Home

Opinie: De dalende homoacceptatie verbaast me niets. De islam als grootste boosdoener wél

Wij queers zijn niet gebaat bij het gebruiken van onze onveiligheid als stok om moslims of mensen van kleur mee te slaan. Pak liever de diepgewortelde homofobie aan in onze samenleving. Zodat pubers die uit de kast komen niet meer alleen staan.

Ik ben een lopend sociaal experiment gebleken. Recent onderzoek liet zien dat het aandeel jongeren met een positieve houding tegenover homoseksualiteit fors is gedaald: bij jongens van 40 naar 22 procent, en bij meisjes van 78 naar 51 procent. De dag na de publicatie van het onderzoek pakten JA21 en Groep Markuszower gelijk hun kans om de homofobie af te schuiven op de groeiende islamisering van Nederland.

Als openlijk homoseksuele puberjongen zat ik zowel op een 80 procent islamitische middelbare school als op een middelbare school die overwegend wit en seculier was. De cijfers van het onderzoek over verminderde homoacceptatie liggen (helaas) in lijn met mijn ervaring. Dat de islam het enige of grootste probleem zou zijn, niet. Want homofobie was op de ene school niet per se meer of minder dan op de andere, het was anders.

Over de auteur

Benjamin Caton (29) is expert diversiteit & inclusie, initiatiefnemer van de Dekoloniale Indonesië Nederland Herdenking in Amsterdam, activist en schrijver.

Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.

Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.

Islamitische middelbare school

Ik was de enige openlijke lhbtiq+’er (diplomajaar 2015) toen ik op mijn 13de uit de kast kwam op die overwegend islamitische middelbare school in Amsterdam-Oost. Dat zal u wellicht niet verbazen. Ikzelf was er ook niet verbaasd over, wel verdrietig. En, laten we eerlijk wezen, ook verveeld. Openlijk geflirt werd er niet met mij, laat staan dat ik mee mocht doen met alle verliefde tienerdrama. Wel had ik een geheime homoseksuele relatie, maar ja, dat is ook niet de ontwikkeling die je een puber gunt. Niets is immers zo toxisch als daten met iemand wiens grootste nachtmerrie is om te zijn zoals jij wél bent: homo.

Het voedt een zelfhaat die aan een heteroseksueel persoon moeilijk te omschrijven valt. Hetzelfde geldt overigens voor het constante besef ‘anders’ te zijn en dus op te moeten letten dat je in de pas blijft lopen: het constant aanpassen van stem, houding, blikken en woorden. Anders zou die zogenoemde ‘aandoening’ zo je sociale dood worden. Daar werd iedereen goed aan herinnerd: de homofobe leuzen en scheldwoorden vlogen als papieren vliegtuigjes door de klas. En zeker niet alleen richting mij.

Ik moet bekennen dat ik als tienerjongen een groot deel van die homofobie op het islamitische karakter van de school schoof – ondanks het gegeven dat ik daar veel vrienden had. Toen ik daarentegen naar de overwegend witte school in Amsterdam-Zuid verhuisde, stond me een vervelende verrassing te wachten. Het narratief dat ik met me meedroeg over Nederland als hét accepterende homoland zou voorgoed aan diggelen worden geslagen. Het schoolbestuur was daar dan wel uitgesproken lhbtiq+-positief, maar ook daar was homofobie dagelijkse kost. Wederom was ik de enige jongen die openlijk homoseksueel was, terwijl deze school wel drie of vier keer zo groot was.

Anders

De homofobie bleek er niet minder te zijn, maar anders. Op de meer islamitische middelbare school waren jongeren openlijk tegen het homohuwelijk. Tegelijkertijd zaten ze dicht bij elkaar, gaven ze elkaar knuffels en zaten ze met een arm om elkaar heen. Ook bij mij.

Op de overwegend witte middelbare school grepen de jongens elke kans om zich te kunnen distantiëren van homoseksualiteit. Niemand leek meer bezig te zijn met homoseksualiteit dan de heterojongen. Uitgemaakt worden voor homo kon immers hun sociale status aantasten, ook als ze het niet waren. Homofobie bestaat namelijk niet alleen uit afwijzing van homoseksuelen, maar ook uit het voortdurend bewaken van wat mannelijkheid en vrouwelijkheid mag of moet zijn.

Mijn ervaring is natuurlijk niet representatief, maar ze laat wel zien hoe weinig zinvol het is om homofobie aan één bevolkingsgroep toe te schrijven. Religieus conservatisme kan zeker een rol spelen bij homofobie. Maar de homofobie waar wij met z’n allen mee worstelen in deze maatschappij kan niet (alleen) toegeschreven worden aan islamisering; het zit diepgeworteld in onze samenleving. Homofobie komt voor in verschillende vormen en wordt door verschillende mensen verstevigd.

De pubers die vandaag de dag mijn vriend en mij naroepen op straat – iets dat steeds vaker gebeurt – zijn niet allemaal moslim. Ze komen net zo goed uit witte, seculiere milieus. Ook hoofdonderzoeker Gonneke Stevens stelt dat de daling in acceptatie niet uit één hoek komt: zowel in groepen met en zonder migratieachtergrond is de trend zichtbaar.

Wij queers zijn dus niet gebaat bij het gebruiken van onze onveiligheid als stok om moslims of mensen van kleur mee te slaan. Pak liever de diepgewortelde homofobie aan in onze samenleving. Zodat pubers die uit de kast komen niet meer alleen staan. En zodat ook witte heterojongens arm in arm kunnen zitten als ze elkaar aardig vinden; zonder bang te zijn dat het hun sociale dood wordt.

Toen de nieuwste cijfers van het onderzoek van Universiteit Utrecht en het Trimbos-Instituut naar buiten kwamen, voelde ik een fysieke steek in mijn maag. Slechts 36,5 procent van de middelbare scholieren heeft een ‘positieve houding’ tegenover homoseksualiteit. Een positieve houding tegenover iets waar je niet voor kan kiezen. Een positieve houding tegenover iemand die zichzelf is. En een halvering ten opzichte van vier jaar geleden.

Dat we er nog lang niet waren, was al duidelijk, maar er was nog hoop dat we vooruit waren gegaan. Die hoop hield ons staande.

Als jonge vrouw van 17 – die toevallig ook op vrouwen valt – heb ik alles al meegemaakt. Ik ben al raar aangekeken, nageroepen, bespuugd en uitgescholden. Ik heb al meegemaakt hoe het is om eerst te luisteren naar hoe mensen over lhbtiq+’ers praten voordat je besluit hoeveel van jezelf je gaat laten zien. Ik heb al meegemaakt hoe het is om jezelf kleiner te maken of verborgen te houden omdat anderen je niet accepteren. Hoe het is om hand in hand over straat te lopen en de afkeurende blikken van voorbijgangers te voelen.

Dagelijks maken lhbtiq+’ers dit van dichtbij mee. De sfeer op straat, op school en online is voelbaar veranderd. Het zijn de blikken, de zogenaamd ‘grappige’ opmerkingen en het toxische algoritme op sociale media dat onze samenleving binnensluipt.

Deze tekst gaat daarom niet alleen over mij. Maar ook over de jongen die al jaren weet dat hij op mannen valt, maar dit nergens durft te uiten. Over het meisje dat vanaf jongs af aan al weet dat er iets anders met haar is. Over de persoon die hun hele leven in de kast heeft gezeten, die te bang was voor het leven buiten de kast. Over het homokoppel dat niet hand in hand over straat durft te lopen. Over de lhbtqi+-jongere die stilvalt als leeftijdsgenoten in diens klas homo’s belachelijk maken. Dit gaat over ons.

We zien dit niet alleen in de klas, op straat of online. Dit zien we ook in de landelijke politiek, in de plenaire zaal. De mensen die ons zouden moeten beschermen, gebruiken ons als voer voor de zondebokpolitiek. ‘Transgenderideologie’ zou volgens hen doorgedrukt worden in onze samenleving, geslachtsveranderingsoperaties moeten volgens hen verboden worden en overheidsinstellingen moeten stoppen met het voeren van ‘lhbtqi+- campagnes’.

Als politieke leiders educatie over diversiteit framen als ‘indoctrinatie’ of ‘woke-ideologie’, bereiden zij de weg voor discriminatie en geven zij een duidelijk signaal af: deze groep is anders en op deze groep mag je neerkijken. En dat voelen wij direct op straat.

Hoe hopeloos de wereld er momenteel voor ons uitziet, toch zijn er nog dingen die we kunnen doen. Het is belangrijk dat we elkaar blijven vasthouden. Dat we de straten opgaan en dat we elkaar niet verliezen. Dat we zichtbaar blijven. Dat we luid blijven. Dat we blijven protesteren. Dat we trots zijn om onszelf te zijn.

En dat we nooit, maar dan ook nooit meer terug de kast in gaan. Ons recht om veilig te bestaan is geen discussiepunt. Wie onze zaak steunt, queer of hetero: spreek je uit. Spreek je uit tegen onrecht, sta achter ons en blijf onze bondgenoot. En ouders, die de homobevrijding hebben gesteund of meegemaakt, praat met uw kinderen. Laat ze niet afdwalen.
Janne ter Horst (17), Voorburg

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next