Joodse geschiedenis In Antizionisme draait Benjamin Moser alles wat met zionisme te maken heeft honderdtachtig graden om. Van een rozig ideaal verandert het in een eenkoppig monster. Dat gaat ten koste van historische context en ambivalenties.
Arthur Balfour (midden, met wandelstok) bezoekt Palestina, 1925.
Benjamin Moser: Antizionisme. Een Joodse geschiedenis. (Anti-Zionism. A Jewish History) Vert. Toon Dohmen, Paul Van der Lecq. De Arbeiderspers, 448 blz. €29,99
Eén ding stond over Israël in brede kring lange tijd vast: je kon nog zoveel kritiek hebben op het land, op zijn oorlogen, op de systematische onderdrukking van de Palestijnen of op het zionisme, het bestaansrecht van de natie stond buiten kijf.
Niet langer. Het idee dat de staat Israël van meet af aan een „historische vergissing” was of een „koloniaal-racistisch project” dat zo snel mogelijk moet worden beëindigd, heeft ook buiten activistische kring tractie gekregen, uiteraard door de genocide in Gaza – en de openlijke steun in Israël daarvoor – en de verloedering van de staat zelf.
Antizionistische literatuur staat dan ook in de belangstelling, zeker als die afkomstig is van Joodse auteurs. De Israëlische historicus Shlomo Sand (een linkse criticus van Israël, die zich niettemin geen ‘antizionist’ noemt) legde in Israel-Palestine. Federation or Apartheid? (2024) al eens de lange onderstroom bloot van Joodse kritiek op de inzet en verwording van het zionisme. Recent verscheen een herdruk van vier essays van Hannah Arendt uit 1944-1948, Het zionisme bij nader inzien (Jurgen Maas), een geëngageerde kritiek van het zionisme, in haar ogen een combinatie van socialisme en nationalisme die zou uitlopen op geweld en het antisemitisme alleen maar zou aanjagen.
De Joods-Amerikaanse schrijver Benjamin Moser, bekroond biograaf van Susan Sontag, schaart zich nu in die rijen met Antizionisme, een lange aanklacht tegen het zionisme aan de hand van twaalf portretten van Joodse critici, van de Nederlandse schrijver Jacob Israël de Haan die in 1924 werd vermoord door de Hagana tot Hannah Arendt (‘de bewuste paria’) en de Britse politicus Edwin Montagu, criticus van de Balfour-verklaring (1917) waarmee Engeland beloofde zich in te spannen voor een Joods thuis in Palestina, toen deel van het Ottomaanse Rijk.
Die biografische portretten, het leeuwendeel van het boek, zijn stuk voor stuk lezenswaardig, al is de inhoud al veelal bekend uit andere bronnen. Maar ze worden wel gekleurd door Mosers inleiding, waarin hij woedend verslag doet van zijn wending naar het antizionisme. Hij raakte ontgoocheld door wat hij las over de geringe steun die het zionisme genoot onder Europese Joden – die er een bedreiging in zagen van hun integratie – door de opportunistische banden van zionisten met dubieuze bondgenoten onder wie nazi’s, het eurocentrische wereldbeeld van Herzl en de zijnen, en vooral: de miskenning van het feit dat er al een volk woonde in Palestina (destijds onderdeel van het Ottomaanse Rijk), dat moest worden verdreven om plek te maken voor de Joodse staat – een voorbeeld van settler colonialism, zoals het nu heet.
Van het rozige ideaal van zijn grootvader, die de geschriften van Theodor Herzl bij zich droeg, veranderde zionisme voor hem in een inktzwarte vorm van bedrog, bedacht door dwazen en aangejaagd door cynici die zich encanailleerden met de nazi’s. „Het wás een complot”, zei Moser in een interview in NRC over zijn boek, „het was de maffia met de beste marketing van de geschiedenis”.
Zijn boodschap heeft in de Nederlandse media een welwillend onthaal gekregen: Moser werd geïnterviewd in Het Uur (NRC), bij de NPO en de VPRO. Opmerkelijk, want het boek is zo eenzijdig dat ook bij critici van Israël of het zionisme de haren te berge moeten rijzen.
