Merel van Vroonhoven is leraar, toezichthouder en columnist van de Volkskrant.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.Klik hier om een nieuwe paragraaf te starten
Er is nog hoop, dacht ik bij het kijken naar de documentaireserie Zoals het komt van Nicolaas Veul. Net als in eerdere 100 dagen-series loopt Veul stage in een voor het publieke oog verborgen wereld. Dit keer de intensieve gehandicaptenzorg.
Woonzorgpark Groot Schuylenburg biedt very intensive care-units (VIC) voor mensen met een ernstige verstandelijke beperking en moeilijk verstaanbaar gedrag. Zij kunnen niet meer thuis wonen en zijn in hun dagelijkse leven in vrijwel alles afhankelijk van persoonlijke begeleiding door zorgbegeleiders en hun naasten.
In de VIC heeft elke bewoner zijn eigen studio, inclusief eigen badkamer. Speciaal voor hem of haar ingericht. Soms met zachte wanden en gordijnen die niet kunnen scheuren, of een extra dikke deur die een schop kan weerstaan. Maar ook met foto's aan de muur van dierbare familie, of een lievelingsposter. Een fijne plek om zoveel mogelijk jezelf te kunnen zijn, ook als het begint te stormen in je hoofd.
Door genetische afwijkingen die vaak zeldzaam zijn, blijft het zelfs voor gespecialiseerde zorgmedewerkers zoeken naar de gebruiksaanwijzing van deze mannen en vrouwen, met hun volwassen lijven, maar met het brein van een klein kind. Gevoelens vinden hun weg in gedrag. Is die lach een teken van vrolijkheid of ongemak? Een onverwachte verandering in de ochtendroutine of een schreeuw van een medebewoner kan aanleiding zijn voor plotselinge angst, die in een fractie van een seconde omslaat in een uitbarsting. En grote lijven zijn sterk.
Al bij de eerste aflevering voel je ontzag voor de begeleiders. De continue dreiging van onrust en escalatie doet een groot beroep op hun professionaliteit. Wat kan er gebeuren als Jan-Willem overprikkeld raakt? Of als Oussama zijn dag niet heeft? Wie is waar in welke ruimte? Werken in de intensieve zorg vraagt voortdurend vooruitdenken, stevigheid en stressbestendigheid. Plus een ijzeren discipline om niet te marchanderen met de dagelijkse routines die de bewoners houvast bieden. Maar ook compassie met de mensen die je begeleidt.
‘Misschien is de allerbelangrijkste vaardigheid wel dat je, wie er ook tegenover je zit, naar de ander durft te kijken zonder dat je iets invult of oordeelt’, zegt Veul in het AD. ‘Dat is een ambacht, bijna een levenskunst. Echt ruimte maken voor de ander.’
Je voelt het als kijker. Dat oog voor de kleinste signalen. ‘Zie je zijn hand trillen, dan weet je dat hij overprikkeld is. Dan moet je hem even rust gunnen.’ Maar ook voor de kleinste momenten als kans om ze groot te maken, het leven betekenisvol te laten zijn: een knuffel, het samen zingen van een kinderliedje, of gewoon datzelfde, terugkerende grapje.
Volgens Veul is gehandicaptenzorg ‘een lakmoesproef voor onze maatschappij: de staat van de samenleving kun je afmeten aan hoe ze met de meest kwetsbaren omgaat.’
Beschaving bestaat nog, concludeerde ik opgelucht na het zien van Veuls docu. Des te pijnlijker voelde de confrontatie daags erna, toen ik het rapport Kinderen in Nood van de Onderzoeksraad voor Veiligheid las.
Duizenden kinderen in de asielnoodopvang leven jarenlang opgepropt in krappe, gehorige containers, in sporthallen achter schotten zonder plafond, waar elke ruzie, elk gehuil doordringt. Geen privacy, geen fatsoenlijke douches of schone toiletten. Gekluisterd aan een stapelbed in piepkleine kamertjes, zonder frisse lucht wachtend op een toekomst. Angstig en onzeker, ook omdat de dreiging van geweld nooit ver weg is.
Willens en wetens in stand gehouden, genormaliseerd. Hetzelfde land, dezelfde lakmoesproef.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app. Klik op het belletje naast de auteursnaam.