Home

Een selfie uit 1858 en andere zeldzame opnamen: tentoonstelling in Leiden toont oudste fotografie uit Japan

In het Leidse Sieboldhuis is een fraai overzicht te zien van de vroegste Japanse fotografie. Die begon op het ‘Hollandse’ eiland Deshima met een camera uit Amsterdam – en belangrijke bijrollen voor twee Nederlandse geneesheren.

is kunstredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft over fotografie en de zakelijke kant van de kunstwereld.

Je mag van een historische omwenteling spreken. Japan maakt al decennialang verreweg de meeste fototoestellen ter wereld. Canon, Sony, Fujifilm en Nikon verpletteren tezamen de internationale concurrentie. Maar lang nadat in 1839 de uitvinding van de camera in Parijs en Londen wereldkundig was gemaakt, was het in het land nog niet gelukt om een foto te nemen.

De daarvoor benodigde kennis werd uiteindelijk voor een belangrijk deel verschaft door een niet voor de hand liggende figuur uit het buitenland: een Nederlander die werkzaam was als geneesheer. En die, nog merkwaardiger, in Japan opgesloten zat op een eilandje van nog geen twee voetbalvelden groot.

Zijn naam was Jan Karel van den Broek (1814-1865) en hij was verantwoordelijk voor een keur aan moderniseringen in de natie, die door haar bijzondere geschiedenis twee eeuwen lang voor buitenlanders zo goed als ontoegankelijk was.

In 1639 besloot de regering van Japan, die bestond uit een shogun en een raad van landheren (de keizer had louter een ceremoniële functie), de grenzen te sluiten voor westerse mogendheden. Vooral de Portugezen, die al als eerste westerlingen het land hadden bereikt, waren volgens het shogunale hof een bedreiging, omdat ze Japanners tot het katholicisme bekeerden. De afgrendeling was rigoureus, toch werd er één uitzondering gemaakt: Nederland, dat er geen probleem in zag om de handel te scheiden van het geloof, mocht zaken blijven doen in het land.

Camera van een rijke familie

Het groepje in Japan verblijvende Hollanders moest zich twee jaar later echter wel vestigen op Deshima, een kunstmatig aangelegd eiland aan de oever van de zuidelijke stad Nagasaki. Voortaan mochten zij alleen bij hoge uitzondering voet aan de vaste wal zetten. Bij alles wat zij deden, ook op het eiland, werden ze door Japanse toezichthouders gecontroleerd – een bureaucratie van jewelste. Eén keer per jaar voer een schip van de toenmalige kolonie Nederlands-Indië de baai van Nagasaki in, geladen met goederen die via de handelspost werden geruild met Japanse waar.

Vermoedelijk kwam de eerste camera, geleverd door een Amsterdamse handelaar, in 1848 via Deshima in Japans bezit. Deze zou twee jaar eerder zijn besteld door een rijke familie. Omdat die niets zou hebben begrepen van het apparaat, zou dat zijn geretourneerd. Niet alleen was het verkrijgen van camera’s via de complexe aanvoerlijn een tijdrovende zaak, ook zou het de Japanners nog jaren kosten om het ingewikkelde chemische proces te doorgronden dat het maken van een opname toen vereiste.

Oudste foto van Japan

De oudst bewaarde foto die werd genomen door een Japanner dateert van 1857: een portret van Nariakira Shimazu, een leergierige landheer uit het zuiden van Japan. Een van zijn bedienden hielp hem om de opname te maken, achttien jaar nadat de in het Westen geproclameerde uitvinding van de fotografie een sensatie had veroorzaakt.

Het is een intrigerende gedachte: als de camera een paar jaar eerder in Japan was doorgrond, had die een samenleving kunnen vastleggen waarin twee eeuwen lang buitenlandse invloeden waren geweerd.

Ontdekking van een fotoalbum

Op het moment dat Shimazu zichzelf wist te vereeuwigen, had Japan zijn isolatiepolitiek al verlaten. De Verenigde Staten hadden met militair vertoon handelsbetrekkingen afgedwongen. In 1854 had het shogunaat twee havens opengesteld. Een jaar later kregen de Hollanders op Deshima (beperkt) toegang tot Nagasaki. Stap voor stap liet Japan de westerse mogendheden toe, waardoor de samenleving ingrijpend veranderde. Nederland raakte zijn exclusieve handelsrechten kwijt en de handelspost op het eiland werd in 1859 opgedoekt, al zouden enkele Hollanders er nog een aantal jaren blijven wonen.

Nadat Herman Moeshart in 1974 als assistent-conservator aantrad bij het toenmalige Prentenkabinet van de Universiteit Leiden, trof hij in de collectie een klein album aan dat zijn nieuwsgierigheid wekte. Het was gevuld met foto’s uit Japan en bleek in het bezit te zijn geweest van Willem Kok, die als opvarende van een Nederlands marineschip in 1862 en 1863 in Japan was geweest. In het album, dat Kok in Nagasaki had gekocht, stond ook een portret van Hikoma Ueno, een van de eerste grote fotografen in Japan.

Moeshart wist dat de Nederlanders op Deshima een rol hadden gespeeld bij de introductie van de fotografie in het land. Maar hoe was dat precies gegaan? Hij ontdekte dat Ueno en andere Japanners fotografieles hadden gekregen van twee opeenvolgende Nederlandse geneesheren die daar waren gestationeerd (zij werden nog geen artsen genoemd, die specialisatie kwam pas later). Formeel waren zij aangesteld voor medische hulpverlening aan de handvol landgenoten op het eiland en de bemanningen van de Nederlandse schepen die de handelspost aandeden. Maar zij deden veel meer dan dat.

Juiste man op de juiste plaats

Het eiland in Nagasaki was vanwege de gesloten grenzen de enige kans voor Japanners om kennis te nemen van ontwikkelingen in het Westen. Dit had ertoe geleid dat Nederlands de internationale taal was geworden in Japan. Geleerden in rangaku (‘Hollandkunde’) namen in de samenleving een voorname positie in. De bewoners van Deshima werden bestookt met vragen over tal van onderwerpen.

Jan Karel van den Broek, die van 1853 tot 1857 dienstdeed op het eiland, was in deze omstandigheden de juiste man op de juiste plaats. Naast geneesheer was hij ook wetenschapper – hij had baanbrekend onderzoek verricht naar de werking van het gehoor. Bovendien was hij technisch goed onderlegd en had hij de beschikking over een bibliotheek. Hij gaf informatie over uiteenlopende zaken als telegrafie, geschut en havenaanleg. Dankzij zijn adviezen wisten de Japanners onder meer kanonnen en een kleine stoomboot te fabriceren – gewichtige nieuwigheden voor het land dat had ontdekt dat het enorm achterliep bij de moderniseringen in het Westen.

Een Nederlandse gezant die toentertijd Japan bezocht, beschrijft Van den Broek expliciet in zijn reisverslag. ‘De geneesheer is het drukste personage in de buurt. Hij houdt zich bezig met een beetje van alles, mechanica, scheikunde, plantkunde en natuurgeschiedenis, astronomie en geologie.’ In het voorlaatste jaar van zijn verblijf ontving Van den Broek naar eigen zeggen niet minder dan achthonderd Japanse bezoekers.

Geen snipper bewaard

Ook op het gebied van de fotografie speelde hij een pioniersrol. In 1856 bouwde de Nederlander een donkere kamer op Deshima, waarin hij met Japanners oefende. Uit bestellingen en andere documenten kan worden opgemaakt dat er daadwerkelijk foto’s zijn gemaakt. Helaas is daarvan geen snipper overgeleverd, waardoor de geneesheer in de Japanse geschiedenis van de fotografie geen rol van betekenis speelt.

Ten onrechte, oordeelt Moeshart. ‘Van den Broek kan met recht de vader van de Japanse fotografie worden genoemd’, concludeert hij in zijn lezenswaardige proefschrift uit 2003, Een miskend geneesheer – Dr. J.K. van den Broek en de overdracht van kennis van westerse technologie in Japan 1853-1857.

Gedonder op Deshima

In weerwil van zijn grote betekenis moest Van den Broek voortijdig het eiland verlaten. ‘Opperhoofd’ Jan Hendrik Donker Curtius, die de leiding had op Deshima, voelde zich bedreigd door de populariteit van zijn ondergeschikte. Die had ook kritiek geuit; in de ogen van de geneesheer was Donker Curtius te toegevend in de onderhandelingen met Japan, waardoor Nederland, dat twee eeuwen lang de enige westerse handelspartner was, zich in korte tijd voorbijgestreefd zag worden door onder meer de Amerikanen.

Moeshart beschrijft hoe de ‘bedachtzame autoritaire bureaucraat’ en de ‘driftige wetenschapper met hooggestemde idealen’ met elkaar botsten. Het eiland was te klein voor zo’n conflict; het opperhoofd liet Van den Broek overplaatsen.

Schimmig zelfportret

Hij werd in 1857 opgevolgd door Johan Pompe van Meerdervoort, een geneesheer in dienst van de Nederlandse marine, die zes jaar op Deshima zou verblijven. Ook hij had een fotografieklas, met daarin onder anderen Hikoma Ueno, die al les had gehad van Van den Broek. Ueno zou later een eigen fotostudio opzetten en landgenoten het vak leren. Hij verwierf faam met zijn (zelf-)portretten en landschapsfoto’s.

Pompe werd op zijn beurt in Japan bekend doordat hij de mentor was van Ueno. Maar de geneesheer was helemaal niet bedreven in de fotografie. Hij moest dat zichzelf leren op Deshima met behulp van handleidingen en de kennis van de studenten van zijn voorganger. Eind 1858 wist hij met moeite een nogal schimmig zelfportret te fabriceren (dat om die reden grotendeels werd ingekleurd).

Zijn beeltenis bestaat nog doordat hij het naar zijn ouders in Nederland stuurde. Onlangs wist een conservator van Het Scheepvaartmuseum in Amsterdam de foto, die in een stedelijk archief in Leiden is terechtgekomen, te identificeren. Daardoor werd duidelijk dat het zelfportret van Pompe de oudst bewaarde foto is van de hand van een Nederlander in Japan. De rest van zijn foto’s ligt vermoedelijk op de zeebodem – het schip dat in 1863 Japan verliet met zijn verzamelingen aan boord, verging.

De broertjes Baudain

Tot de ontdekking van het zelfportret werd aangenomen dat Pompe’s opvolger, de militaire geneeskundige en fervente amateurfotograaf Antoon Bauduin, de oudst bewaard gebleven opname had gemaakt. Hij nam tijdens zijn tienjarig verblijf in Japan honderden foto’s van Deshima en de omgeving van het eiland en maakte ook portretten van Japanse vrienden. Zijn broer Albert, die eveneens in Japan werkzaam was, verzamelde afdrukken die door anderen waren gemaakt.

De collectie van de broers, 750 foto’s groot, werd dankzij het ontginningswerk van Moeshart aan de Universiteit van Leiden in bruikleen gegeven. Begin deze eeuw werd de verzameling echter verkocht aan de Universiteit van Nagasaki.

Voor het eerst sinds die eigendomsoverdracht is een deel van deze verzameling weer in Nederland te zien. Dat is te danken aan Maartje van den Heuvel, conservator fotografie bij de Universitaire Bibliotheken Leiden. Zij wilde een boek en een tentoonstelling maken over de Nederlandse inbreng bij het ontstaan van de fotografie in Japan. In 1987 hadden Moeshart en een collega al hetzelfde gedaan, maar aan een Japanse kijk op de geschiedenis had het toen ontbroken. Bovendien zijn er sindsdien veel ontdekkingen gedaan.

Snel veranderend Japan

Met hulp van Akiyoshi Tani, een fotohistoricus die is verbonden aan de Universiteit van Tokio, koos Van den Heuvel foto’s uit Nederlandse en Japanse collecties, waarbij de nadruk lag op de geschiedenis van Deshima. De expositie is te zien in het Japanmuseum Sieboldhuis in Leiden. Een toepasselijke plek; de vaste collectie is bijeengebracht door Franz von Siebold, een Duitse geneesheer in Nederlandse dienst die van 1823 tot 1829 op Deshima gestationeerd was. Een deel van deze verzameling behoort toe aan de Universiteit Leiden.

De tentoonstelling Licht over Deshima bevat – bij het ontbreken van foto’s uit die periode – gereproduceerde schilderijen van Kawahara Keiga over de bedrijvigheid van de handelspost op het eiland. Daarnaast tonen circa honderd afdrukken (facsimiles, de originelen zijn te kwetsbaar en het Sieboldhuis heeft beperkte klimaatbeheersing) hoe Japan veranderde van een archaïsch land tot een natie die driftig aan het moderniseren was.

‘Na de introductie van de fotografie in Japan werd er veel met de camera geëxperimenteerd’, zegt Van den Heuvel. ‘De meeste foto’s komen uit albums van Nederlanders die om een bepaalde reden in Japan waren, zoals militairen of geneesheren. De albums vertellen iets over de samenwerking tussen Nederlanders en Japanners.

‘Dan wordt het perspectief breder en zie je een stuk van Japan, nog voordat daar door de openstelling grote veranderingen zouden komen. De geschiedenis daarvan kun je ook op foto’s volgen; de sociale spanningen die ontstonden en de militaire conflicten. Plus het begin van de industrialisatie.’ De laatste beelden in de tentoonstelling tonen fabrieken die inmiddels in bedrijf waren genomen.

De rol van Nederland

Een vraag is nog welke Japanner de eerste bezitter was van een camera. Akiyoshi Tani zoekt al jaren in Europese en Japanse archieven naar het antwoord daarop. Was het een van de daimyo, de landheren die onder aanvoering van de shogun de macht hadden? ‘Misschien’, zegt de Japanse fotohistoricus, die vanwege een onderzoek en de tentoonstelling een maand in Nederland verblijft. ‘Of de Japanse regering in Edo. Die kocht ook een camera en chemicaliën via de Nederlandse handelspost.’ Een andere mogelijkheid die hij oppert is de schenking van een fototoestel door Amerikaanse of Russische afvaardigingen die Japan bezochten toen het land nog gesloten was.

Volgens Tani kan niet met zekerheid worden gesteld dat Nederlandse geneesheren de fotografie hebben geïntroduceerd in Japan. Hij formuleert het in het boek bij de expositie zo: ‘Met Nederland als eerste contactpunt begon de geschiedenis van de Japanse fotografische techniek en fotografische cultuur zich daadwerkelijk te ontwikkelen’.

Vast staat dat op Deshima een flinke stap vooruit werd gezet voordat de unieke poort tot verkrijging van kennis zijn prominente rol verloor. Dat lot trof ook de status van het Nederlands; na de openstelling werd het Engels al gauw de internationale taal in Japan. Deshima leek eveneens van de kaart te verdwijnen. De gebouwen werden afgebroken en het eiland werd opgeslokt door inpolderingen in de baai van Nagasaki.

Een kleine vijftig jaar geleden kwam er een herwaardering voor de bijzondere geschiedenis van de voormalige enclave en de Nederlands-Japanse relaties. In 1996 werd begonnen met de herbouw van de woningen en pakhuizen op het eiland. Tien jaar later ging Deshima open als toeristische bezienswaardigheid. Een kopie van het huis waarin de opeenvolgende geneesheren resideerden en praktijk hielden, moet nog verrijzen.

Licht over Deshima, Japanmuseum Sieboldhuis, Leiden, 25/9 t/m 28/2. Bij de tentoonstelling is een gelijknamig boek verschenen, Wbooks, € 39,95.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next