In zijn ontgoocheling draait Moser alles wat met zionisme te maken heeft honderdtachtig graden om en verandert het van een droombeeld in een eenkoppig monster dat zonder veel context door de geschiedenis stampt. Hij spreekt van „het” zionisme of „de” zionisten (alsof linkse, rechtse, seculiere en religieuze zionisten elkaar niet vanaf het begin de tent uitvochten – het hard line „revisionisme” van Jabotinsky won) en legt geen belangstelling aan de dag voor historische contingenties of ambivalenties. Theodor Herzl, de grondlegger van het zionisme, doet hij af als een arrogante dwaas, nog eurocentrisch ook, maar over de pogroms en het antisemitisme die hem tot de overtuiging bracht dat Joden in Europa niet veilig zouden zijn, lezen we maar weinig behalve dat het er „vele” waren, een „reeks” of een „golf”.
Mosers afkeer van het zionisme is ook emotioneler en radicaler dan de zelfkritiek van de Israëlische historicus Omer Bartov, die in Israel. What Went Wrong? de nadruk legt op politieke keuzen en fatale weeffouten bij de stichting van de staat Israël (met name het ontbreken van een grondwet). Die afkeer leidt tot historische omissies, versimpelingen en onwil om grijstinten te zien. Het zionisme kon nooit zonder steun van Europees imperialisme, meent Moser – maar in feite was de Britse en Amerikaanse houding tegenover het zionisme al lang dubbelzinnig.
Na de Arabische opstand van 1936 sloten de Britten, die allengs meer met de Arabische zaak sympathiseerden, Palestina grotendeels voor Joodse immigratie – daarna gooiden ze het probleem over de schutting naar de VN. De Amerikanen waren in 1948 sceptisch (de eerste grootmacht die Israël erkende was de Sovjet-Unie) en bleven dat tot de Zesdaagse oorlog van 1967. Moser heeft gelijk dat de Britse steun in 1917 was doortrokken van het christen-zionistische idee van het beloofde land en het antisemitische idee van ‘machtige Joden’, al is ook dat allesbehalve een nieuw inzicht.
Maar bij zijn eenduidige interpretatie van het zionisme bekruipt je ook een heel ander ongemak. Het zionisme, schrijft hij, „deed zich voor” als een moderne, rationele beweging – maar was „niet meer dan” een uitvloeisel van „het westerse kolonialisme en imperialisme”. Het „bediende zich” van moderne, rationele taal, het deed alsof het links en socialistisch was – wat ook Hannah Arendt over het vroege zionisme nog geloofde – maar dat was louter „een populaire voorstelling van zaken die zionisten gebruikten om linkse mensen te trekken”.
Wat die woorden zo unheimisch maakt, is het klassiek antisemitische beeld van de Joodse bedrieger. Het is de kern van Hitlers tirade in Mein Kampf: de Joden zijn meesters van „de grote leugen”, omdat ze „geen enkele eigen cultuur” hebben en leven „achter het masker” van hun religie (in de vertaling van Mario Molegraaf, Prometheus 2018).
Maar bij Moser zijn de nazi’s, krijg je de indruk, zo’n beetje de enigen bij wie ze hun ware gezicht laten zien. Hij onderstreept de al vaker belichte „Ha’avara-overeenkomst” tussen sommige zionisten en nazi’s ten bate van Joodse emigratie uit Duitsland. Maar achter dat opportunisme schuilt bij hem verwantschap, want „de nazi’s en de zionisten [deelden] veel opvattingen met elkaar”, zoals racisme en het doel om de Joden uit Europa te verwijderen. Ter ondersteuning haalt hij zelf ook (één keer) Mein Kampf aan, waarin Hitler „had geschreven over ‘een grootse [Duits: grosse] beweging die het zionisme heet’”.
Ook dat is half werk. In dat boek (in het hoofdstuk ‘Volk en ras’) staat wel iets meer over het zionisme, namelijk dat het „de rest van de wereld probeert wijs te maken” dat nationale zelfbeschikking en een eigen staat voor de Joden het doel is. Opnieuw een Joodse leugen, waarmee ze „de domme gojim weer eens heel gewiekst [bedotten]”. Balfour mocht erin gestonken zijn, is de boodschap, de Führer wist wel beter. Want die staat was door de Joden bedoeld als een „aan de greep van andere staten onttrokken centrale organisatie voor hun internationale wereldafzetterij: een toevluchtsoord voor bewezen ploerten en een hogeschool voor aankomende schurken”.
Onwillekeurig vrees je dat sommige lezers van Mosers boek bij zichzelf zullen denken dat Hitler dat toch allemaal best goed had gezegd.
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie