Home

De Zeeuwse herrieschoppers van het gloeiendhete rockbandje Grote Geelstaart willen niet zinken (maar ook geen hits schrijven)

Reportage Met neurotisch Nederlandstalige noiserock veroveren de Zeeuwse jonge honden van Grote Geelstaart podia in binnen- en buitenland. Hoewel ze zich afzetten tegen de dorpse bekrompenheid, is hun nieuwe EP Wij zinken onlosmakelijk met hun geboortegrond verbonden. „Dat we op deze dijk kunnen staan zonder weg te spoelen wordt alleen maar minder vanzelfsprekend.”

Grote Geelstaart

Het is te mooi om waar te zijn. Maar tóch is het zo.

Neerlands meest progressieve band van het moment houdt hoofdkwartier in het lokale dorpscentrum van het (streng-)gereformeerde Kapelle, in het Zeeuwse Zuid-Beveland, niet per se de meest vooruitstrevende plek van de natie. ‘Dementievriendelijk’, staat er op een geruststellende poster bij de ingang. Doordeweeks zijn bezoekers hier fanatiek aan het bridgen, biljarten of boetseren (bij het gezelschap ‘Uit klei getrokken’). Deze zaterdag staan lange tafels én een groot vier-op-een-rij-rek klaar voor verschillende verjaardagsfeesten, later vanmiddag.

Maar morgen, uitgerekend op zondag als de meeste Kapellenaren hebben plaatsgenomen op de houten banken in de drie kerken van het dorp, sjouwen de vijf jonge en hongerige herrieschoppers van Grote Geelstaart hun buitensporige voorraad aan instrumenten en apparatuur op het podium waar normaal gesproken bingonummers worden voorgelezen, draaien het volume op standje elf en beginnen te blazen.

„Weg met de zondagsrust”, grijnst bassist Jeppe Rottier (23). „Je kan onze muziek dan heel goed horen in de buurt.” En dan bloedserieus: „Maar we hebben het voordeel dat bijna alle omwonenden doof zijn.”

Grote Geelstaart is aan een stormachtige opmars bezig. Het vijftal stond de afgelopen maanden op festivals als Best Kept Secret, Oerol en Lowlands, speelde in Duitsland en Portugal en werd opgepikt door zowel de Britse krant The Guardian als The Needle Drop, het platform van de Amerikaanse muziekinfluencer Anthony Fantano. Vrijdag verscheen de tweede EP Wij zinken.

Grote Geelstaart: succes met ondoorgrondelijke, neurotische Nederlandstalige noiserock.

De bijbehorende clubtour die woensdag start in de Amsterdamse concertzaal Paradiso is al zo goed als uitverkocht. Daarna volgen shows in Parijs, Londen, Brighton en Bristol.

En het wonderlijke is: dat succes boekt de band niet met pakkende melodieën en lekker in het gehoor liggende popsongs, maar met ondoorgrondelijke, neurotische Nederlandstalige noiserock. ‘Georganiseerde chaos’, noemen ze het zelf.

De paniek van een schipbreukeling

De hysterische gekte en muzikale genialiteit van Wij zinken doet denken aan eveneens breed uitwaaierende bands die óók lak hebben aan begrenzende genrewetten, zoals black midi en King Gizzard & the Wizard Lizard. In de stampende technometal van ‘Maalstroom’ weerklinkt paniek van een schipbreukeling. In ‘Nat Zeil’ hoor je aan de gierende saxofoons, trompetten en dwarsfluiten hoe een stomdronken en op zee verdwaalde schipper vergaat in de mist en zijn laatste adem uitblaast. Het monotone en machinale gedreun in ‘Vracht 7’ is een bedwelmende hypnose die ook van de experimentele pioniers Swans had kunnen zijn.

„Onze geluidsman vraagt altijd: ‘Wanneer schrijven jullie eens een hit?’”, zegt toetsenist Danny Rottier (20). „Maar dat kunnen we helemaal niet.” „Het geeft veel meer voldoening om iets vaags te maken”, vindt gitarist (en soms tweede drummer) Jesper Rottier (21). „We hóéven niet per se vaste akkoordenschema’s te volgen: als wij het zelf maar vet vinden.”

„De luisteraar mag er best een beetje voor werken”, aldus drummer Finley Nijssen (22). „Het moet voor onszelf goed voelen”, zegt gitarist en zanger (die overigens meer praat en schreeuwt dan zingt) Luuk Bosma (23). „En kennelijk wordt het dan dit.”

En ja, zoals de achternamen al verklappen, is bijna iedereen in de band familie van elkaar. Jeppe en Jesper zijn broers, Danny en Finley zijn hun neven. Luuk is weliswaar geen bloedverwant, maar wel middelbareschool-maat. Hij blufte zich ooit op het podium door te zeggen dat hij de gitaarsolo in de King Gizzard-cover ‘The River’ beheerste (wat ook zo was) en mocht blijven.

Overigens heeft het merendeel van hun geboortedorp geen idee dat ze – altijd in witte overhemden met stropdas (Finleys moeder wast en strijkt ze achteraf) – in de rest van het land podia veroveren.

Jeppe: „In Kapelle luistert niemand naar onze muziek.” Jesper: „In de Randstad word ik vaker herkend dan hier. Maar laatst vroeg de huisarts wel of we nog shows hadden.” Jeppe: „Hahaha: dat wist ze omdat je daar was om na alle herrie de proppen uit je oren te laten spuiten!”

Dat ze zulke „rare muziek” maken én luisteren komt deels uit verveling, vermoedt Danny. „Omdat er weinig te doen is, moet je jezelf vermaken.” Luuk: „Dan ga je eindeloos obscure bands zoeken op Spotify en YouTube.” Maar het is ook een uiting van opstandigheid ten opzichte van de omgeving waarin ‘normaal doen’ geldt als ultiem ideaal, zegt Jesper. „Het is een manier om je af te zetten. Veel mensen zijn hier best suf en kijken nooit verder dan hun eigen dorp.”

Jeppe: „Zo’n dorp als Yerseke, kweenieman, daar kan ik echt niet mee levelen. Dat zit echt óp, maar vaak óver het randje van wat ik qua normen en waarden acceptabel vind.” „Iedereen is daar zwaargelovig en diep racistisch”, walgt Danny.

Patoáááááten

Toch is Wij Zinken onlosmakelijk met Zeeland verbonden, vindt de band. Om dat te snappen moeten we naar zee. Stuurman Jeppe weet een „goede binnendoor-route” om de (enige) snelweg in Beveland te vermijden. Even later hobbelt de bandbus („óók van het dorpscentrum, dan hoeven we niet bij elke show op en neer naar Middelburg om de enige grote bus van Zeeland te huren”) langs de boomgaarden, het fruitmuseum („een must see”, volgens Danny), loodsen vol aardappelen (Jesper: „Nee! Patoáááááten”), schapenweiden en pittoreske dorpjes als Driewegen (Jeppe: „Ik ben hier nog nooit geweest”).

Vlak voor Ovezande wijst Danny naar een grasland: „Daar wordt Klomppop gehouden, dat was ons eerste festival.” Jesper: „We speelden voor Roxy Dekker.” Jeppe: „Om haar niet te missen, gingen alle jonge meiden al bij onze show helemaal vooraan staan. Maar toen moesten ze dus die hele set aanhoren.” Jesper: „Ze waren echt committed, maar hebben het toch niet volgehouden.”

Grote Geelstaart, onlosmakelijk met Zeeland verbonden

Een voortdurende cliffhanger onderweg: zou hun allereerste oefenruimte in Lewedorp nog bestaan, verstopt in een grote uienschuur waar ook springkussenverhuur Jump4Joy opblaasbare kastelen, krokodillen en dino’s bewaarde? Spoiler: de schuur staat er nog. Bummer: er is niemand te bekennen en alle deuren zitten op slot. „Dit is waar het allemaal begon”, zegt Jeppe plechtig. „Niemand kon ons horen”, zegt Jesper. „Dat was ideaal.” Danny: „Steenkoud, supervochtig, overal schimmel en een koelkast met bier uit 2012.” Finley: „Omdat mijn vaders country-rockabilly-band er repeteerde, hoefden we niets te betalen.” Jesper: „We hadden niet eens spullen en speelden op hun instrumenten en versterkers. Vier jaar later is dat…”Jeppe: „…behoorlijk uit de klauwen gelopen.”

Iemand zin in een kokkel?

Tussen Ellewoutsdijk en Borssele rijdt de bandbus de dijk op. Een straffe zuidwester blaast vanaf de Westerschelde golven op een klein strandje waar een verdwaalde aanlegsteiger ligt. Drie enorme roestige pijpen steken rechtop uit het zand. Jesper peutert een schelp uit de vloedlijn en houdt hem trots omhoog: „Iemand zin in een kokkel?”

„Hier hebben we de foto’s voor de plaat gemaakt”, zegt Luuk. Jeppe: „We hadden zeilen en daar wilden we iets mee.” Jesper: „Dus die hebben we toen aan die palen vastgebonden.” Luuk: „Zo’n zeil dat – WOOOOF – opeens vol de wind vangt, dat is een prachtig geluid. Maar toen iemand losliet, ging het volle bak wapperen.” Jeppe: „En werd het even levensgevaarlijk.”

Maar dat is precies het punt dat ze met Wij zinken willen maken. „Ieder nummer gaat over hoogmoed en de zee”, aldus Jeppe. „Onze gemeenschappelijke opa vertelde vroeger altijd verhalen over de Watersnoodramp van 1953: over een tante die weigerde haar huis achter de dijk in Hansweert te verlaten, wegspoelde en nooit is teruggevonden. Of over hoe ze met paard en wagen door het water waadden dat tot de schofthoogte van het beest reikte. Met een vier meter lange stok probeerden ze te voelen waar de sloten zaten om niet kopje-onder te gaan.”

Luuk: „Als je in deze streek opgroeit, krijg je veel van dat soort verhalen mee.”

Jeppe: „Het is helemaal niet vanzelfsprekend dat we op deze dijk kunnen staan zonder weg te spoelen, en dat wordt alleen maar minder vanzelfsprekend. Ook al hebben we het op de EP nergens letterlijk over het klimaat, dat ultieme noodlot – dat wij zinken – daar wil je niet naartoe.”

Als ze de dijk zijn opgeklommen en aan boord van de bus willen springen, rennen ze plotseling toch weer richting naar beneden. Door de storm is een grote zwarte boei losgeslagen en aangespoeld. Op de basalten glooiing ligt die strandjutterstrofee te glimmen in de zon.

Jeppe: „Een perfecte stage prop!”

Finley: „Te mooi om te laten liggen.”

Grote Geelstaart Wij zinken (Eigen beheer)Optredens: 23/9 Paradiso, Amsterdam; 1/10 Merleyn, Nijmegen; 3/10 Mezz, Breda; 9/10 Nobel, Leiden; 12/11 V11, Rotterdam.

Maak NRC jouw voorkeursbron op Google

Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie

Populaire muziek

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next