Op het ministerie van Algemene Zaken groeide Rudi ter Haar uit tot een gewaardeerde collega. Maar eigenlijk was aan hem een zeer originele dichter verloren gegaan.
Het waren welgeteld twee regels waarmee Rudi ter Haar zijn entree maakte in dichterlijke kring. Ze verschenen begin februari 1967 in het studentenblad Propria Cures. De student aan de politiek-sociale faculteit aan de Universiteit van Amsterdam was er net twee maanden redacteur.
Dit zijn ze, uit het gedicht De uitvinding van de romantiek: De zon gaat onder / Ik voel me bijzonder.
Hoewel later meer gedichten van hem verschenen – zo haalden Citroen, Citroen, Het geluk en Hakke Hakke Puf Puf later een poëziebundel van het blad – vormden die woorden zijn claim to fame. Liefhebbers citeren ze nog gretig. Gerrit Komrij nam ze in 1979 op in zijn bloemlezing De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw in 1000 en enige gedichten.
De Volkskrant profileert regelmatig bekende en onbekende, kleurrijke Nederlanders die onlangs zijn overleden. Wilt u iemand aanmelden? postuum@volkskrant.nl
Als dichter was Ter Haar toen al uit beeld. Hij was in 1972 vertrokken naar de Rijksvoorlichtingsdienst in Den Haag, waar hij bijna dertig jaar zou blijven, als redacteur en later als analist. Hij schreef ook columns in het personeelsblad Vizier. Op 17 juli overleed hij op 85-jarige leeftijd in een Haags ziekenhuis aan hartfalen.
Hij laat een huis vol boeken na, zo’n drieduizend, schat zijn zes jaar jongere zus Els Beek-Ter Haar, en ze weet niet wat zich in tachtig dozen elders in een opslag bevindt.
Tot verbazing van de achterblijvers liet hij na zijn vertrek uit Amsterdam nog maar nauwelijks van zich horen. Schrijver Hans Vervoort, destijds ook redacteur bij Propria Cures, schreef deze maand in het tijdschrift Argus: ‘Hij ging ook in Den Haag wonen en verdween totaal uit het zicht.’ Het verraste Els Beek niet. ‘Rudi was nogal slordig in zijn sociale contacten. Zelfs ik weet weinig van hem.’
Een oud-collega op het ministerie van Algemene Zaken, Rimbert Kloosterman, noemt hem een buitenbeentje. ‘Hij was niet in iedereen geïnteresseerd en ging vooral zijn eigen gang. Maar hij was een geweldige medewerker, met veel kennis en humor.’
Op het departement circuleerde een anekdote over een Franse journalist die in alle vroegte belde om in contact te komen met toenmalig premier Joop den Uyl en Ter Haar aan de lijn kreeg. Die poeierde hem af, in zijn beste Frans. ‘Monsieur Le Uyl mange un œuf en ce moment.’
Ter Haar, geboren in Wieringermeer, was de oudste in een gezin met drie kinderen. Zijn vader zag toe op kampementen voor arbeiders die de Wieringermeer inpolderden en later de Noordoostpolder en de Flevopolder. Zijn moeder was leerkracht aan de huishoudschool in Kampen. Zijn zus Els herinnert zich dat de ombouw van het bed in de slaapkamer van Rudi steevast bedolven was onder stapels kranten.
In Amsterdam sloot hij zich aan bij de linkse studentenvereniging Politeia, hoewel hij naar eigen zeggen weinig interesse in politiek had. Zijn studie brak hij na drie jaar af en hij hopte vervolgens van baantje naar baantje, voordat zijn oog viel op de vacature bij de RVD.
In Vizier blikte hij in 2003 bij zijn afscheid terug op het beroemde gedicht. Hij schreef het op verzoek van een collega bij benzinepomp Kriterion. Die bood een rijksdaalder. Ter Haar keek uit het raam met zicht op ‘een bloedrode ondergaande zon’ en noteerde de regels op de achterkant van een bonnenboekje. Het kostte hem een paar minuten.
Het vers achtervolgde hem, vertelde hij. Zo vroeg de organisator van een gedichtenroute toestemming voor gebruik en wat dat zou kosten. ‘Ik weet niet op grond waarvan, maar ik heb toen besloten: 31,75 gulden. Ik kreeg prompt 31,75 overgemaakt.’
Op de begrafenis ging de kist schuil onder stapels boeken. Els: ‘Dat paste beter bij hem dan bloemen.’ Bij verschillende exemplaren lagen er nog boekenleggers tussen de pagina’s.
Source: Volkskrant