Geschiedenis De geschiedschrijving over vorstenhuizen gaat vaak over staatsvorming. Jasper van der Steen besloot het anders aan te pakken. Hij keek naar de Nassaus als een familiebedrijf.
Vergeet Willem van Oranje! Johan VI van Nassau-Dillenburg, iets beter bekend als Jan de Oude, die verdient een standbeeld. Meer dan één.
Oké, het gaat misschien wat ver om hem uit te roepen tot de ware vader des vaderlands, maar zijn rol in de geschiedenis is schromelijk onderschat, denk je als je De Nassaus leest, het nieuwe boek van historicus Jasper van der Steen.
Jasper van der Steen: De Nassaus. Een vorstelijk familiebedrijf 1500-1800. Prometheus, 392 blz. € 37,50
Ga maar na: Willem verdween al in 1584 van het toneel toen Balthasar Gerards hem met een welgemikt schot om het leven bracht. De Republiek stond er op dat moment belabberd voor in de strijd met het Spanje van Filips II. In de jaren daarna maakte Jan de Oude, een jongere broer van Willem, het financieel mogelijk de strijd voort te zetten. Zonder geld geen leger. Jan de Oude stak zich zo diep in de schulden dat hij op een moment aan de rand van een financiële afgrond stond. Hij zocht huwelijkspartners voor de kinderen van zijn oudere broer. Tot hij in 1606, ruim dertig jaar na zijn beroemde broer, overleed, hield hij de familie bij elkaar.
En die familie was overal. Een feit dat ook veronachtzaamd wordt in de geschiedenisboeken, omdat alle aandacht daarin uitgaat naar Willem van Oranje: meer dan twintig graven van Nassau bekleedden tijdens de Tachtigjarige Oorlog een hoge legerpost, maar liefst twaalf van hen kwamen door de strijd om het leven – Willem van Oranje niet meegerekend. De Tachtigjarige Oorlog, stelt Jasper van der Steen, was een familieonderneming. Vandaar de ondertitel van zijn boek: Een vorstelijk familiebedrijf 1500-1800.
In de geschiedschrijving over vorstenhuizen ligt de nadruk vaak op staatsvorming, vertelt Jasper van der Steen op zijn werkkamer in Leiden, waar hij universitair docent is. Het levert seriële biografieën op van mannen (altijd mannen) die elkaar opvolgen, waarin de nadruk meestal ligt op het talent dat de één heeft en de ander niet. Van der Steen wilde het anders aanpakken, door de Nassaus te benaderen als een familiebedrijf.
Jan de Oude
Familiebedrijven hadden in de wetenschappelijke literatuur van oudsher een matige tot slechte reputatie. Er is zelfs een woord voor: het Buddenbrookssyndroom, naar de roman van Thomas Mann over de opkomst en ondergang van een rijke koopmansfamilie. „Het zijn niet altijd de meest competente mensen die komen bovendrijven in een familiebedrijf”, zegt Van der Steen. Daardoor zou een bedrijf het vaak niet langer dan drie generaties volhouden. Erwerben, vererben, verderben, zeggen ze in het Duits.” Verwerven, erven, vergaan. Daar is wel wat tegenin te brengen, zegt Van der Steen. Familiebedrijven worden niet geleid door managers die belang kunnen hebben bij snelle winsten en daardoor de lange termijn uit het oog verliezen.
De familie Nassau dus. Veel mensen zullen bij Nassau denken aan Oranje-Nassau, het ‘huis’ van koning Willem-Alexander. Maar de Oranje-Nassaus zijn slechts een tak van de veel grotere familie Nassau, die als belangrijkste bezit Dillenburg had, een stadje met een kasteel in de huidige Duitse deelstaat Hessen. In 1403 verwierf de familie voor het eerst bezittingen in de Nederlanden toen Engelbert I van Nassau trouwde met de elfjarige Johanna van Polanen. Die had op tweejarige leeftijd omvangrijk bezit geërfd, met name rond Breda. De titel ‘prins van Oranje’ ging pas later, in 1530, naar een Nassau, ook weer door een huwelijk. Maar dat betrof dus alleen de ‘Nederlandse’ tak van de familie.
Wat het ingewikkeld maakt: in het Heilige Roomse Rijk, dat bestond uit semi-onafhankelijke gebieden in het midden van Europa, met als kern het huidige Duitsland, was het gebruikelijk dat adellijke families deden aan ‘erfdeling’: na het overlijden van een familiehoofd werd de erfenis vaak verdeeld over een aantal zonen. Pas later kwam de ‘primogenituur’ op, waarbij al het bezit naar de oudste zoon gaat. Toen Jan de Oude, de broer van Willem van Oranje, in 1606 overleed, werd zijn bezit verdeeld onder zijn vijf overlevende zonen, met als resultaat graven van Nassau-Dillenburg, Nassau-Siegen, Nassau-Beilstein, Nassau-Dietz en Nassau-Hadamar.
„Ze verdeelden de koek in vijf belachelijk kleine stukjes”, zegt Van der Steen. „Ik snap wel dat historici daar kritisch over zijn geweest.” Toch kijkt hij er zelf genuanceerder naar. Want de vijf broers verdeelden weliswaar het bezit van hun vader, ze maakten ook afspraken voor de toekomst. Over defensie, over een centraal archief, en over wat er moest gebeuren als één van de takken zou uitsterven. Ze hadden geregeld dat het bezit in de familie zou blijven.
„Het is dynasty first”, zegt Van der Steen op de vraag wat de belangrijkste overeenkomst is tussen de Nassaus en een familiebedrijf. Maar net als in een bedrijf moeten familiebelangen en persoonlijke belangen wel steeds tegen elkaar worden afgewogen. En net als in een familiebedrijf is er sprake van een zekere mythevorming rond de grondleggers van de gemeenschappelijke onderneming. Bij de Nassaus betrof dat aanvankelijk vooral Adolf van Nassau (ca.1255-1298) die in 1291 door Duitse keurvorsten werd verkozen tot koning van het Heilige Roomse Rijk. „Hij was hun voornaamste claim to fame”, aldus Van der Steen. Daarna vervulde Willem van Oranje die rol voor de Oranje-tak van de familie. Maar ook de vele Nassaus die tijdens de Tachtigjarige Oorlog sneuvelden, droegen bij aan het culturele kapitaal van de familie.
De vier graven van Nassau-Dillenburg, de broeders van Willem van Oranje: Jan de Oude (zittend) Hendrik, Adolf en Lodewijk.
Als familiebedrijf waren de Nassaus voortdurend bezig met het regelen van hun opvolging. Dat lijkt eenvoudig een kwestie van zorgen voor genoeg nageslacht, maar zo simpel was dat in de vroegmoderne tijd niet. De kindersterfte was gigantisch. „En de Nassaus waren een adellijke familie van de oude stempel”, zegt Van der Steen. „Wat doen edelen? Die vechten. Er verdwenen er dus heel wat op het slagveld.”
Het gevolg was een voortdurende balanceeract: genoeg nageslacht voor de opvolging, zodat er ook nog weleens iemand kan wegvallen, maar niet zoveel dat het bezit versnipperd raakt. Als er te veel zonen waren werd dat voor de Reformatie nog weleens opgelost door die geestelijke te laten worden. Konden ze toch nog een zekere statuur ophouden. Was er te veel werk aan de winkel dan konden bastaardzonen nog weleens van de reservebank worden gehaald om een nuttige rol te vervullen.
Doordat Van der Steen de Nassaus benadert als familiebedrijf is zijn blik breder dan die van andere historici, denkt hij. Internationaler. Hij heeft oog voor de opvolgingsscenario’s die géén werkelijkheid werden. En voor de vrouwen in de familie, die makkelijk worden vergeten omdat ze geen officiële functies vervulden.
Gevraagd naar welke vrouwen het belangrijkst waren in het ‘familiebedrijf’ noemt Van der Steen meteen Louise de Coligny (1555-1620), de vierde vrouw van Willem van Oranje. „Een jaar voor zijn dood zijn ze getrouwd. Zij blijft achter met een jonge zoon, Frederik Hendrik, en een heleboel stiefkinderen die grotendeels minderjarig zijn. Maar in plaats van dat ze bij de pakken neerzit, ontwikkelt ze zich tot een absolute powerhouse, die een veel grotere plek verdient in de historiografie. Ze onderhoudt familiebanden, zoekt huwelijkspartners voor kinderen, schrijft brieven aan gezagsdragers om de financiële positie van de familie te verbeteren. Want die heeft veel geïnvesteerd in de Opstand, financieel en personeel.”
Louise de Coligny
Een van zijn favoriete scènes uit zijn boek, zegt Van der Steen, betreft dan ook Louise de Coligny. Kort nadat ze weduwe was geworden, kreeg Louise bezoek van de Engelse diplomaat William Herle. Die schreef daar later over: „Ik bezocht de prinses van Oranje op haar eigen verzoek, en trof haar aan in een zeer donker, klein, melancholiek vertrek, wat een dubbel droevig schouwspel was, waarbij haar neerslachtigheid en kleding nog versterkt werden door de somberheid van de plaats.”
Van der Steen: „Ze was inderdaad tamelijk berooid, maar ze ensceneerde ook een situatie die medelijden opwekte. Ze was er heel bedreven in om de verwachtingen die tijdgenoten hadden van weduwen te instrumentaliseren om de steun te krijgen die ze nodig had voor de dochters van Willem van Oranje.”
Anna van Hannover
Een andere vrouw aan wie Van der Steen onmiddellijk denkt, is Anna van Hannover, de vrouw van stadhouder Willem IV van Oranje-Nassau (1711-1751). Willem overwoog zijn dochter Carolina te benoemen tot erfgenaam. Daardoor dreigde een conflict. Dat was namelijk in strijd met de familieregels, die voorschreven dat de erfenis naar andere een tak van de familie moest gaan wanneer een Nassau stierf zonder mannelijk nageslacht. Anna van Hannover suste dat conflict door ervoor te zorgen dat Carolina trouwde met een neef uit de tak van de Nassau-familie die aanspraak zou kunnen maken op de erfenis. Uiteindelijk was er overigens geen probleem: Carolina’s broer Willem kon hun vader opvolgen toen hij oud genoeg was en zo stadhouder Willem V worden. „Maar hier zie je dat voor iedere generatie de opvolging een stresstest is”, zegt Van der Steen. „Dat mis je als je alleen kijkt naar personen die het zijn geworden.”
Wat het verhaal leuk maakt – voor de historicus en voor de lezer – is dat de familie steeds probeert de lange termijn in het oog te houden door vast te houden aan regels, maar dat het uiteindelijk ook steeds gaat om mensen die niet altijd zin hebben om zich te laten binden door diezelfde regels.
Neem Jan de Oude, met wie dit verhaal begon. De broer van Willem van Oranje had een heleboel kinderen (meer dan twintig toen hij overleed). Na het overlijden van zijn eerste vrouw wilde hij hertrouwen. „Zijn raadgevers redeneren volgens de dynastieke logica en zeggen: neem iemand van jouw leeftijd die geen kinderen meer krijgt. Ze komen met Amalia van Nieuwenaar, een weduwe. Maar Jan de Oude ziet meer in haar stiefdochter Cunegonda van de Palts, die pas 23 is. Hij heeft al over haar gedroomd, dus dat moet wel een beschikking van God zijn. Bovendien, zegt hij, is Amalia nogal ‘fors’ en naast haar zou hij nogal klein lijken. Hij vindt Cunegonda natuurlijk gewoon aantrekkelijker. Royals presenteren zichzelf graag als vorstelijk en boven het alledaagse verheven. Terwijl veel van de dingen die ze doen heel menselijk zijn.”
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie