrane vond ik niet zo geweldig. Ik hield niet zo van zijn ijle dunne toon. Aan zijn wat hoge geluid heb ik ook lang moeten wennen.’
Tenorsaxofonisten moesten van Dulfer een hard, breed en dik geluid hebben, zoals Ben Webster en Sonny Rollins. Zo wilde hij zelf ook spelen. De tenor van Coltrane klonk hem aanvankelijk te dun, de waardering kwam later pas. ‘Hij kon natuurlijk geweldig spelen, maar voor mij was hij geen voorbeeld.’
Dat was hij wel voor Jasper Blom (61). Toen hij in de jaren tachtig in Den Haag aan het conservatorium saxofoon ging studeren, was de geest van Coltrane overal aanwezig. ‘Saxofonisten als Michael Brecker en andere jazziconen uit de jaren zeventig waren daar erg populair en die waren allemaal idolaat van hem.’ Blom studeerde bij Dave Liebman, een andere post-Coltrane-icoon. ‘Dan kom je vanzelf bij Coltrane uit. Zijn muziek was bepalend en is me nooit gaan vervelen.’
Voor tenorsaxofonist Mete Erker begon het met het cassettebandje dat hij op zijn 16de had van Kind of Blue. ‘Ik moest best wennen aan het geluid van Coltrane daarop, maar leerde het steeds meer waarderen. Vooral toen Michiel de Ruyter een radioprogramma van vier uur over hem maakte. Ik nam het op en luisterde heel veel naar die bandjes waarop zijn hele loopbaan voorbijkwam.’
Vooral het werk uit de laatste periode in Coltranes leven beviel Erker. ‘Het voelde als een entree in een andere wereld, een waarin de tijd stilstaat.’
Yuri Honing (61) herinnert zich hoe idolaat hij op zijn 18de was van Lush Life (1961). ‘Die plaat was zelfs doorslaggevend voor mijn omschakeling van alt- naar tenorsaxofoon. Ik had een poster aan de wand waarop hij van voet tot kruin stond afgebeeld. Alles op die foto heb ik aangeschaft. Sax, mondstuk, pak, schoenen, helemaal gekopieerd.’
Dat deze tenorsaxofonisten door de muziek van Coltrane gegrepen werden is logisch, hij speelde immers hetzelfde instrument. Maar hoe zit dat met de altsaxofonisten? En wat is eigenlijk het verschil tussen de twee instrumenten?
Jasper Blom: ‘Een tenor is veel groter dan de alt, die daardoor wat wendbaarder is. De toonvorming bij een alt werkt ook anders. Op een tenor zet je meer je keel open voor een volle sound en bij alt speelt je gehemelte een grotere rol.’
Naast het album van Coltrane speelde het formaat van de tenorsaxofoon ook een cruciale rol in de instrumentkeuze van Yuri Honing. ‘Ik ben te lang voor een klein instrument als de altsaxofoon. Ik kon er wel goed op spelen, maar mensen zeiden: het klinkt prachtig, maar je ziet er niet uit op alt. Toen ben ik overgestapt, want op je 18de wil je er toch goed uitzien.’
Bij altsaxofonist Benjamin Herman (58) werkte het precies andersom. ‘Ik was een klein menneke toen ik begon. Zo’n tenorsax was te groot voor mij. Nog steeds denk ik als ik een tenor in handen heb: dat ziet er niet uit.’
Herman speelt er dan wel niet op, maar zijn grote voorbeelden waren wel tenoristen als John Coltrane. ‘Ik was 15 en had een cassettebandje met op de ene kant het album Coltrane’s Sound (1964) en op de andere Miles Davis Live at Newport 1963. In Davis’ band speelde Coltrane van die heel lange solo’s met bakken vol noten. Daarna kwam op altsax Cannonball Adderley met zijn frivole altklanken. Ook mooi, maar Coltrane was echt andere koek. Ik luisterde zo vaak dat ik zijn solo’s op een gegeven moment kon meezingen.’
Ook Ben van Gelder (37) mag dan vooral altsax spelen, hij werd wel gevormd door zijn muziek. ‘Ik had een discman waarin ik steeds de albums Kind of Blue en My Funny Valentine van Miles Davis afwisselde. Die heb ik grijsgedraaid. Met Kind of Blue leerde ik hem kennen en ik denk wel dat hij mijn belangrijkste invloed was. Die toewijding van Coltrane, dat is het toonbeeld van waar een mens toe in staat is als hij echt ergens in gelooft. Iedere noot ademt urgentie uit.’
Dat onderschrijft Tineke Postma (48, sopraan- en altsax): ‘John Coltrane is voor mij de allergrootste. Mijn ouders draaiden veel jazz. Ook het album Round About Midnight (1955) van Miles Davis. Daarop heb ik hem voor het eerst gehoord.’
Net als Blom studeerde Postma bij David Liebman. ‘Ik was een jaar of 22 en we praatten veel over Coltrane. Voor een beter begrip schreef ik zijn solo’s uit in notenschrift. Zo’n stuk als Resolution van het album A Love Supreme, daar konden we maanden zoet mee zijn. Met alle details, waarom bepaalde noten bijvoorbeeld goed werken. Daar heb ik veel van geleerd.’
De laatste Coltrane-adept is ook de jongste: Kika Sprangers (32, alt- en sopraansax). Ze heeft zijn muziek best laat leren kennen, vindt ze. ‘Het landde pas toen ik op het conservatorium kwam. Daar hoorde ik Naima, een bloedmooie ballad op het album Giant Steps.
‘Daarmee begon het voor mij. Toen ik me in zijn werk verdiepte, stuitte ik op zijn versie van My Favorite Things, dat hij op sopraansax speelde. Zo lyrisch en krachtig tegelijk had ik dat instrument nog nooit gehoord. Dat zorgde ervoor dat ik zelf sopraan ging spelen.’
Na de eerste kennismaking is eigenlijk iedereen verslingerd gebleven aan de muziek van Coltrane. Ook scepticus Hans Dulfer herinnert zich nog hoe hij hem in de jaren zeventig overal om zich heen terughoorde. ‘Iedereen wilde hem nadoen. Ik moest op een gegeven moment toch erkennen dat zijn lange solo’s geweldig waren en dat hij goed en snel veel noten kon spelen.’
Jasper Blom: ‘Coltrane heeft de rol van de tenorsax in de jazz veranderd. De eeuwig zoekende manier van spelen, die je nog altijd hoort, is bij hem begonnen.’ Of zoals Benjamin Herman zegt: ‘Dat heel hoge geluid is nu een normaal register bij saxofonisten, maar hij was daar de eerste mee.’
John Coltrane was niet de enige met een eigen sound, maar wel de invloedrijkste. Yuri Honing: ‘Coleman Hawkins, Ben Webster, Lester Young, Stan Getz, Sonny Rollins: noem ze maar op. Allemaal met een volledig eigen sound. Van elk van hen kon ik veel leren, maar Coltrane is de allerbeste saxofonist die ik ooit heb gehoord. Zijn techniek is altijd drager geweest van de boodschap. Ondanks de harmonische complexiteit in zijn muziek kwam de spiritualiteit altijd bovendrijven.’
Maar ook wanneer hij het simpel hield, liet hij zijn invloed gelden. Herman: ‘De manier waarop saxofonisten ballads zijn gaan spelen is door Naima (van het album Giant Steps) veranderd. Geen vleierijen meer of een beetje zoet proberen te klinken. Maar bloedserieus, diep vanuit het hart. Die bijna spirituele lading was iets nieuws.’
Ook nieuw in de moderne jazz was zijn gebruik van de sopraansax, die sinds de hoogtijdagen van Sidney Bechet, decennia eerder, uit de mode was geraakt. Zo lyrisch als hij het instrument kon laten klinken, kon niemand anders het, vinden zowel Tineke Postma als Kika Sprangers. Beiden zijn zich dankzij Coltrane op sopraansax gaan bekwamen.
Postma: ‘Altijd als ik sopraan speel, heb ik Coltrane in het achterhoofd. Prachtig, zo lyrisch en emotioneel als hij ballads kon laten klinken.’
Over wat uiteindelijk het beste Coltrane-album is, bestaat een duidelijke consensus. A Love Supreme wordt door iedereen genoemd. Al had Coltrane van Hans Dulfer en Benjamin Herman God er best buiten mogen laten. ‘Een meesterwerk dat in mijn top vijf aller tijden staat’, zegt Ben van Gelder.
Jasper Blom heeft een zwak voor de platen erna. ‘Uit die voor veel mensen zo moeilijk verteerbare late periode kies ik Interstellar Space, dat hij vlak voor zijn dood opnam. Ontdaan van alle franje speelt hij alleen met drummer Rashied Ali. Je moet er even voor gaan zitten. Het is zijn zwanenzang, waarop hij eigenlijk afstand neemt van alle conventies. Echt een bijzondere, diep spirituele luisterervaring.’
Honing kiest voor het album Crescent (1964), dat aan A Love Supreme voorafging. ‘Misschien niet zo’n uitgebalanceerde, maar wel een bizar goede plaat.’
Mete Erker en Kika Sprangers noemen Ellington & Coltrane (1963), omdat het zo’n goede plaat is om met jazz kennis te maken, aldus Sprangers. ‘Ik raad die altijd aan als iemand vraagt naar een mooi, toegankelijk jazzalbum.’ En eentje waarop volgens Erker ‘de werelden van twee van de grootste jazzmuzikanten samenkomen’.
Benjamin Herman gaat voor Coltrane’s Sound (1964). ‘Die klinkt fantastisch en is opgenomen in dezelfde studio waar Ray Charles zijn mooiste platen opnam. Ik heb hem helemaal grijsgedraaid.’
Tineke Postma tot slot kiest voor ‘Miles & Monk at Newport (1963). ‘Omdat het een te gekke liveplaat is en Coltrane in de band van Miles Davis helemaal losgaat in zijn solo’s. Die zijn lang en onafgebroken intens. Ik vind die energie echt geweldig.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant