Drama ‘Palestine ’36’ vertelt met zo’n twaalf personages het verhaal van de driejarige Palestijnse volksopstand van 1936-1939. De film blijft weg van de commandotenten, en richt zich op gewone , vaak apolitieke mensen.
Karim Daoud Anaya als Yusuf in ‘Palestine ’36’.
Regie: Annemarie Jacir. Met: Jeremy Irons, Saleh Bakri, Robert Aramayo, Hiam Abbass. Lengte: 118 minuten. Te zien in de bioscoop.
In Palestine ’36 is het voornaamste geschil niet tussen de Palestijnen en de Joden, maar tussen de Britten en Palestijnen – en de Palestijnen onderling.
In de jaren dertig was Mandaatgebied Palestina (1920-1948) een kruitvat met talloze brandende lonten. In de decennia na de Eerste Wereldoorlog groeide de Joodse bevolking sterk, tot zo’n dertig procent van de Palestijnse bevolking. Spanningen liepen op. Vooral omdat nationale rechten van Palestijnen door de Britse overheerser werden afgeknepen. In 1936 sprong het vat: een Palestijnse volksopstand leidde tot duizenden doden en beperkte resultaten – zie het nieuws. Eén jaar later adviseerde de Commissie-Peel om Palestina op te delen in een Joods, Israëlisch en Brits deel.
Het is ingewikkeld, zo’n geschiedenis in één alinea samenvatten. En misschien nog wel ingewikkelder om dat in een meeslepende film te doen. Palestine ’36 probeert dat door weg te blijven uit de commandotenten en zich te richten op normale mensen, die niet bezig zijn met godgegeven landrechten of etniciteit, maar daar toch het slachtoffer van worden.
We volgen zo’n twaalf personages. Palestijnse dorpelingen die steeds meer land verliezen aan kolonisten, afgeknepen havenwerkers die zich bewapenen, leden van een cynische Palestijnse bourgeoisie en een journaliste (Yasmine Al Massri) wier krant zionistische agitprop afdrukt.
Scène uit ‘Palestine ’36’.
De brug tussen al die werelden is Yusuf (Karim Daoud Anaya), een jonge fellah die land en klasse doorkruist: van de akker van zijn familie tot de rijkdom van de Jeruzalemse krantenbaas voor wie hij chauffeert. Om hem heen zie je de verschillende reacties op de toenemende spanningen. De boeren willen apolitiek blijven. Maar kan dat als je land verliest en de koloniale politie constant met wapens komt zwaaien? De bourgeoisie collaboreert om de eigen status niet te verliezen. Maar verzoeningspolitiek werkt zelden verzoenend.
Yusuf begint apolitiek, maar pakt toch de wapens op. Zo staat hij symbool voor de hele Palestijnse opstand. Yusufs familieleden worden vermoord of opgepakt. Hij ziet dat de vrijgevochten Palestijnse vrouw door de Britten in een patriarchaal keurslijf gepropt wordt. Hij wordt niet als verzetsstrijder geboren, maar tot verzetsstrijder gemaakt. Dat is de boodschap van Palestine ’36: Palestijns verzet was/is niet alleen begrijpelijk, maar onvermijdelijk.
Sterke Palestijnse personages dragen de film; bij actrice Hiam Abbass trekt de wanhoop in lijnen over haar gezicht. De Britten zijn vooral sjabloonpersonages. De koloniale administrator Sir Arthur Wauchope (Jeremy Irons) straft emotieloos het collectief voor de acties van het individu, terwijl zijn sadistische aanvalshond Wingate likkebaardend grootmoeders opblaast. Er is één Brits bloedend hart, Thomas (Billy Howle), maar ook hij taait af als het verzet om meer dan gemompelde bedenkingen vraagt.
Joodse kolonisten blijven in de film gezichtsloos. We zien ze lopen in de verte, hekken timmeren. Verder zijn ze alleen aanwezig in wat ze teweegbrengen – in de uitdijende lijnen van hun landerijen. Dat is een begrijpelijke keuze: de film gaat zo niet over religieuze of etnische strijd, maar om het verzet van een volk in verdrukking. Zie het als een sympathiek antidotum voor Exodus (1960).
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie