Kees Stavenuiter (73) fietste al 1.381 keer rond het IJsselmeer, een route van 200 kilometer waar vakantiegangers vaak een week over doen. Kees rijdt het in een dag, weer of geen weer. „Bij het duizendste rondje hadden ze me opgewacht met gebak.”
Páts, van die schuimkoppies, knallend tegen de dijk. Keihard nat gespat door de golven van het woeste water. En van de andere kant de klappen van vrachtwagens die met honderd kilometer per uur langs het smalle fietspad razen. Telkens de windklappen pal op je kop, klap na klap na klap na klap.
Op het weerbericht zeggen ze dan windkracht 2, maar fiets je over de Houtribdijk van Enkhuizen naar Lelystad, de 26 kilometer lange waterkering die het IJsselmeer scheidt van het Markermeer, reken maar op het dubbele. Met noorderwind fiets je nog in de luwte van het talud, maar heb je hem tegen, zuid of zuidoost, dan is het een eind. En stervenskoud, zeker in de winter, als de wind, extra afgekoeld na zijn trek over het open water, je in het gezicht slaat.
Het enige dat Kees Stavenuiter (73) op zulke momenten kan denken: als ik maar niet lek rijd. Schiet als een mantra door zijn hoofd. Want als hij met de racefiets een lekke band krijgt op zijn rondje IJsselmeer, is dat dikwijls op de Houtribdijk, door de scherpe steentjes op het fietspad. En vaak in het donker, een paar uur voordat de zon opkomt. Of in de mist, dan zie je helemaal niks. Op de tast verwisselt hij dan een band.
Alsmaar rechtdoor, kop naar beneden. En altijd fietst hij hier op dit tijdstip alleen. Ja éénmaal, met Kerst, kwam hij een vrouw tegen, wandelend in korte broek. Daarna nooit meer gezien. Want wie bedenkt het om tweemaal in de week, voorheen drie, om half vier in de ochtend op te staan om vervolgens eerst de pony van de kleindochter te voeren, daarna een hele krantenwijk te fietsen en dan, om half zes in de ochtend, op zijn racefiets vanuit de bijkeuken, te beginnen aan een rondje van 200 kilometer rondom het IJsselmeer?
Van zijn woonplaats Andijk naar Enkhuizen, over de dijk naar Lelystad, dan de Noordoostpolder, Lemmer, Workum, Makkum en over de Afsluitdijk weer terug. Soms, afhankelijk van de wind, het rondje andersom. En dat al 1.381 keer – genoteerd in de agenda van zijn vrouw.
„Kijk, die vist op paling.” Stavenuiter zwaait vanaf de Houtribdijk steevast naar de visserman op het IJsselmeer en de visserman zwaait steevast terug.
Kees Stavenuiter fietst elke week zo’n drie keer met zijn racefiets een rondje om het IJsselmeer.Vanaag doet hij dat samen met zijn fietsvrienden Koos Klarenbeek en Dirk de Vries.
We doen het rondje ditmaal met de auto, want wie houdt ’m bij? Stavenuiter fietst het rondje momenteel in zo’n zeven uur met een gemiddelde snelheid van 28 kilometer per uur. Tot vorig jaar 32. Maar toen kreeg hij spierreuma. Daarna prostaatkanker. „Zat ik aan de prednison.” En zelfs met de auto voelt het nog als een heel eind. En eentonig. Al-die-kilometers rechtdoor.
We begonnen thuis, aan de koffie met zijn vrouw. Stavenuiter toonde een foto van zijn vader schaatsend op een ijsvlakte met rondom alles wit. De Hel van ’63. Vader, een West-Friese bloemkolenboer, werd zeventiende bij de Elfstedentocht waarop het 15 graden vroor. In zijn groepje reed-ie voorop. Rugnummer 202. De elfjarige Kees, vrij van school, zag thuis in Andijk dat rugnummer af en toe voorbij klunen op de tv. „’s Avonds was-ie gewoon weer thuis hoor.”
Zelf heeft Stavenuiter ook drie kruisjes van de Elfstedentocht. Hij schaatste ’m in ’85 en ’86, toen Evert van Benthem tweemaal won. Ook een boer, net als de winnaar van ’63, Reinier Paping. Maar het kruisje van 1997, bewaard in het doosje voor de bandenplak, is zijn meest dierbare. „Toen was hij net ontslagen uit het ziekenhuis. Na jaren van somberte”, vertelde zijn vrouw. „Sporten hielp hem weer op de been.”
Stavenuiter knikte. „Je eigen ding.”
„Als-ie hier in een hoekje gaat zitten piekeren…”
Het geslacht Stavenuiter is ijzersterk. Zijn vader behaalde als tachtigplusser meermaals het podium op de WK Wielrennen voor senioren en al vanaf zijn jeugd hielp Kees hem met de bloemkolenoogst. Elke dag van ’s ochtends vier tot ’s avonds negen vijfduizend bloemkolen handmatig de kop afsnijden en op de schuit mee naar de veiling varen. Nog altijd staat er thuis tweemaal in de week bloemkool op het menu. Niet al dente gekookt, gewoon een half uurtje in de pan.
Maar het leven loopt niet altijd zoals je wenst. Op zijn veertigste belandde Stavenuiter thuis op de bank met een dubbele hernia in de nek en een dubbele in de rug. Hij, die nooit stil kon zitten, kon in ene niets meer. Helemaal niets.
Aangekomen in Flevoland, het IJsselmeer aan onze linkerflank, rijden we langs de kruinen van jachthaventjes uitstekend boven de dijk. Langs een windmolenpark, zonnepark, het nieuwe distributiecentrum van woongigant Jysk. Hier vind je de hardware van Nederland; geen terrein voor mensen. Stavenuiter komt hier geregeld vossen tegen en, wijzend op de zwarte strepen op verlaten asfalt, „scheurende motorrijders”.
Aan de rook uit de torens van de Maximacentrale in de verte leest Stavenuiter de stand van de wind af. Die draait nog wel eens, en een rondje IJsselmeer is eigenlijk één groot gevecht met de wind. Soms heb je ’m in de rug, dan is hij je vriend. Maar je kunt de wind ook tegen hebben. De hele weg.
„Kom maar binnen hoor.” Aangekomen in Swifterbant heeft koeienboer Aart de Kuiper (77) de koffie al klaar. Met een chocoreep erbij. Dit is Stavenuiters vaste stop – behalve op zondag.
„Hoe is-ie?”
„Ouder geworden”, zegt Stavenuiter, neerploffend op de bank. „Maar jij ziet er nog voordelig uit, met je pet op.”
De Kuiper glimlacht. „Zijn jullie bovenronds gekomen?”
„Nee, onder.”
Stavenuiter komt hier al vanaf 2008 en op den duur, zegt De Kuiper, „word je kennissen”. Stavenuiter: „Ik ben tuinder geweest, hij heeft koeien. Dus we hebben altijd praat.”
Aan de rondjes is Stavenuiter begonnen dankzij een 82-jarige Andijker, Dirk de Vries, die er inmiddels óók meer dan duizend op heeft zitten. Via hem leerde Stavenuier ook deze koeienboer in Swifterbant kennen. De Kuiper heeft voor zijn woning een picknickbank neergezet voor pauzerende voorbijgangers, vandaar. Wielrenners, wandelaars en fietsende gezinnen die over datzelfde rondje IJsselmeer een week doen.
De Vries heeft nu wat aan z’n hart, dus nu is Stavenuiter, voor zover hij weet, de enige met zoveel rondjes op zijn naam. Al was hij er helemaal niet mee bezig. „Na de 500 denk je, de 600 kan ook wel. En daarna, ach, de 1.000…”
Ja maar, wacht. Ho! Er is er één, zeggen ze vol bewondering, met wie het allemaal begon: Rommert Schippers. Hun beider ogen lichten op. „De Nachtfietser uit Munnekeburen.”
De Kuiper: „Die heeft de 500 gehaald.”
Stavenuiter: „Die deed een nog groter rondje. 240 of 260.”
Bij het rustpunt tegenover de familie Kuiper hangt een foto van Rommert Schippers.
„En dat midden in de nacht hè. Op een gewone fiets.”
Op de picknickplek heeft De Kuiper een foto opgehangen van dit illustere figuur, poserend in overhemd en pantalon naast een herenfiets zonder versnellingen. Die fiets staat nu als eerbetoon in het bosje tegenover zijn huis; De Kuiper kreeg hem geschonken nadat Rommert Schippers overleed.
„Hij stopte hier op alle tijden. Ook ’s nachts”, zegt De Kuiper turend naar de overkant. „Liever wilde hij niet aangesproken worden. Maar later werd hij minder schuw.” Zijn drive? De Kuiper haalt zijn schouders op. „Het was een bijzondere man.” Glimlach: „Maar dat zijn alle fietsers.”
„Je had er ook eentje die elke dag de Afsluitdijk over fietste”, zegt Stavenuiter. „Naar z’n zuster.”
De Kuiper: „Lust je nog een bakkie?
„Ja lekker. Een koppie.”
We maken voort langs bollenvelden, aardappelen en suikerbiet richting Ketelbrug. Nieuw asfalt, „dat rolt”. Tegen deze tijd neemt Stavenuiter meestal een boterham. Vier dubbele heeft-ie mee. Stroop en kaas. En een banaan. „Hoe sterker je wordt, des te minder heb je nodig.”
In de Noordoostpolder is het landschap vlak. Soms heeft Stavenuiter vanaf hier al tegenwind tot aan de Afsluitdijk, „nog 80 kilometer”. Op de uitgestrekte wegen langs boerenakkers komt hij geregeld de profs in het schaatsen en wielrennen tegen, want op deze wegen kun je oneindig rechtdoor zonder stoplicht en zonder verkeer.
Kees Stavenuiter met zijn fietsvrienden Koos Klarenbeek en Dirk de Vries bij een rustpunt.
Dit is ook het punt waarop Stavenuiter altijd een beetje zenuwachtig wordt, want toen hij voor het eerst hoorde dat de Afsluitdijk per 1 april 2019 dicht zou gaan voor fietsers, wegens werkzaamheden, dacht hij dat het een grap was. Maar het bleek wáár en de werkzaamheden lopen alweer jaren uit. Met de bus moet hij sindsdien; een speciale waarin de fiets mee kan. Die bus vertrekt ’s zomers elk uur en ’s winters eens per vijf kwartier. Bij guur weer is Stavenuiter, onder de chauffeurs bekend als „de bijrijder”, meestal de enige passagier.
Alleen, je wilt ’m niet missen, zeker niet als het regent. Maar tot aan de bushalte aan het begin van de Afsluitdijk zijn nog drie bruggen voor pleziervaart die open kunnen staan. En Stavenuiter rijdt sinds 2019 door de Noordoostpolder met een omweg, om alsnog aan de 200 kilometer te komen. En de wind moet meezitten. En geen lekke band. Hij heeft die bus al zeker een keer of tien gemist.
Voor een afgebroken ketting of losse spaken heeft hij onderweg drie fietsenmakers die hem kennen. Natgeregende kleren kan Stavenuiter kwijt in de droger bij de bakker in Lemmer. Daar, bij de McDonald’s, bestelt hij ook vaak een kop seniorenkoffie. Tafel 915, bij de kinderhoek en de wc. Dan maakt hij ook een praatje met de man die aan datzelfde tafeltje steevast tegenover hem zit en de Trouw leest. „Bij vertrek neemt-ie hem mee voor zijn vriendin.”
Stavenuiter heeft onderweg bij een Friese boer ook wel eens een bok gekocht om z’n geiten mee te dekken. „Later opgehaald met de auto.” Hij bezorgde op zijn ronde eens een brief van koeienboer De Kuiper aan diens kennis in Cornwerd. En op het leugenbankje in Workum neemt hij plaats tussen oudere mannen die zijn vader vanaf datzelfde bankje hebben zien klunen in ’63 en er dagelijks het dorpsnieuws doornemen. „Bij het duizendste rondje hadden ze me opgewacht met gebak.”
We rijden over de open, Friese vlakten waar de weersomstandigheden altijd „narrig” zijn. „Gewoon zuinig.” Stavenuiter kan zich erover verbazen hoe midden in die leegte soms zomaar een idyllisch haventje opdoemt. „Hier heb je ook altijd tegenwind”, zegt hij, wijzend naar de opkrullende dijk. „Omdat we weer richting het IJsselmeer rijden.”
Ontembaar, dat grote water. Maar Stavenuiter blijft het proberen, liefst als het waait én vriest én regent, want zo’n helletocht als die zijn vader in ’63 heeft meegemaakt, hoopt hij ooit nog eens te beleven. En dán overeind blijven. „Dat geeft een goed gevoel.”
Kees Stavenuiter
Het hele lichaam ging op slot nadat Stavenuiter in de jaren negentig thuis kwam te zitten met twee dubbele hernia’s. Een spijker in de muur slaan ging al niet meer. Hij kon zelfs niet meer onder de mensen komen. Ging niet meer naar het voetbal van zijn eigen zoon. „Voelde ik angst, zweten.” Schaamte ook, schuldgevoel, omdat zijn vrouw, die voor de kinderen had gezorgd, nu moest gaan werken. „Zo raar hè. Ik kon de hele wereld aan. Zo sterk als ik was… En dan opeens… Kun je het je voorstellen?”
Stavenuiter belandde vanwege depressiviteit en paniekaanvallen in een psychiatrische kliniek, en in het ziekenhuis. Hij durfde niet eens meer in het donker te liggen, „het licht moest altijd aan”. Creatieve therapie hielp hem weer op de been, een hond bracht hem weer onder de mensen.
Maar hij knapte pas echt op toen hij ging fietsen. Die houding, met gekromde rug, gaat hem makkelijker af dan lopen. En het fietsen geeft hem zelfvertrouwen. „Weten dat je het redden kunt. Dat je dat beheerst.”
We rijden over de Afsluitdijk en Stavenuiter stuurt zijn vrouw nu altijd een berichtje. „Dan weet ze hoe laat ik thuis ben.” Meestal rond het eten. Want met de wind in de rug en af en toe een extra zwieper van het langsrazend verkeer „rolt het lekker” en dan is hij er, op de fiets, in drie kwartier wel overheen. Daarna nog dertig kilometer naar Andijk.
Hoe vaker je het rondje doet, hoe korter het voelt. „Ik ben ook zo weer hersteld hoor”, zegt Stavenuiter bij aankomst thuis. Gelukkig maar, want hij gaat zo nog de pony voeren. Daarna het gras maaien. En op vrijdags nog de folders rondbrengen.
„En eh, doen we nog een koppie?”
Kees Stavenuiter met zijn fietsvrienden Koos Klarenbeek en Dirk de Vries op de Houtribdijk.
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie