Natuur Hoogleraar plantenecologie Hans de Kroon heeft altijd met een bredere blik naar de natuur gekeken. Tijdens een wandeling bij Nijmegen toont hij zijn „liefde voor het landschap”.
Hoogleraar plantenecologie Hans de Kroon in de Ooijpolder.
In de lage avondzon zwermen de dansmuggen van de Ooijpolder goud aangelicht rond het hoofd van de Nijmeegse hoogleraar plantenecologie Hans de Kroon (67). Een natuurlijk aureool, zo lijkt het, al moet de kersverse emeritus van dergelijke ophemeling niets hebben. Nuchter, met beide benen op de gortdroge kleibodem – dat is De Kroon ten voeten uit.
Dat hij coauteur was van een van de meest geciteerde ecologische publicaties van het afgelopen decennium, over de enorme achteruitgang in de vliegende-insectenbiomassa? Hem zul je er niet over horen pochen. Het zijn de resultaten die tellen, de samenwerkingen.In de uren dat we hier samen op pad zijn in de uiterwaarden en het boerenland, wordt duidelijk hoezeer De Kroon een teamspeler is. Bij vrijwel elke boerderij, elke meidoornhaag die we passeren noemt hij de namen van betrokken agrariërs, en van de promovendi die hier de afgelopen jaren onderzoek hebben gedaan.
Samen met hoogleraar socio-ecologische interacties Noelle Aarts begon De Kroon in 2021 in deze 2.000 hectare een Living Lab. Doel was om het biodiversiteitsherstel in de Ooijpolder nader te bestuderen. „We keken onder meer naar het ecologisch effect van herstelmaatregelen in agrarisch gebied – denk bijvoorbeeld aan het aanleggen van bloemstroken. Daarnaast deden we sociologisch onderzoek. Onder welke voorwaarden zijn agrariërs bereid om mee te doen aan herstelinitiatieven? En wat maakt het herstel hier zo succesvol? Want vergis je niet, wij zijn pas vijf jaar geleden met ons onderzoek begonnen, maar eigenlijk kijk je hier naar het succes van twee decennia aan natuur- en landschapsherstel.”
Het was biologe en boerendochter Tiny Wigman die hier in 2005 begon met natuur- en landschapsherstel. In samenwerking met boerenbedrijven is sindsdien onder andere een kilometerslang geheel van hagen, poelen en bloemstroken aangelegd. „Een ecologische verbindingszone van maar liefst 60 kilometer lang. Robin Lexmond, een van de betrokken promovendi, heeft aangetoond dat elke meter haag een boost geeft aan het insectenleven. In de poelen hebben we volop kamsalamanders aangetroffen – een soort die het moeilijk heeft in Nederland.”
Dus: wat is de sleutel tot dat succes? „De betrokkenheid van de boeren. Verbinding met elkaar en met het landschap. Veel mensen denken ten onrechte dat het allemaal om geld draait. Ja, er staat een vergoeding tegenover het beheer van de meidoornhagen en bloemstroken. Maar dat is niet het hele plaatje. Zonder motivatie, zonder liefde voor het landschap houd je het niet vol. Die verbondenheid met hun omgeving voelen veel boeren ook. Alleen: te vaak worden ze betutteld. Dan komt er iemand met een opgeheven vingertje vertellen wat ze wel en niet mogen en moeten doen. Communicatie, vertrouwen, samenwerking, respect – het zijn allemaal onmisbare bouwstenen voor succesvol biodiversiteitsherstel. Net als ruimte en tijd, overigens: met alleen een paar jaar gepriegel op de vierkante meter ben je er niet.”
Het Living Lab vloeide indirect voort uit dat ándere veldonderzoek, inmiddels vaak kortweg omschreven als ‘de Krefeldstudie’. Negen jaar geleden, in oktober 2017, publiceerde De Kroon met ecoloog en statisticus Caspar Hallmann en diverse andere Nijmeegse en Duitse collega’s in tijdschrift PLOS One de resultaten van ruim een kwarteeuw insectenonderzoek. Daaruit bleek dat in Duitse natuurgebieden, onder andere rondom het dorp Krefeld, in 27 jaar tijd driekwart van de vliegende insectenbiomassa was verdwenen. „Er waren niet zozeer specifieke soorten uitgestorven, maar de algehele hoeveelheid was dus drastisch gedaald.” Nooit eerder werd zo’n dramatische afname vastgesteld. De publicatie veroorzaakte een schokgolf in de media. The Guardian schreef over een „ecologisch Armageddon”; The New York Times kopte: „De insectenapocalyps is hier.”
Driekwart van de vliegende insecten weggevaagd binnen enkele decennia. Hoe kón dat? „We keken naar klimaatverandering, naar veranderingen in landgebruik, maar één duidelijke oorzaak was er niet. Een collega van mij sprak van een ‘dood door duizend sneden’ – alles leek op te tellen.” Alle getroffen natuurgebieden waren relatief klein, én werden omringd door landbouwgebied – net als veel andere natuurgebieden in Nederland.
De publicatie bleek het startsein voor een grotere insectenbewustwording. Opeens leek iedereen doordrongen te zijn van de grootschalige achteruitgang én van de gevolgen. Niet alleen minder insecten op de nummerborden van auto’s, maar ook minder insecten voor bestuiving – wereldwijd wordt ruim driekwart van de voedselgewassen door insecten bestoven. „Aanvankelijk waren we bang dat mensen hun schouders zouden ophalen en zouden zeggen: wat maakt het uit – lekker toch, wat minder muggen? Maar in werkelijkheid sloeg het nieuws in als een bom.” In de eerste dagen na de verschijning werd het 200.000 keer bekeken.
Er kwamen ongelooflijk veel bezorgde reacties. „Dat is de meerwaarde van zo’n openaccesstijdschrift, dat je er een groot geïnteresseerd publiek mee kunt bereiken. Bladen als Nature en Science bedienen wat dat betreft veel meer een nichepubliek.” Hallmann had enkele jaren eerder al een artikel gepubliceerd waaruit bleek dat hoge concentraties neonicotinoïden samenhingen met de achteruitgang van insectenetende zangvogels. De Kroon: „Mensen kregen toch het idee: als de vogels en de insecten neervallen zijn wij de volgende.”
Tegelijk was er protest. „Vooral in Duitsland, vanuit de landbouwhoek. Onze studie werd gefileerd. Als de afname niet uiterst degelijk was onderbouwd zou de studie meteen op de vuilhoop zijn beland. Maar door het solide fundament en de herkenbaarheid van de uitkomst – mensen konden zich de tijden herinneren dat autoruiten nog wél vol insecten zaten – werd de driekwart afname een onontkoombaar iconisch getal.”
Maar met louter afschrikwekkende percentages ben je er niet, benadrukt hij. „Verandering kan uitsluitend ontstaan als mensen meerwaarde voelen, alleen cijfers zijn niet voldoende. Er moet emotie zijn. Daarom ben ik zo blij dat Tiny ons benaderde na onze publicatie in PLOS One, met de vraag of we niet eens wilden komen kijken in de Ooijpolder.” Wijzend op een voorbijspringende haas, en op laagvliegende libellen: „Hier erváár je waarin landschapsherstel het verschil kan maken.”
„Aanvankelijk waren we bang dat mensen hun schouders zouden ophalen en zouden zeggen: wat maakt het uit – lekker toch, wat minder muggen?”
Hij blijft staan bij een drooggevallen poel: „En ook waar klimaatverandering in negatieve zin invloed kan hebben. In eerdere jaren zat het hier nog vol kamsalamanders.” Verderop in de Ooijpolder wees De Kroon aan het begin van onze wandeling al op een compleet drooggevallen rivierarm. „Niet alleen het water van de Rijn stond deze zomer historisch laag, maar daarmee ook dat van de Waal, een grote vertakking van de Rijn. Als je erover in de krant leest is het al heftig, maar om dan hier te zien hoe zelfs hier gallowayrunderen grazen – op een plek waar normaal elk voorjaar zwarte sterns foerageren boven het open water… Dat is toch wel even slikken.”
Lopend door het hoge gras (optimistisch: „Ik heb in mijn hele loopbaan nog maar een keer of tien een tekenbeet gehad. Blijkbaar is mijn bloed niet lekker genoeg”) zet De Kroon nu en dan een verrekijker aan zijn ogen. „Daar! Een buizerd in gevecht met een blauwe reiger. Prachtig.”
Insecten, amfibieën: het zijn niet de eerste soortgroepen die je verwacht bij een hoogleraar plantenecologie. Aanvankelijk begon De Kroon zijn loopbaan ook als vegetatieman. „Ik ben opgegroeid op een boerderij in West-Brabant. Wilde bloemen stonden in de ogen van mijn vader gelijk aan onkruid; horren om de muggen tegen te houden waren toen nog de gewoonste zaak van de wereld. Toen ik biologie ging studeren had ik voor ogen dat het iets als biofysica zou worden, maar door de veldcursussen ging er een wereld voor me open. Opeens bleken er, naast gras, ook soorten als dauwnetel en hartgespan te bestaan.” En biggenkruid – de soort waarmee hij zich tijdens zijn studie bezighield. „Wat mij fascineerde was het grotere verhaal, de samenhang tussen soorten en hun omgeving.”
Bij zijn biggenkruidonderzoek lag de focus in het bijzonder op populatiegroei. „Die wordt bij planten bepaald door demografische processen zoals overleving en voortplanting, net als bij de mens. Maar wat planten zo interessant maakt, is dat ze zich ook op andere manieren kunnen vermeerderen, en sommige soorten zich zelfs door middel van klonen potentieel onsterfelijk kunnen maken.” Om uit te zoeken welke processen het meest aan de groei van de populatie bijdroegen, ontwikkelde De Kroon een model. „Maar de formule die daarvoor in omloop was, strookte niet met wat we in het veld zagen. We bleken een heel andere formule te moeten gebruiken, die tot dan toe nog helemaal niet op de biologie was toegepast, maar die enorm goed bruikbaar was om de populatiegroei te verklaren. Ons model bleek opeens veel breder toepasbaar dan alleen op biggenkruid. Zo werd het toegepast in een zeeschildpaddenstudie, met de verrassende conclusie dat het verbeteren van de overleving van volwassen dieren meer bijdraagt aan het voortbestaan van de populatie dan het redden van jonge schildpadden. Met andere woorden: als je voorkomt dat schildpadden in visnetten verstrikt raken, zet dat meer zoden aan de dijk dan wanneer je schildpadden die net uit het ei zijn gekropen begeleidt op hun weg richting de zee.”
„Wat mij fascineerde was het grotere verhaal, de samenhang tussen soorten en hun omgeving.”
Dat was het moment waarop De Kroon besefte dat hij én-én wilde in zijn loopbaan: veldwerk én modelstudies, planten én dieren. „In mijn afscheidsrede zei ik: ik ben nooit voor de volle honderd procent een plantenman geweest. En evenmin ben ik voor honderd procent een veldbioloog. Mijn begeleiders raadden me zo’n brede blik aanvankelijk af. Alleen door jezelf te specialiseren zou je succesvol kunnen worden als wetenschapper. Maar ik was te nieuwsgierig om naar ze te luisteren. Of misschien moet ik zeggen: te eigenwijs.”
De wandeling gaat verder, terwijl De Kroon voortdurend op details wijst: ooievaars die in een weiland naar wormen zoeken, een muisje dat wegschiet tussen het struikgewas. We passeren een zogeheten BAM-grond – „een afkorting voor biodivers akkermozaïek, wat er in de praktijk op neerkomt dat stroken met gewassen als luzerne en granen worden afgewisseld met bloemrijke kruidenstroken”.
Zo weerspiegelt zelfs de vegetatie de boodschap dat innige samenwerking loont. „Of je nu kijkt in het landschap of in de academische wereld, overal blijkt interactie cruciaal. Dat zien we ook bij ons project Future Dikes, dat zich richt op bloemrijke, toekomstbestendige dijken, zoals je ze ook hier in de Ooijpolder ziet. Een dijk waar zowel grassen als kruiden groeien is extra stevig, omdat die op verschillende dieptes wortelen. Bovendien jutten verschillende soorten elkaar op om méér wortels te maken, zo liet ons experimenteel onderzoek aan wortelinteracties zien.”
Een dikke tien jaar geleden waren de bloemrijke dijken nog in de minderheid. Het Hoogwaterbeschermingsprogramma heeft de taak om dijken toekomstbestendig te maken van dijken, maar soortenrijkdom was daar aanvankelijk geen onderdeel van. „De boodschap was: we gaan het geld dat we te besteden hebben sober en doelmatig inzetten. Nu zijn dat sowieso woorden waar ik jeuk van krijg, maar we konden toch aan de slag. En nu laat Future Dikes zien dat mooie, biodiverse dijken júíst hand in hand gaan met veiligheid. Des te bijzonderder het is dat de directie van het Hoogwaterbeschermingsprogramma heeft laten weten dat ze, op basis van onze resultaten, de bloemrijke dijken als nieuwe standaard zullen invoeren.” Vorig jaar won de onderzoeksgroep van De Kroon bovendien de Team-award van de Radboud Universiteit, vanwege de hechte onderlinge samenwerking.
Nu hij met emeritaat gaat, zullen die hechte banden met de universiteit niet worden doorgesneden. Integendeel: „Ik heb geen eigen werkkamer meer, maar verder verandert er voorlopig gevoelsmatig vrij weinig.” Hij is er sowieso de man niet naar om bij de pakken neer te zitten. „Ik wil opbouwen. Dat vind ik ook belangrijk als ik lezingen geef, dat ik niet alleen maar de noodklok luid. De eerste tien minuten besteed ik aandacht aan de ellende en daarna draait het vooral om perspectief bieden. Iedereen kan een verschil maken, hoe klein of groot ook. Het geheel is groter dan de som der delen, net als in een gezond ecosysteem.”
Om optimistisch te blijven helpt het om een landschap als dit te zien, wijst De Kroon om zich heen. „Melkveehouders die bewust kruiden inzaaien, boeren die zich verdiepen in de insecten die op de door hun beheerde hagen afkomen… Dat laat zien dat de tijden veranderen. In mijn jeugd was werken met onkruid nog ongehoord. Doodspuiten, dat was de enige juiste benadering. En nee, de situatie in de Ooijpolder is nog niet het nieuwe normaal, en ook hier is het nog niet af. Maar er zijn steeds meer regionale initiatieven die experimenteren met nieuwe landbouwvormen en ruimte voor de natuur. De natuur is veerkrachtig, zolang wij de randvoorwaarden daar maar voor bieden.” Hij citeert de twintigste-eeuwse Amerikaanse wildbeheerder en milieu-ethicus Aldo Leopold: „Gezondheid is het vermogen van de bodem en de leefomgeving om zichzelf te vernieuwen. Natuurbehoud is ons aller streven om dit vermogen te begrijpen en te handhaven.”
Ook de wetenschap heeft in de opbouw een belangrijke rol te spelen, benadrukt hij. „Met meer zicht op hoe de natuur zichzelf kan vernieuwen en in stand kan houden. Zien we in de opleving van planten, insecten en vogels een glimp van de natuur van de toekomst? Kunnen we, net als bij de zeeschildpadden, doorrekenen welke ingrepen het meest effectief zullen zijn voor de biodiversiteit op langere termijn? Daarin ligt een rol voor de ecologie die we nog te weinig benutten: herstelmaatregelen voorzien van een wetenschappelijk fundament – en dan, waar nodig, bijsturen.”
Naast zijn voortdurende veldwerkzaamheden zal De Kroon soms ook gewoon als wandelaar in de Ooijpolder te vinden zijn. „Al lopen die twee bezigheden ook in elkaar over. Als wandelaar heb je het ideale tempo om de natuur goed waar te nemen. Wel ben ik van plan om vaker mijn camera mee te nemen. De natuur heeft een schoonheid en kwetsbaarheid die je met wetenschappelijke data niet altijd kan tonen. Mijn streven is om bij elke plant die ik fotografeer het eigene van de soort vast te leggen. Zelfs het algemeenste grassprietje heeft karakter, als je de tijd neemt om goed te kijken.”
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie